Mentaliteitshistoricus Philippe Ariès

Geplaatst op woensdag 01 augustus 2018 @ 12:14 , 18 keer bekeken

Een reactionair met sprankelende ideeën.  

Hij schreef over onderwerpen die er werkelijk toe doen: over het leven en de dood. Zijn boeken tintelen nog steeds van inventiviteit en originaliteit. Philippe Ariès, twintig jaar geleden onderwerp van een ware hype, is toe aan een herwaardering.
 

Philippe Ariès

Toen Philippe Ariès in 1979 Amsterdam bezocht ontpopte hij zich als een enthousiasmerende persoonlijkheid, waarmee het geanimeerd praten was. Tijdens een wandeling door de stad leverde hij commentaar op alle gebouwen die hij zag, wijzend op gevelsteentjes waar niemand ooit op gelet had. In 1979 beleefde Ariès (1914-1984) zijn grote doorbraak in Nederland. Hij was in Amsterdam om te spreken op een congres over de dood, dat was georganiseerd door de Nederlandse Sociologische en Antropologische Vereniging. Ariès nam de gelegenheid te baat om een kleine tournee te maken langs enkele universiteiten, zoals die van Amsterdam en Leiden. De tegenwoordige Amsterdamse hoogleraar Pim den Boer interviewde hem voor een paginagroot artikel in NRC Handelsblad. Ariès grote boek over de dood lag, althans in Amsterdam, in dikke stapels in de boekhandel. Nederland had de mond vol van een nieuwe richting in de geschiedwetenschap: de mentaliteitsgeschiedenis.

Philippe Ariès was een groot vernieuwer. Al kort na de oorlog publiceerde hij een boek over de Franse bevolkingsgeschiedenis: Histoire des populations françaises. In 1954 volgde Le temps de l'histoire, een boek over de geschiedenis van het historisch besef, waarin hij de geschiedschrijving cultuurhistorisch benadert. Maar het was pas met zijn mentaliteitsgeschiedenis dat Ariès werkelijk zou doorbreken. Eerst alleen in de Verenigde Staten, met zijn beroemde boek uit 1960 over de geschiedenis van het kind, L'enfant et la vie familiale, dat in het Engels de sprekende titel Centuries of childhood meekreeg. En later met een reeks boeken over de dood, waarvan L'homme devant la mort, in het Nederlands vertaald onder de titel Het uur van onze dood. Duizend jaar sterven, begraven, rouwen en gedenkenhet belangrijkste was. Ariès werd zo de vader van vier vernieuwingen in de geschiedwetenschap: de demografie, een meer cultuurhistorisch gerichte historiografie, de gezinsgeschiedenis en de mentaliteitsgeschiedenis.

Het meest opmerkelijke is daarmee nog niet genoemd: Ariès was in feite slechts een amateur-historicus. In zijn intellectuele autobiografie uit 1980, Un historien du dimanche, noemde hij zichzelf een ‘zondagshistoricus'. Het mag opzienbarend worden genoemd dat iemand die op de universiteit was gezakt voor het afsluitende examen later toch een van de kleurrijkste naoorlogse historici kon worden. Omdat een universitaire carrière voor hem onmogelijk was, werkte Ariès bijna zijn leven lang als voorlichter bij een bureau voor tropische en subtropische gewassen . Pas in 1978 – hij was toen al bijna 65 jaar – zou Ariès worden benoemd tot directeur Onderwijs aan de École des Hautes Études en Sciences Sociales; het bolwerk van de ‘Annales'-historici, de school die de twintigste-eeuwse geschiedschrijving een nieuw aanzien gaf en waar beroemdheden als Fernand Braudel en Emanuel le Roy Ladurie toe behoorden.

Minstens zo opmerkelijk is dat de grote vernieuwer Ariès in politiek opzicht het tegendeel van progressief was. Hij was een conservatieve katholiek, die lid was van de autoritaire, antidemocratische Action Française. De Amerikaanse historicus Patrick Hutton onthulde onlangs dat Ariès ook nog eens ‘fout' was in de oorlog. Ariès gaf toen les aan de École des Cadres in La Chapelle, een school waar rassenkunde een belangrijke plaats had in het onderwijsprogramma. Hij zelf besteedde in zijn lessen veel aandacht aan de demografie. Ariès vond het belangrijk dat de bevolking van Frankrijk zich flink zou vermeerderen. Frankrijks politieke macht hing ervan af; het teruglopende bevolkingsaantal zou een van de belangrijkste oorzaken van de Franse nederlaag in 1940 zijn geweest.

Ariès schreef over onderwerpen die er werkelijk toe doen. Heel letterlijk: over het leven en de dood. En hij was niet benauwd voor een grootse aanpak; zijn boeken beslaan vaak meerdere eeuwen. Het is zijn stelling dat mentaliteiten, het ‘collectieve onderbewustzijn' van een samenleving, slechts zeer langzaam veranderen. Pas in het perspectief van eeuwen blijkt dat zaken die wij nu als vanzelfsprekend en van alle tijden ervaren, in werkelijkheid in de loop der tijd ingrijpende veranderingen hebben ondergaan.

Neem De ontdekking van het kind. Ariès stelt als een van de eersten dat de manier waarop wij met kinderen omgaan een relatief recent verschijnsel is. In de vroegmoderne tijd waren kinderen slechts korte tijd kind, eigenlijk alleen in de afhankelijke fase. Daarna werden het al snel kleine volwassenen. Het was pas in de zeventiende en achttiende eeuw dat het kind ‘ontdekt' werd, dat men oog kreeg voor wat het kind van de volwassene onderscheidt.
 

Philippe Ariès
Het uur van onze dood

In Ariès' grote boek over de dood hanteert hij een zelfde benadering. Vóór Ariès ging eigenlijk elke historicus ervan uit dat de dood een biologisch feit was, waarop in alle culturen ongeveer op dezelfde manier gereageerd werd. Ariès demonstreert dat ook de dood een geschiedenis heeft en dat er in het verleden heel anders gerouwd werd. Hij laat bijvoorbeeld zien dat het persoonlijke grafmonument pas in de vorige eeuw algemeen gebruik werd. Voor die tijd werden de meeste mensen gewoon in massagraven begraven. Niet het lichaam was belangrijk, maar het zielenheil.

Pas in de negentiende eeuw kwam het verdriet van de nabestaande op de voorgrond te staan. Dit hing samen met ontwikkelingen als de toenemende individualisering, gekoppeld aan een nieuw familiesentiment. De affectieve relaties raakten steeds meer geconcentreerd in het kleine kerngezin van vader, moeder en de kinderen. Als dan een van de leden van dit gezin overlijdt, is het verdriet nauwelijks meer beheersbaar. Mensen gingen in diepe rouw en er ontstond een cultus rondom de begraafplaats. Over de dood heen bleef men zich verbonden voelen met de overleden geliefde.

Volgens Ariès is het verleden ‘anders', totaal verschillend van onze eigen tijd. Heel aantrekkelijk was dat hij de fascinatie voor dit ‘andere verleden' combineerde met een grote gevoeligheid voor actuele vragen. Geschiedenis was voor Ariès een manier om hedendaagse problemen de baas te worden. In zijn boek over de dood neemt hij het sterfbed van zijn moeder in 1964 als uitgangspunt voor zijn bespreking van de moderne opvattingen rondom de dood. Niet voor niets gebruikt Ariès voor zijn soort geschiedenis ook wel de term ‘existentiële geschiedenis'.

Metabletica
 

Ariès kreeg pas laat erkenning, ook in Nederland. De Leidse hoogleraar psychologie J.H. van den Berg (geboren in 1914, in hetzelfde jaar als Ariès) was de eenzame uitzondering die Ariès vroeg ontdekte. Zijn in 1956 gepubliceerde Metabletica of leer der veranderingenheeft heel wat gemeen met Ariès' boek over de geschiedenis van het kind. Onafhankelijk van Ariès ontwikkelde Van den Berg het idee dat de ‘moderne kinderlijkheid' een nieuw verschijnsel was. Daarbij gebruikte hij ongeveer dezelfde bronnen waartoe Ariès later zijn toevlucht zou nemen, zoals schilderijen en contemporaine geschriften over de opvoeding van kinderen. In enkele voetnoten verwijst Van den Berg naar een vroeg artikel van Ariès: ‘Le XIXe siècle et la révolution des moeurs familiales'. Omgekeerd kende Ariès Van den Bergs boek waarschijnlijk niet. Hij zou het later, toen het in 1964 in het Frans vertaald werd, ‘un très beau livre' noemen.

De echte vakhistorici reageerden aanvankelijk gereserveerd, niet alleen op het werk van Van den Berg, maar ook op dat van Ariès. Een witte raaf was de Leidse hoogleraar Ivo Schöffer, die altijd een fijne neus had voor nieuwe richtingen in het historisch onderzoek en de ontwikkelingen in het buitenland goed bijhield. Hem komt de eer toe dat hij Ariès bij de Nederlandse historici introduceerde. In een aflevering van het Tijdschrift voor geschiedenisuit 1964 bespreekt hij vier recente Franse publicaties, waaronder Ariès' L'enfant et la vie familiale, dat hij roemt als een voorbeeld van een nieuwe benadering.

Toch was Schöffer niet onverdeeld positief. Nog maar enkele jaren daarvoor hadden twee jonge historici, de latere hoogleraren Van der Woude en Dittrich, de knuppel in het hoenderhok gegooid met een pleidooi voor een nieuw soort wetenschappelijke geschiedenis. Tellen en kwantificeren voerden daarbij de boventoon, een filippica tegen de ‘traditionalistische' politieke geschiedschrijving. Dat tellen was iets dat Schöffer in Ariès vond ontbreken. Hij verweet hem een eclectisch gebruik van met name literaire en iconografische bronnen, een verwijt dat Ariès later wel vaker gemaakt zou worden. Wat dat betreft stond hij toch enigszins aan de zijlijn van de mainstream ‘Annales-historiografie'. Voor Schöffer was Ariès iets te ‘gewaagd en wild', hoewel hij het tegelijk ‘onmogelijk' noemde ‘zich aan de charme van het boek te onttrekken'.

Vergelijkbare kritiek had een nog jonge Pim den Boer. In 1974 schreef hij, onder inspiratie van zijn docent Schöffer, een scriptie over de dood, die twee jaar later in bewerkte vorm in het Tijdschrift voor geschiedenis werd gepubliceerd. In dit artikel noemt hij de studies van Ariès ‘stimulerend', maar ‘historisch fragiel gedocumenteerd'. Als zovelen was Den Boer in de ban van de kwantitatieve methode, die uitzicht bood op een meer wetenschappelijke beoefening van de geschiedenis. Den Boer wilde het ‘heersende primaat van het anekdotische en het individuele' doorbreken.

Toch werd Ariès in Nederland steeds bekender. Zo hield hij in 1972 een lezing op een congres over Johan Huizinga, dat ter gelegenheid van diens honderdjarige geboortedag was georganiseerd. Ariès sprak over het onderwerp ‘Huizinga et les thèmes macabres'. In 1979 volgde in Amsterdam het grote congres over de dood.

Ariès overleed in 1984 en lijkt inmiddels volledig in de vergetelheid te zijn geraakt. Hoewel... In Amerika werkt Patrick Hutton aan een biografie. In Frankrijk worden Ariès' geschriften nog steeds herdrukt, onder meer dankzij de historicus Roger Chartier, die uitvoerige inleidingen schreef bij de heruitgave van Le temps de l'histoire (herdruk in 1986) en bij een bundeling van enkele in 1993 voor het eerst in boekvorm uitgebrachte opstellen: Essais de mémoire 1943-1983. Het is tijd voor een herwaardering. Mogelijk was Ariès soms iets te impressionistisch in zijn benaderingswijze. Maar zijn boeken tintelen nog steeds van inventiviteit en originaliteit. In retrospectief blijkt Ariès een cruciale overgangsfiguur te zijn geweest op de weg naar een nieuw soort cultuurgeschiedenis. Met zijn nieuwe, mentaliteitshistorische benaderingswijze roeide Ariès aanvankelijk tegen de dominerende sociaal-economische stroom in. Maar dankzij het feit dat hij in de marge van het wetenschapsbedrijf stond hoefde hij zich niet te voegen naar het conformistische klimaat dat het universiteitsleven altijd zo kenmerkt en kon hij met nieuwe ideeën komen.

Een conservatief met vernieuwende denkbeelden, het lijkt met elkaar in tegenspraak. Toch lagen zijn traditionalistische gemoed en zijn nieuwe mentaliteitshistorische benaderingswijze voor Ariès in elkaars verlengde. De nostalgie die hij voelde voor het traditionele milieu waarin hij was opgegroeid zette hem op het spoor van een bredere, meer omvattende geschiedenis die de enge politieke geschiedenis ver oversteeg. Net als voor Huizinga was de geschiedenis voor Ariès een vorm van maatschappijkritiek. Ariès zocht naar een samenleving waarin hij zich thuis kon voelen en die hem ook hielp in het verwerken van zijn existentiële ervaringen. In de mentaliteitsgeschiedenis vond hij die.

Meer info over Philippe Ariès:
Philippe Ariès en de mentaliteitsgeschiedenis in Nederland

Bron: Albert van der Zeijden, historischnieuwsblad.nl


Welkom bij Clubs!

Kijk gerust verder op deze club en doe mee.

Wat is dit?


Of maak zelf een Clubs account aan:


Aanbevelingen door leden:

bernard-de-clairvaux starstarstarstarstar

Een geweldige community over de middeleeuwen in al haar facetten. Boeken, tentoonstellingen, steden en discussies met diepgang en humor. Een Vlaams-Nederlandse samenwerking van historisch niveau!