Kunst en cultuur van de middeleeuwen

- Welkom op deze club over de middeleeuwen - 

ff4ed65097cf6febccbfc81e2132384eead5fb8d

ehrenritter.gifIn deze club volgen we het nieuws over de middeleeuwen en discuteren we er over op het forum of blog: nieuwe inzichten en analyses, boeken en internetberichten, tentoonstellingen, films en TV-series, strips, levende geschiedenis en re-enactment en last but not least, de reisverslagen van onze clubleden. Kortom elk evenement dat ook maar een link heeft met de middeleeuwen krijgt een plaats op deze club. Het kan dus ook een persoonlijke belevenis of ervaring zijn van een clublid of gast, daarvoor dient vooral het 'Forum'. Op de blogberichten kan je ook je reacties kwijt. Naast het vele nieuws heb je ook nog de talrijke videoclips die je vindt in 'Videoalbums' en enkele links. Kortom, ben je in geschiedenis geïnteresseerd en meer bepaald in de periode van de middeleuwen, maak je kosteloos lid en doe mee of geniet.

5_1.pngD
e naam van de club verwijst naar het boek De Kathedralenbouwers van de franse historicus G. Duby: de middeleeuwers waren immers bij uitstek kathedralenbouwers. Dit boek heeft mij begeesterd en het middeleeuwse vuur wakkerde voor eeuwig aan door "De naam van de Roos" van de erudiete Umberto Eco.

Je vindt "Kathedralenbouwers" ook op Scoop.it!.  Plaatjes over de middeleeuwen vind je op Pinterest - middeleeuwen.

De periode voor de middeleeuwen, namelijk de Prehistorie en de Oudheid, wordt behandeld in de club
"Van Prehistorie tot Middeleeuwen".

Ben je een toevallige gast?
Wordt gratis lid, of laat iets horen op het forum of mail de eigenaar van deze club op calamandja@yahoo.com.

eric-enide-e1391725330308.jpg

Reeds sedert 2008 organiseert de club Kathedralenbouwers jaarlijks een clubbijeenkomst. 
Na Utrecht (2008), Brugge (2009), Delft (2010), Zutphen (2011), Kortrijk (2012), Bergen op Zoom (2014), is de zevende clubdag in 2015 doorgegaan in Mechelen. Hieronder vind je het verslag van deze laatste clubdag. 

Op zaterdag 24 oktober 2015 verzamelden de Bouwers zich voor alweer de 7e Bouwersdag; deze keer in Mechelen, stad aan de Dijle. Het was tussen 10.00 en 11.00 uur ontmoeten in Brasserie Den Beer aan de Grote Markt voor koffie met een borrel advocaat: een mens sterkt daar van aan. Marjoke laat haar kleinood "De Habsburgers & Mechelen: De dynastie. Binnenhuis van Gotiek en Renaissance", uitgegeven ter gelegenheid van de expositie in Hof van Busleyden in 1987, van hand tot hand gaan.

Op de Grote Markt zelve werd onder het toeziend oog van Margaretha van Oostenrijk druk handel gedreven en genoten van maatjes en oesters met riesling; dat was nog te vroeg voor de Bouwer die nog een dag te gaan had.

Abt Bernardus had een evenwichtig program gesmeed.

Om 11:00 begon het serieuze werk: bezoek aan de Sint-Romboutskathedraal, gebouwd tussen 1300 – 1600. De toren van de kathedraal is als onderdeel van 56 belforten en kerktorens in België en Frankrijk opgenomen op de lijst werelderfgoed ID 943-016 van Unesco. Opmerkelijk is de permanente tentoonstelling van 24 middeleeuwse panelen over het leven van Sint Rumoldus van rond 1500, geschilderd door de Vlaamse primitief Colijn de Coter 

Opvallend hoe donker de altaar–omgeving is en hoe licht het schip is getooid. In zo’n grote kathedraal gaat elke Bouwer zijn eigen gang.

Rondom 12:00 togen we naar de Varkensstraat om de culinaire verwenning van het Oude Seminarie Hof van Merode mee te maken.

We hadden ons gesterkt om het programma voort te zetten: op naar de hoogtepunten van Mechelen. De Varkensstraat uit, over de Veemarkt naar de Keizerstraat. Tegenover het Paleis van Margareta van York ontvingen we college van Marjoke over deze tweede echtgenote van Karel de Stoute. En zowaar het zonnetje brak door en deed zijn oktoberse best.

De doorsteek naar de tuinen van het Paleis van Margaretha van Oostenrijk is dan zo gemaakt.

Na dit Bourgondisch / Habsburgs gebeuren op de buitenrand van de middeleeuwen naar Sint-Janskerk in de Sint-Janstraat: kerk van twee heiligen: Johannus de Doper en Johannus de Evangelist op de grondvesten van een 13e eeuwse kapel; een kerk rijk voorzien van grote kunstwerken van recentere datum. Houtbewerker Theodoor Verhagen ( 18e eeuw) laat zich hier van zijn beste kant zien met preekstoel en de kerkmeestersbanken.

De kerk had veel plaats ingeruimd voor de Heilige Barbara, patrones van de Kathedralenbouwers, architecten en metselaars.

Dan trekt de stoet verder naar Het Zotte Kunstkabinet in het historisch monument ’t Vliegend Peert, het geboortehuis van Mayken Verhulst, schoonmoeder en mentor van Pieter Breugel: moraliserende schilderijen uit de 16e eeuw.

De voorlaatste etappe leidt naar de Refugie van de Abdij van Tongerloo (1484), waar nu de Koninklijke Manufactuur De Wit is gevestigd, die nu wereldleider is in de restauratie van oude tapisserien uit museumcollecties. Een kunstgidse verklapte ons van de geheimen van het restaureren van tapisserien.

De Hoogmis hebben we in het Oude Conservatorium, het rustpunt in de stad aan de voet van de majestueuze Sint-Romboutstoren.

Ieder laaft zich aan de drank die hem het best past: Van Carolusbier tot wijn en plat-water en brengt sterke verhalen naar voren.

Het is een feest dit mee te maken.

 

art_border_motif_01.jpgart_border_motif_01.jpgart_border_motif_01.jpg

Foto van de clubleden op de zesde clubdag in Bergen op Zoom (2014):
 

Foto van de clubleden op de vijfde clubbijeenkomst in Kortrijk (2012):

IMG_0001.JPG

Foto van de clubleden op de vierde clubbijeenkomst in Zutphen (2011):

club2.jpg

Foto van de clubleden op de derde clubbijeenkomst in Delft (2010):

Clubleden Kathedralenbouwers in Delft

Foto van de aanwezige clubleden op de tweede clubbijeenkomst van de Kathedralenbouwers te Brugge op 18 april 2009.

cluppersbrugge(1).jpg

art_border_motif_01.jpgart_border_motif_01.jpgart_border_motif_01.jpg

documents.gif Scoop+it_online+curating_scoop+it+versus banner+2link+be.jpg 46a0f6cd59ecc242f3e84fbf00fabaa2.jpg

Free counters!

Hendrik van Veldeke (2de helft 12de eeuw) was een gevierd minnezanger. Wij kennen hem van zijn minneliederen, de Sint-Servaaslegende en de Eneïde, de eerste Germaanse, hoofse roman. Zijn muziek is helaas verloren gegaan. Daarom publiceerde Musica/Alamire daarover een boek. Lothar Voetz schreef dan weer een boek over de Heidelbergse codex Manesse waarin Veldeke aanwezig is.

Heinrich von Veldeke
Herr Heinrich von Veldeke
(Codex Manesse, c. 1305–1315).

Middelhoogduits

Het Frankisch Middel Duits en het Alemannisch en Beiers Middelhoogduits waren de literaire talen van Hartmann von Aue, Wolfram von Eschenbach, Gottfried von Straßburg en Walther von der Vogelweide. Het was de taal waarin ten tijde van de Hohenstaufen de eerste Duitse hoofse literatuur werd geschreven, het was de taal van het Nibelungenlied, Parzival en Tristan en Isolde. Het Middelhoogduits was weliswaar ook één van de talen waarin Hendrik van Veldeke schreef, de eerste volkstalige schrijver van de Lage Landen, de schrijver die de basis legde van de Nederlandse, Limburgse en Duitse literatuur.
 
3 Middelhoogduitse handschriften
 
Veldekes liederen, zo lezen we, zijn overgeleverd in drie handschriften van het einde van de 13de - en het begin van de 14de eeuw. Die stammen alle drie uit het zuidwesten van het Hoogduitse, dus zuidelijke Opperduitse deel van het Duitse taalgebied, dat van de zogenaamde Alemannische dialecten. Veldekes liederen worden effectief  bewaard in drie Middelhoogduitse handschriften uit de late 13de- en vroege 14de  eeuw, met name in het Kleine Heidelberger Liederhandschrift, het Weingartner Liederhandschrift van de Württembergische Landesbibliothek in Stuttgart en in het Groβe Heidelberger Liederhandschrift, beter bekend als de Codex Manesse van de Heidelbergse Universiteitsbibliotheek.
 
Hoe klonk zijn muziek?
 
Als we spreken van een minnezanger, schrijft Herman Baeten, spreken we uiteraard ook over muziek. Er is echter geen enkel spoor van zijn muziekproductie bewaard gebleven. Hoe heeft de poëzie en het proza van onze gouwgenoot geklonken? vraagt Baeten zich af. Dit leidde in 2008 tot een symposium in Leuven. Het onderzoek werd gevolgd door de Alamire Foundation. En zo startte een onderzoekstraject van meer dan vijf jaar door internationale specialisten en een keur van jonge musici die op zoek gingen naar de muziek zoals die bij Veldeke mogelijks zou hebben geklonken. Op de 30ste internationale Dag van de Oude Muziek in 2013 in Alden Biesen brachten trouwens achttien ensembles de hele dag muziek van Veldeke en zijn tijd. “Was het Middelhoogduits van de lyrische lais, die ook overgebleven zijn in het Oudfrans en het Oud-Occitaans, de taal van Veldeke?”, zo wordt zich in het boek bv. afgevraagd? 
 
Veldeke en de muziek
 
De essays van de onderzoekers zijn gebundeld in het rijk geïllustreerd boek ‘Hendrik van Veldeke en zijn muziek’. Ze behandelen geschiedenis, kunstgeschiedenis, taal en dichtkunst en door de bijdragen van twee specialisten in de middeleeuwse muziek krijgt de muziek van Veldeke bijzondere aandacht. Zo is er het onderzoek van Middeleeuwse Germaanse melodieën op de uitvoering van een bepaalde scène van de Eneide uit het Germaans liedboek, het Jenaer Liederhandschrift, de grootste, bewaarde verzameling middeleeuwse Germaanse teksten voorzien van melodieën. Het bevat nl. een repertoire van 13de -eeuws Spruchgesang uit de periode die volgde op Veldekes dood.
 
9 hoogst interessante essays
 
Het boek bestaat uit een voorwoord van Herman Baeten, Voorzitter Musica, en negen uitgebreide essays. Ze zijn geschreven door Jozef Janssens, Jan Goossens en Frank Willaert maar ook door Elizabeth Den Hartog uit Leiden, Benjamin Bagby uit Parijs en Marc Lewon uit Oxford. Zo opent Jozef Janssens met “Oud en nieuw in een bewogen tijdsgewricht” en vervolgt Elizabeth Den Hartog met “Hendrik van Veldeke en de Maaslandse kunst en architectuur van zijn tijd”. Daarop volgen essays over het nieuw mensbeeld, de taal van Hendrik van Veldeke, Veldekes Sint-Servaaslegende, reflecties over de hedendaagse uitvoering van middeleeuwse narratieve teksten, het essay “In het voetspoor van Veldeke” en een essay over de overlevering van zijn dichtwerk. 
 
Lees- en kijkboek
 
Voetnoten en bibliografieën vervolledigen de inhoud en bepaalde essays werden geïllustreerd met mooie afbeeldingen en treffende notenvoorbeelden. Het boek is daardoor ook een kijkboek. De bijdragen kunnen een breed publiek boeien maar zijn ook bestemd voor vakspecialisten. In elk geval bieden de essays aan zowel kenners als niet-kenners een mooie kijk op de diverse aspecten van de wereld van onze eigenste, Limburgse Hendrik van Veldeke.
 
Zanger van de graaf van Loon
 
Het Graafschap Loon bevond zich in het huidige Borgloon, Kuringen en een gebied nabij de Abdij van Herkenrode. Ergens in het boek lezen we over een groot tornooi tussen Franse en Duitse ridders in Sint-Truiden in aanwezigheid van de Duitse keizer : “Op de vooravond van het tornooi is er in Sint-Truiden feest in de herberg waar Guillaume zijn intrek heeft genomen: er wordt gedanst, gegeten en gedronken. En dan begint men te zingen. De mooie Galeran van Limburg heft een liefdeslied aan; dan volgt de zoon van de graaf van Maastricht, die in deze kunst zeer bedreven was. Daarna volgt – tot onze niet geringe verbazing – een jonge man die een liefdeslied ten beste geeft over een jonge man van de graaf van Loon, die de reputatie had een goede zanger te zijn.” “De zanger van de graaf van Loon met een goede reputatie? Dat kan toch niemand anders zijn, schrijft Jozef Janssens, dan Hendrik van Veldeke? Onmogelijk is het niet en het is een verleidelijke gedachte, vervolgt hij, maar het is helaas niet te bewijzen.” Dit is een prachtboek dat u voor geen geld ter wereld mag missen. Magistraal!
 
 

Codex Mannesse

Liederhandschrift
 
De Codex Manesse of het Große Heidelberger Liederhandschrift is een geïllumineerd verzamelhandschrift uit ca. 1300. De Codex Manesse is voor de Duitse handschriftverluchting wat de Très Riches Heures du duc de Berry zijn voor de Franse. De codex bevat een bloemlezing van 140 auteurs uit twee eeuwen Duitse literatuur uit de periode van 1170 tot 1330. De codex bevat weliswaar geen notities of aanwijzingen over de melodie van de liederen. De auteur van wie het meeste werk is opgenomen in het handschrift is Walther von der Vogelweide. 
 
Bewogen geschiedenis 
 
De Codex Manesse is de uitgebreidste collectie van Middelhoogduitse zang en epigrammatische poëzie en heeft een geschiedenis die teruggaat tot een collectie van Middelhoogduits poëzie in de eerste helft van de 14de eeuw van de familie Manesse in Zürich. In de 17de  eeuw behoorde het boek tot de bibliotheek van Jacques Dupuy, een eminent Frans schrijver en bibliothecaris (Garde de la Bibliothèque royale) van Lodewijk XIV. Bij zijn overlijden maakte Dupuy de bibliotheek van zijn “cabinet Dupuy” over aan de koning en kwam het handschrift terecht in de Koninklijke Bibliotheek, de latere, legendarische Bibliothèque nationale. Daar werd het in 1815 door Jacob Grimm herontdekt. Vandaag bevindt het belangrijkste Liederhandschrift van de Duitse Middeleeuwen zich in een kluis van de Heidelbergse Universiteitsbibliotheek.
 
Hertog Jan en Veldeke
 
Het verzamelhandschrift is de belangrijkste bron voor onze kennis van de Middelhoogduitse liefdeslyriek en bevat teksten van 140 Minnesänger, onder wie een aantal vorsten. Wel 137 paginagrote miniaturen tonen de hoofse activiteiten van deze minnestrelen in geïdealiseerde vorm. We vinden in het handschrift portretten van o.a. onze hertog Jan I van Brabant, de vermoedelijke auteur van het minnelied waarvan elke strofe eindigt met “Harba lori fa”, en van onze Hendrik van Veldeke of Heinrich von Veldig, die zoals eerder vermeld, aan het begin stond van de Middelnederlandse en Middelhoogduitse poëzie.
 
Rijkdom aan miniaturen
 
Het rijk geïllustreerd manuscript telt 138 miniaturen, geïdealiseerde portretten van minnezangers of troubadours met het wapenschild van de afgebeelde personen. Het manuscript bevat weliswaar ook een rijkdom aan miniaturen met afbeeldingen van jachttaferelen, toernooien, gevechten, dansen en musiceren, eten en drinken, spelevaren tot zelfs baden en minnetaferelen.
 
Minnezangers en hun gedichten
 
De Heidelbergse Altgermanist Lothar Voetz kent de codex als niemand anders. Naast levendige portretten van de grote minnestrelen of minnezangers bevat zijn boek ook vertalingen en interpretaties van door hem gekozen gedichten. Lothar Voetz schrijft over de oorsprong, de geschiedenis en de impact van dit uiterst belangrijk manuscript. Tal van teksten en beeldpagina’s met kleurrijke illustraties brengen het uitgebreid onderwerp in beeld. Lothar Voetz (°1945) is emeritus hoogleraar oude Duitse Filologie aan de Universiteit van Heidelberg en was houder van leerstoelen aan de universiteiten van Münster en Wenen. Zijn onderzoek richtte zich tot Germanistische Handschriftenkunde en Duitse Mediëvistiek. Warm aanbevolen.


Hendrik Van Veldeke en zijn muziek
Herman Baeten

214 blz. geïllustreerd
uitgeverij Alamire ISBN 90-6853-203-6

preview van het boek via deze link

Der Codex Manesse
Lothar Voetz

Duits, 176 bdz. geïllustreerd
uitgeverij Lambert Schneider ISBN 9783650400420

Bron: klassiek-centraal.be; Michel Dutrieue, 09/05/16

In Floris ende Blancefloer van Diederic van Assenede doet Jozef Janssens waar hij goed in is. Een Middelnederlandse tekst onderdompelen in eigen historisch nat en hem vervolgens opblinken tot hij glimt als een appel.

Vrouwen hebben een streepje voor op mannen. Of tegen. Het is maar hoe u het bekijkt. De vrouw is namelijk een vat van wellust en overspeligheid. Dat komt zo: het vrouwenlichaam bevat meer vloeistof dan het mannenlichaam. Vloeistof kun je moeilijk vasthouden met als logisch gevolg: vrouwen zijn wispelturig, nieuwsgierig en wellustig. Vraag het maar aan de middeleeuwse universiteitsdocenten.

Iets anders: het had niet veel gescheeld of onze Vlaamse vlag was een rood hart geweest, omgeven door twaalf gouden en hemelsblauwe stralen. Onze leeuw, zo wil een hardnekkige overlevering, hebben we in de twaalfde eeuw gestolen van een moslim.

Nog wat anders: wist u dat Vlaanderen al in de dertiende eeuw een van de sterkst verstedelijkte gebieden was van Europa? En dat de Westerschelde in de tiende eeuw de ‘Honte’ heette en niet meer was dan een nauwelijks bevaarbaar veenriviertje, tot een reeks stormvloeden er zich in de twaalfde en dertiende eeuw mee bemoeide? En dat het Aards Paradijs eeuwenlang net achter het Midden-Oosten lag?

Een walgelijk wanschepsel

Als u van zulke historische weetjes houdt, en niet bang bent van een vloedgolf aan namen en feiten, moet u ongetwijfeld Floris ende Blancefloer van Diederic van Assenede in huis halen. Dat boek van Jozef Janssens (e.a.) is opgebouwd rond het Middelnederlandse verhaal Floris ende Blancefloer (ca. 1255) en het schrijverschap van belastingontvanger, ondernemer en Assenedenaar Diederic. Middelnederlandse literatuur in een historische context plaatsen is Janssens’ handelsmerk en dus voert hij de lezer mee ver buiten de grenzen van het verhaal, op een boeiende tocht door het politieke, culturele en literaire landschap van twaalfde- en dertiende-eeuws Vlaanderen én Europa.

We krijgen een inkijk in de Vlaamse kruistochten, de middeleeuwse kennis van het Midden-Oosten, de opkomst van de volkstalige literatuur, de taalsituatie in Vlaanderen en ga zo door. Coauteurs Veerle Uyttersprot en Jan Uyttendaele breken met interessante tips en lesvoorstellen het veld open naar het onderwijs. Adrie de Kraker belicht in een kort, maar taaier deel onder andere de turf- en zoutwinning in de venen rond Assenede. Het boek is prachtig geïllustreerd met – vaak nog ongepubliceerde – middeleeuwse miniaturen, maar door het glanzende papier is het jammer genoeg alleen te lezen bij de juiste lichtinval.

De hoofdbrok van Floris ende Blancefloer van Diederic van Assenede is vintage Jozef Janssens. Die schreef het boek in een hoogst middeleeuwse constellatie: in opdracht. Twee jaar geleden vroeg de Asseneedse geschiedkundige kring Hallekin hem of hij Floris ende Blancefloer en Diederic van Assenede weer op de kaart kon zetten. In de negentiende eeuw stoorde men zich aan het ‘naïeve’ en ‘weinig heroïsche karakter’ van het boek. De Amsterdamse boekverkoper Witsen Geysbeek omschreef het als ‘een walgelijk wanschepsel... zonder eenige historische waarde’. En al waren anderen, zoals Hoffmann von Fallersleben, ronduit lovend, vandaag krijgt het werk nauwelijks nog aandacht, niet in literatuurgeschiedenissen, niet in het onderwijs.

Bestseller van IJsland tot Italië

Het verhaal kent bijna niemand nog. Intrigerend, want in de middeleeuwen was de roman op verzen een echte bestseller, die werd gelezen van IJsland tot in Italië. De beeldschone Floris en Blancefloer worden op dezelfde dag in hetzelfde Spaanse paleis geboren: Floris als zoon van het Moorse koningspaar, Blancefloer als dochter van een geroofde christenvrouw. De kinderen zijn nauwelijks enkele maanden oud of ze staan in vuur en vlam voor elkaar: in bad ‘bekijken ze elkaar lieflijk’ en liggen ze in de wieg, dan kussen ze elkaar. Om een lang verhaal kort te maken: de Morenkoning wil niet dat zijn zoon met het christenmeisje trouwt. Blancefloer wordt achter Floris’ rug aan een emir in Babylon (Caïro) verpatst, maar Floris, kapot van verdriet, reist haar achterna. Uiteindelijk keren ze samen terug naar Spanje, dat zich samen met Floris tot het christendom bekeert.

De roman is niet de meest geraffineerde van zijn tijd, vindt ook Janssens. ‘Maar zijn pacifistische toon was een compleet nieuw geluid in het militaristische Vlaanderen van de dertiende eeuw. Diederics idee van de liefde die, zonder enig wapengekletter, alles overwint, steekt af tegen het strijdgewoel in de ridder- en Karel de Grote-romans van die tijd. Zet de titelheld Floris, die van puur liefdesverdriet al eens durft flauw te vallen, maar eens naast krachtpatser Roland uit het Chanson de Roland. Al zijn diens trommelvliezen gescheurd en puilen zijn hersenen uit, die blijft gewoon voortvechten.’

Bovendien is de liefde tussen Floris en Blancefloer er een uit vrije wil. Heel gewoon vandaag in ons eigenste Westen. Toch hebben we dat te danken aan de theologen van de twaalfde eeuw. Die haalden het huwelijk weg van bij de familieclans, en maakten het iets van de geliefden zélf. ‘Bij het huwelijk uit vrije wil, hoorde een objectieve getuige’, zegt Janssens. ‘Dat werd de priester, die sindsdien, vanwege die objectiviteit, níét meer mocht trouwen.’ Dat weet u dan ook weer.

JOZEF JANSSENS (e.a.)
Floris ende Blancefloer van Diederic van Assenede. Liefde in het graafschap Vlaanderen van de dertiende eeuw.
Davidsfonds, 256 blz., 49,99 €.

Bron: De Standaard; 13 NOVEMBER 2015; Astrid Houthuys, "Romeo en Julia komen uit Assenede"

Geschiedenis is bij uitstek een vak dat gaat leven wanneer er interessante verhalen worden verteld. Verhalen zijn nuttig omdat ze losse feiten in een logisch verband zetten, vaak pakkend zijn en zich concentreren rond een bepaalde visie of een specifiek thema. In het verhalenboek Middeleeuwers tussen hoop en vrees (Uitgeverij IJzer, 2015), is het hoofdthema de toekomstverwachting en de toenmalige angsten waarmee de gemiddelde middeleeuwer te kampen had. En dat waren er nogal wat. 

 "Middeleeuwers tussen hoop en vrees"
 Cas van Houtert - € 29,95 - 603 pag.

Met zijn prachtige schrijfstijl slaagt journalist Cas van Houtert, al decennialang verbonden aan het Eindhovens Dagblad, erin om in acht verhalen de kernaspecten van de jaren 500-1500 op een levendige wijze naar voren te halen. Van Houterts verhalen gaan over onder meer Karel de Grote, de Noormannen, de apocalyptische sfeer om en nabij het jaar 1000, de investituurstrijd (de machtsstrijd tussen het wereldlijk en geestelijk gezag), de kruistochten, kloosters en kathedralen.


Succesvol veldheer Karel de Grote

In het eerste verhaal staat Karel de Grote centraal, die man die tijdens de Kerst van het jaar 800 de eerste West-Europese keizer werd sinds de ondergang van het West-Romeinse Rijk in 476. Een belangrijke kwaliteit van Karel de Grote was zijn militaire inzicht. Hij zorgde ervoor dat zijn legertroepen goed uitgerust waren en nam in veldslagen vrijwel altijd de juiste beslissingen:

“Karel was het grootst als veldheer en veroveraar. In vijfentwintig veldtochten leed hij slechts tweemaal een nederlaag: in de strijd tegen de Moren bij Roncesvalles en tegen de Saksen bij Süntelberg. Op beide slagvelden was hij zelf overigens niet aanwezig. Bij alle andere gelegenheden kwam hij al zegevierend uit de strijd. De basis van zijn succes lag in een goed uitgerust en behoorlijk geoefend leger. Kern daarvan was een ruiterij die gerekruteerd was uit de bevoorrechte en alleen al daarom loyale klasse, de ridders. Zij waren gewapend met een zwaard, een schild en een lans en hadden zich in tamelijk primitieve maar wel efficiënte harnassen gestoken. De gevechtskleding bestond uit een lange maliënkolder, gecompleteerd met helm, arm- en beenkappen. Het voetvolk had de beschikking over speren, bijlen, soms een zwaard, en een korte, gemakkelijk te hanteren boog met een goedgevulde pijlkoker.” (27)

     

Abelardiseren: een voorspoedige genezing

In een ander verhaal maken we kennis met de theoloog Pierre Abélard, die in 1117 de fout maakte om aan te pappen met, zelf was hij toen 38 jaar, het tienermeisje Heloïse. Het was de bedoeling dat Abélard het meisje bijles zou geven, maar het contact liep uit op een heftige affaire. Toen de oom van Heloïse hier lucht van kreeg, zorgde hij er eigenhandig voor dat Abélard gecastreerd werd. Tot in de negentiende eeuw stond het begrip ‘abelardiseren‘ (wat zoveel betekent als ‘ontmannen’) om deze reden in Nederlandse en Franse woordenboeken.

Van Houtert schrijft dat Abélard na de castratie een psychische crisis doormaakte:

“Liggend op zijn sponde realiseert Abélard zich dat zijn misère in de hele beschaafde wereld over de tong zal gaan. Zijn familie in Bretagne zal ervan horen. Ook ziet hij onder ogen dat de Almachtige hem met grote precisie getroffen heeft in het lichaamsdeel waarmee hij zo zwaar gezondigd heeft. En dat hij nergens meer voor vol zal worden aangezien, niet in de hemel en al helemaal niet op aarde. Dan slaat de wanhoop toe. ‘Ik wist werkelijk niet meer waar ik het zoeken moest.’ Gelukkig loopt het genezingsproces voorspoedig. De dader en zijn trawanten hebben goed werk geleverd.” (451)

    

Mensenvlees verkopen

De gekte rond het jaar 1000, toen men het einde der tijden verwachtte, giet Van Houtert in een soepele verhalende pasvorm. Zonder verder te veel te verklappen over dit fraaie hoofdstuk, geef ik een aandachttrekkende passage weer over de hongersnood die in 1033 grote delen van Europa teisterde en tot radicale handelingen leidde, zoals kannibalisme:

“Alsof het de gewoonste zaak van de wereld was mensenvlees te eten, was er iemand die het op de markt van Tournus kwam verkopen, klaargemaakt en wel, precies zoals hij met het vlees van een of ander dier zou hebben gedaan. Toen hij werd aangehouden, zag hij geen reden zijn schandelijke daad te ontkennen. Hij werd gekneveld en aan het vuur prijsgegeven. Het klaargemaakte vlees werd begraven. Iemand die daar van wist, ging ’s nachts op pad om het op te graven en op te eten. Hij werd gesnapt en eveneens verbrand.” (179)

   

Toonaangevende mediëvisten

De verhalen lezen stuk voor stuk vlot weg. Van Houtert weet de spanning goed op te bouwen én vast te houden. De acht verhalen zijn bronmatig goed onderbouwd en gedegen. Wie een blik in de literatuurlijst werpt, komt tot de constatering dat Van Houtert relevante bronnen heeft gebruikt. Zo komen we onder meer toonaangevende mediëvisten tegen als Thomas Asbridge (kruistochtenexpert) en de Franse historici George Duby (die de bestseller Het jaar duizend) schreef en Jacques Le Goff, schrijver van onder meer Cultuur van middeleeuws Europa.

  

Bron: historiek.net - Enne Koops · 31 oktober 2015 

In het water gevonden
Het Amerfoorts Mirakelboek

Je huis staat in lichterlaaie, je schip raakt op woeste wateren in de problemen of je krijgt een oogontsteking. Wat doe je dan? In de Middeleeuwen hoefde je maar een bedevaart naar Maria in Amersfoort te beloven en alles was opgelost. Het Amersfoortse Mirakelboek heeft 542 van deze wonderen verzameld.

In de vorm van korte verhaaltjes worden de mirakelen beschreven. Mediëvist Dick de Boer en neerlandicus Ludo Jongen hebben met In het water gevondenHet Amersfoortse Mirakelboek de wonderen uitgegeven en hertaald. Tevens voorzagen zij het boek van een inleiding over de historische en religieuze achtergrond van de verhalen.

Een beeldje onder het ijs

In 1444 vond dienstmaagd Margriet in Amersfoort een beeldje van Maria onder het ijs. Onze Lieve Vrouw kon in veiligheid worden gebracht en in de honderd jaren die volgden, werden wonderen waargenomen, aan Maria toegeschreven en opgetekend. Drie handschriften uit het begin van de zeventiende eeuw bleven bewaard.

Al in 1946 verscheen er een uitgave van dit middeleeuwse mirakelboek, van de hand van Piet Lukkenaer. De Boer en Jongen konden, in tegenstelling tot Lukkenaer, voor de nieuwe publicatie gebruikmaken van het Brussels handschrift. Deze versie, van de hand van de Antwerpse jezuïet Heribert Rosweyde, bood oplossingen voor tekstuele problemen van de andere twee overgeleverde handschriften. Daarom namen De Boer en Jongen de Brusselse editie als uitgangspunt voor hun uitgave.

Naast een weergave van de oorspronkelijke tekst wordt er ook een hertaling gegeven. Dat is geen overbodige luxe, want hoewel het Middelnederlands in grote lijnen wel te volgen is, mis je vaak de nuances. De hertaling in modern Nederlands is daarom prettig, ook al dreigen sommige woorden (‘flirten’) af en toe een beetje uit de middeleeuwse toon te vallen.

Met een wassen beeld op bedevaart

Genezingswonderen verrichtte Maria het meest, blijkt uit het boek: in 43 procent van de gevallen werden mensen weer gezond gemaakt. Op ruime afstand volgen wonderen bij onder meer verdrinking en schipbreuk. Soms zorgen de mirakelen voor hardop gegniffel. Zo was er een man met een gezwel aan zijn anus, die beloofde met een wassen beeld in de vorm van de tumor op bedevaart naar Amersfoort te gaan. Of wat te denken van een Engelsman wiens been helemaal zwart was geworden? Hij dacht ’s nachts te horen dat hij op bedevaart naar Amersfoort moest vertrekken, ‘hoewel hij niet eens wist waar Amersfoort lag’.

Het Amersfoortse Mirakelboek is niet bepaald een pageturner. Doordat elke vertelling grofweg hetzelfde is opgebouwd – een persoon uit een bepaalde plaats heeft een probleem en dat wordt opgelost door een bedevaart naar Onze Lieve Vrouw te beloven – ligt een zekere verveling op de loer. Maar dat kan eenvoudig worden opgelost door af en toe een paar wonderen te lezen. Op die manier vallen de details in de verhalen ook meer op en krijg je oog voor het leven van alledag. De inleiding biedt daarvoor interessante aanknopingspunten, net als de afbeeldingen die bij de wonderen zijn afgedrukt. Het mirakelboek is daarom niet eens zozeer een aanrader voor degenen die geïnteresseerd zijn in middeleeuwse mirakelen, als wel voor de lezer die een kijkje in het laatmiddeleeuwse leven in de Nederlanden – en soms ook daarbuiten – wil nemen.

In het water gevonden. Het Amersfoortse Mirakelboek
Uitgegeven en hertaald door Dick E.H. de Boer en Ludo Jongen
Uitgeverij Verloren
Prijs: €29,- Bladzijden: 358

 

Bron: Jenny Nyeboer, 8weekly.nl

01a500287f743b65dacde3c0805a820c.jpg

Het bekende Middelnederlandse traktaat 'Seven manieren van heiliger minne' wordt toegeschreven aan Beatrijs van Nazareth. Deze aanname wordt gebaseerd op een gelijkaardige tekst in haar Latijnse biografie, de Vita Beatricis, van de hand van een onbekende auteur. Maar hoe overtuigend is de religieus-historische rugdekking voor deze aanname? Waar heeft de onbekende auteur zijn teksten ontleend? Dit boek stelt drie essentiële vragen. Welke teksten uit dezelfde historische periode kunnen in verband worden gebracht met de ‘Seven manieren’? Als leidraad geldt het opvallende voorkomen van de ziel in de ‘Seven manieren’ en de wijze van opgang naar God op zeven ‘manieren’. Het antwoord leidt eerst naar een tekst van de dominicaan Helvicus Theutonicus. 

Als vervolgens de ‘Seven manieren’ inhoudelijk worden getoetst op hun mystagogische karakteristieken, herkennen we dan concepten die in dezelfde historische periode opgang maakten? De centrale bron van inspiratie blijkt dan een andere dominicaan te zijn, de mysticus en prediker meester Eckhart. 

Welke betekenis mag men ten slotte toekennen aan de Vita Beatricis? Is de auteur een ‘translator’ van daadwerkelijke feiten, of veeleer een ‘transformator’ en ‘imitator’ van ficties? Rudi Malfliet onderzoekt de historische, hagiografische en mystagogische aspecten van de Latijnse biografie van Beatrijs van Nazareth. 

De gezamenlijke resultaten van dit onderzoek leiden tot de onvermijdelijke conclusie dat ‘Seven manieren’ niet van de hand van de cisterciënzerin Beatrijs van Nazareth (ca. 1210-1268) kan zijn. 

Over de auteur: 

Rudi Malfliet is emeritus-hoogleraar Natuurkunde aan de Universiteit Groningen en historicus. Hij is auteur van historische studies zoals Van den vos Reynaerde en Hadewijch. 

Seven manieren van minnen. Gewikt en gewogen. Beatrijs van Nazareth, Helvicus Theutonicus, Meister Eckhart.
Aantal Pagina's: 132 - Prijs: € 19,00.
Uitgever : Garant Uitgevers nv

Uit de inhoud:
- Inhoudsopgave
- Inleiding

Van dezelfde auteur (ook bij uitgeverij Garant):

d41d68704de9550d7e439014cab8aefe.jpgR. Malfliet, De andere Hadewijch.
Pagina's: 274 - Prijs: € 29,00.

Over het boek:

Het is opmerkelijk dat vele vrouwen zich in de dertiende eeuw mystiek ontplooiden, en dit deden in een periode waarin de door mannen gedomineerde kerk zich in toenemende mate autoritair opstelde tegenover afwijkende meningen, die zij bestempelde als ketterijen. In dit religieuze spanningsveld leefde en schreef Hadewijch.

Welke plaats heeft zij ingenomen in de historische context van haar tijd? Was de vita apostolica voor haar de weg van Christus en zijn apostelen of de voorgeschreven weg, de weg die door de kerk van Rome toegeschreven werd aan Christus en zijn apostelen? Het conventionele beeld van Hadewijch in de huidige literatuur wordt overwegend bepaald door de twaalfde-eeuwse opvattingen over de bruidsmystiek van Bernardus van Clairvaux. Er wordt een onbekende maar vrome begijn verondersteld die literair hoogstaande en smachtende werken schreef, maar wel binnen een kerkelijke orthodoxe omkadering.

Het andere beeld van de magistra Hadewijch, dat in deze studie op basis van een uitgebreid historisch onderzoek voor het voetlicht wordt gebracht, past naadloos binnen de intellectuele en religieuze ontwikkelingen van haar tijd, de dertiende eeuw. Het geeft een vernieuwend inzicht in deze geëmancipeerde en geletterde middeleeuwse vrouw en de eigenzinnige gezichtspunten in haar geloof en liefde tot God, haar onstuitbare minne. Haar spirituele leidraad was de zoektocht naar volmaaktheid en de weg naar het hemelse Jeruzalem, geopenbaard door Johannes en verder uitgelegd door de apocalyptische mysticus Joachim van Fiore, en door haar in haar geschriften verklaard.

Maar wie was Hadewijch eigenlijk? Hoe heeft zij haar kennis opgedaan? Waar heeft zij geleefd? In dit boek wordt een gedeelte van de sluier opgelicht.

Inhoud:
- Inhoudsopgave
- Voorwoord

7043201207b0690873481f7b339b26e0.jpgR. Malfliet, Van den Vos Reynaerde. De feiten.
Aantal Pagina's: 352 - Prijs: € 32,00.

Over het boek:

Van den vos Reynaerde is een vaste waarde in de canon van de Nederlandse literatuur. Op scholen en aan universiteiten staat hij steevast op de leeslijst; wetenschappers buigen zich eeuwen na het ontstaan ervan nog steeds over de diepere gronden en het vernuft dat aan de tekst ten grondslag liggen. Die studie wordt echter grotendeels gevoerd vanuit een literatuurwetenschappelijke invalshoek, waarbij de tekst het middelpunt van de belangstelling is. 

Maar hoe belangrijk was de historische mentaliteit van de auteur, van zijn omgeving en zijn publiek voor het ontstaan van Van den vos Reynaerde, en wat moeten we ons hierbij voorstellen? Welke zijn de reflecties uit die periode die in het verhaal terug te vinden zijn en mede de draagwijdte en de boodschap van de tekst bepalen? En waarom? Dit boek geeft op deze vragen een antwoord door het middeleeuwse verhaal te confronteren met de historische realiteit van die tijd. Daarbij wordt ruim gebruik gemaakt van een veelheid aan nieuwe historische gegevens uit authentieke bronnen en oorkonden, en recente literatuur over de middeleeuwen. 

Het historisch referentiekader rondom Van den vos Reynaerde wordt ingevuld aan de hand van een brede synthese van de politieke, sociaal-maatschappelijke en culturele ontwikkelingen zoals die zich in de eerste helft van de dertiende eeuw voltrokken. De elementen in het verhaal die een historische betekenis kunnen hebben worden opgespoord en toegelicht. Vervolgens wordt de context cultuur-historisch geanalyseerd langs drie maatschappelijke invalshoeken: de politieke actualiteit en de verborgen kritiek erop, de toenmalige geleerde opvattingen over ethiek en symboliek, en het ‘volkse’ discours met zijn groteske kenmerken. Ten slotte worden de achtergronden en het profiel van de auteur, Willem die madocke maecte, hieraan vastgeknoopt en wordt zijn identiteit onthuld. 

Het resultaat is een verrassende interpretatie van Van den vos Reynaerde, die zowel de literair- als de historisch geïnteresseerde lezer vernieuwende inzichten aanreikt over deze unieke tekst, zijn tijd en zijn auteur. Een boek voor hen Diet verstaen met goeden sinne.

Inhoud:
- Volledige inhoudsopgave

9200000028615976.jpg

De beeldvorming over de Middeleeuwen is vaak weinig positief. Over het algemeen worden de jaren 500-1500 nog steeds gezien als een donkere tijd van oorlogen en pest, achterlijkheid, stilstand, religieus fanatisme en ander ongemak.

In de prachtige bundel Cultuurgeschiedenis van de Middeleeuwen (WBooks, 2015) nuanceren universitair docenten en hoogleraren dit beeld aan de hand van vijftien thema’s. Maar dat is niet het enige: het boek trekt frisse conclusies en doet interessante voorstellen voor andere benaderingen van de jaren 500 tot 1500. Het boek is er gekomen op initiatief van de Open Universiteit, als tekstboek voor de gelijknamige cursus, die onderdeel is van de postpropedeuse van de wo-bachelor Algemene cultuurwetenschappen van deze universiteit.

Twee doelen

In de inleiding leggen de redacteuren Rob Meens en Carine van Rhijn, beide docenten aan de Universiteit Utrecht, uit wat de hoofddoelen van de uitgave zijn. Ten eerste willen de redacteuren laten zien dat veel denkbeelden over de Middeleeuwen niet meer kloppen. Binnen de mediëvistiek, dat is de discipline die de Middeleeuwen onderzoekt, zijn de afgelopen eeuw veel ontdekkingen gedaan die tot nieuwe inzichten hebben geleid over de jaren 500 tot 1500. Het tweede doel van Cultuurgeschiedenis van de Middeleeuwen is om te laten zien hoe de incorrecte denkbeelden over dit tijdvak zijn ontstaan en hoe ze het publieke discours nog steeds richting geven.

Centraal in het boek staat vooral de middeleeuwse geschiedenis van West-Europa:

“Het kiezen van bestaande beelden als uitgangspunt, heeft als consequentie dat dit boek vooral over West-Europa gaat. De traditionele beeldvorming is immers grotendeels gebaseerd op de eurocentrische geschiedvorsing in de negentiende en twintigste eeuw. In de huidige geschiedwetenschap zien we een groeiende belangstelling voor de geschiedenis van Byzantium en de wereld van de islam.” (11)

Vijftien thema’s

De vijftien thema’s die aan de orde komen, zijn stuk voor stuk relevant en typerend voor het tijdvak van de Middeleeuwen. Zo komen onder meer aan de orde: de klassieke maar discutabele periodisering van de Middeleeuwen, het al dan niet barbaarse karakter van de volksverhuizingen, het christendom, feodalisme, analfabetisme, het imago van ridders, gotische kerken en de algemene hygiëne (of het gebrek daaraan).

Ieder artikel is voorzien van prachtig illustratiemateriaal, voetnoten, literatuursuggesties om verder te lezen en ten slotte een handige begrippenlijst die de kernwoorden uit de bijdrage samenvat. Prachtige kaarten, de literatuurlijst aan het einde van de bundel en de geografische index maken het boek af.

Periodisering Middeleeuwen: 1000 tot 1800

Peter Raedts opent met een mooie bijdrage over de vraag ‘Wat is middeleeuws?’ Hij toont aan de hand van onderzoek van mediëvisten en andere historici aan dat de traditionele periodisering van de Middeleeuwen, circa 500 tot 1500, ter discussie gesteld kan, of beter gezegd: moet worden. Niet alleen omdat de volksverhuizingen en val van Rome een minder grote breuk zijn dan vaak is verondersteld (er was veel continuïteit tussen de late oudheid en vroege Middeleeuwen), maar ook omdat veel ontwikkelingen die tegenwoordig in de moderne tijd gesitueerd worden, feitelijk al begonnen in de Middeleeuwen. Daarbij wordt de renaissancetijd volgens veel historici ernstig overschat als breukpunt in de westerse geschiedenis.

Al met al komt Raedts tot de volgende slotsom:

“Zelf beschouw ik de tijd rond 1800 als de grootste breuk in de Europese geschiedenis. De moderne westerse samenleving is een kind van revolutie en verlichting. De industrialisering die toen op gang kwam, betekende het einde van de agrarische samenleving. (…) De nationale staat is een vrucht van de Franse Revolutie. Kerk en staat werden voor het eerst gescheiden en ieder kon kiezen of hij gelovig wilde zijn en welk geloof hij wilde aanhangen. (…) De tweede grote breuk in de Europese geschiedenis is naar mijn mening de tijd rond 1000. De enorme groei van de bevolking die toen begon, maakt duidelijk dat er toen een agrarische revolutie plaatsvond, waardoor de landbouwproductie omhoogschoot. Pas in de elfde eeuw werden de verschillende christelijke kerken samengevoegd tot één hiërarchische en gecentraliseerde institutie rond de paus in Rome (…) In feite zou het beter zijn de periode van 1000 tot 1800 te beschouwen als de Middeleeuwen, de tijd waarin veel is ontstaan dat voor onze tijd nog steeds waardevol is.” (25-27)

Onderzoek naar kettervervolgingen

Boeiend is, naast veel andere artikelen, de bijdrage van Bram van den Hoven van Genderen over kettervervolging en inquisitie. De golven van massale heksenvervolgingen dateren van ná de Middeleeuwen, namelijk in bepaalde delen van Europa in de zestiende en zeventiende eeuw. In de Middeleeuwen werden wel eens mensen veroordeeld voor tovenarij, maar dit was incidenteel. Het ontstaan van een min of meer systematische vervolging van ‘ketters’ (katharen) maakte daarentegen wel deel uit van de middeleeuwse cultuur.

Een belangrijke instelling die deze vervolging op touw zette, was de pauselijke inquisitie, die beslag kreeg in de jaren 1231-1234. In het onderzoek naar kettervervolgingen zijn drie benaderingen te onderscheiden, waarvan de laatste vrij recent tot ontwikkeling is gekomen. Van den Hoven van Genderen schrijft hierover:

“De eerste betrof pogingen om de katharen te zien als de opvolgers of overblijvers van de oude manicheeërs, een dualistische (met twee opperwezens, een Goede én een slechte God) groepering uit de oudheid. In een tweede benadering stonden de bronnen centraal, eerst om zoveel mogelijk kennis daaruit te verwerven, over wat ketters geloofden; de laatste decennia met name om te laten zien hoe machthebbers voor deze teksten verantwoordelijk zijn en ze gebruiken. We kijken dus niet door de ogen van de katharen zelf en we horen hen niet praten (…) De laatste jaren is daar een derde benadering bijgekomen doordat sommige onderzoekers dit nog scherper hebben geformuleerd: er bestonden geen duidelijk gedefinieerde groepen ketters, met eigen, vaste, van de christelijke leer afwijkende ideeën. Kerkelijke en wereldlijke machthebbers hebben in plaats daarvan lieden vervolgd die volgens hen een bedreiging voor de bestaande orde vormden. Ketters werden dus gemaakt, ketterij ‘uitgevonden’, een ketters denkkader geconstrueerd.” (213,214)

Vervolgens gaat de auteur in op de vraag of er überhaupt katharenkerken hebben bestaan, of dat het om heterogene, los van elkaar opererende groepen ging. Daarna volgt een relaas over de aard en het karakter van de inquisitie. De feiten hieromtrent zijn dat martelen en verbranden van ketters (dit laatste gebeurde in 6-10% van de gevallen) eerder uitzondering dan regel waren. Als er mensen op de brandstapel gezet werden, betrof dit veelal de leiders van een kettergroep of personen die al eerder veroordeeld waren. Er bestond ook niet zoiets als dé Inquisitie, maar de inquisitiecultuur verschilde van plaats tot plaats.

Bron: Enne Koops, Historiek.net

Ridderboscover.png

De Vlaamse Primitieven spreken tot de verbeelding. De schilderijen van de Meester van Flémalle,  Jan Van Eyck, Rogier van der Weyden, Dirk Bouts, Hugo van der Goes en andere meesters hangen in musea over de hele wereld en worden gezien als het hoogtepunt van de laatmiddeleeuwse kunst.

Dit kunstboek gaat verder dan de vele andere studies over deze meesterwerken en bespreekt niet enkel het artistieke karakter van de schilderijen, maar ook de cultuurhistorische context waarbinnen ze gemaakt werden.

Wie waren de opdrachtgevers van de Vlaamse Primitieven en waarom lieten ze bepaalde voorstellingen schilderen? Welke sociale, politieke, economische en devotionele factoren beïnvloedden de artistieke productie? Welke symbolische betekenissen zitten er in de schilderijen? Hoe werden de werken in de eigen tijd ontvangen en gewaardeerd?

Schilderkunst in de Bourgondische Nederlanden kijkt op een geheel nieuwe manier naar de schilderkunst van de Vlaamse Primitieven. Boordevol schitterende afbeeldingen is dit een prachtig lees- en kijkboek over de belangrijkste schilderijen uit de geschiedenis van de Bourgondische Nederlanden.

Oudnederlandse schilderkunst

Aan het woord is Bernhard Ridderbos, docent middeleeuwse kunstgeschiedenis. De man is expert genoeg om te weten dat het kunst- en cultuurleven in de Nederlanden van de late middeleeuwen al zo vaak vanuit dezelfde invalshoeken werd herkneed. Daarom wilde hij de Oudnederlandse schilders en hun werken eens op een verrassende manier in de spotlichten plaatsen. Alle groten passeren de revue, van de gebroeders Van Eyck tot de meester van Flémalle, weliswaar met hun bekendste werken. Het lezenswaardige zit hem in de opbouw van het verhaal en het samenspel van allerhande gegevens en details die in een klassiek kunstboek gewoonlijk ontbreken.

Dialoog

Ridderbos catalogeert Van der Weyden, Memling en de anderen bewust als “Oudnederlandse schilders” (in het Engels is doorgaans enkel sprake van “Early Netherlandisch painting” en in het Duits van “Altniederländische Malerei”) en niet als “Vlaamse primitieven”. Die laatste term spruit voort uit het dedain waarmee men de schilders uit de Bourgondische tijd lang bejegende. De begrippen middeleeuws en gotisch stonden veel te lang synoniem voor duister en primitivistisch. Uiteindelijk zou daar in de 19de eeuw, tijdens de romantiek, verandering in komen. Daarom knutselde de auteur uit het wetenschappelijke debat dat zich vanaf ongeveer 1840 rond de zogenaamde “primitieven” ontspon, een raam waarin hij zijn keurige detailstudies naderhand kon inpassen. De veelheid aan meningen en inzichten over Van Eyck en co is misschien een logisch gevolg van het feit dat de Oudnederlandse stroming in bloei kwam op het moment dat twee grote tijdvakken (middeleeuwen en renaissance) in elkaar overvloeiden. Hoewel uiterlijk nog op en top middeleeuws effende de beeldende kunst van de jaren 1400 qua inhoud mee het pad voor de nieuwe tijd. Ridderbos laat meerdere kunstminnaars en vorsers uit lang en minder lang vervlogen tijden hierover in dialoog treden. De lezer wordt uitgenodigd om, geholpen door de vele kleurrijke afbeeldingen, zelf tot een synthese te komen.

Huizinga

Eén wetenschapper steekt volgens Ridderbos met kop en schouders boven alle anderen uit. De Nederlandse historicus Johan Huizinga (1872-1945) oogst alle lof, meer bepaald omwille van zijn baanbrekende “Herfsttij der middeleeuwen” (1919), waarin hij de laatmiddeleeuwse maatschappij in de Nederlanden en het leven aan het hertogelijke hof met opzichtige literaire zwier ontsluiert. Ridderbos wenst in de geest van Huizinga’s referentiewerk verder te werken. Niettegenstaande het magistrale van het genoemde boek, blijft Ridderbos in zekere zin toch op zijn honger zitten. Huizinga verzuimde namelijk dieper in te gaan op de toenmalige schilderkunst als opperste afspiegeling van de vijftiende-eeuwse tijdsgeest. Die lacune poogt Ridderbos met “Schilderkunst in de Bourgondische Nederlanden” op te vullen. De geselecteerde werken worden ingekapseld in de culturele context waarin ze ontstonden. We treden naar goede Huizinga-traditie binnen in de leefwereld van opdrachtgevers, zoals Joos Vijd (Lam Gods), en geportretteerden, zoals de zakenman Arnolfini (cf. het bekende portret door Van Eyck). Volgend in hun voetsporen beleeft men de wording van een aantal heerlijke doeken van naderbij.

De obligate ontboezemingen over symboliek en religieuze achtergronden kan men elders lezen. Niettemin biedt dit werk een vernieuwende kijk op een veelvuldig verkend thema. Deze keg is het stille bewijs dat er ook op ogenschijnlijk platgetreden paden nog heel wat te beleven valt.

Bron: Tom, pallieterke.net

Titel: “Schilderkunst in de Bourgondische Nederlanden”

Auteur: Bernhard Ridderbos

Uitgeverij: Davidsfonds

Jaar: 2014 - Bladzijden: 327

Prijs: 64,95 euro - ISBN: 9789059085435

Welkom bij Clubs!

Kijk gerust verder op deze club en doe mee.

Wat is dit?


Of maak zelf een Clubs account aan:


Aanbevelingen door leden:

bernard-de-clairvaux starstarstarstarstar

Een geweldige community over de middeleeuwen in al haar facetten. Boeken, tentoonstellingen, steden en discussies met diepgang en humor. Een Vlaams-Nederlandse samenwerking van historisch niveau!