Kunst en cultuur van de middeleeuwen

- Welkom op deze club over de middeleeuwen - 

ff4ed65097cf6febccbfc81e2132384eead5fb8d

ehrenritter.gifIn deze club volgen we het nieuws over de middeleeuwen en discuteren we er over op het forum of blog: nieuwe inzichten en analyses, boeken en internetberichten, tentoonstellingen, films en TV-series, strips, levende geschiedenis en re-enactment en last but not least, de reisverslagen van onze clubleden. Kortom elk evenement dat ook maar een link heeft met de middeleeuwen krijgt een plaats op deze club. Het kan dus ook een persoonlijke belevenis of ervaring zijn van een clublid of gast, daarvoor dient vooral het 'Forum'. Op de blogberichten kan je ook je reacties kwijt. Naast het vele nieuws heb je ook nog de talrijke videoclips die je vindt in 'Videoalbums' en enkele links. Kortom, ben je in geschiedenis geïnteresseerd en meer bepaald in de periode van de middeleuwen, maak je kosteloos lid en doe mee of geniet.

5_1.pngD
e naam van de club verwijst naar het boek De Kathedralenbouwers van de franse historicus G. Duby: de middeleeuwers waren immers bij uitstek kathedralenbouwers. Dit boek heeft mij begeesterd en het middeleeuwse vuur wakkerde voor eeuwig aan door "De naam van de Roos" van de erudiete Umberto Eco.

Je vindt "Kathedralenbouwers" ook op Scoop.it!.  Plaatjes over de middeleeuwen vind je op Pinterest - middeleeuwen.

De periode voor de middeleeuwen, namelijk de Prehistorie en de Oudheid, wordt behandeld in de club
"Van Prehistorie tot Middeleeuwen".

Ben je een toevallige gast?
Wordt gratis lid, of laat iets horen op het forum of mail de eigenaar van deze club op calamandja@yahoo.com.

eric-enide-e1391725330308.jpg

Reeds sedert 2008 organiseert de club Kathedralenbouwers jaarlijks een clubbijeenkomst. 
Na Utrecht (2008), Brugge (2009), Delft (2010), Zutphen (2011), Kortrijk (2012), Bergen op Zoom (2014), Mechelen (2015, is de achtste clubdag in 2017 doorgegaan in Deventer. Hieronder vind je het verslag van deze laatste clubdag, opgesteld door clublid Antonius.

Bouwersdag 2017: Deventer.
De Abt had een programma  voor de achtste Bouwersdag  op zaterdag 24 juni 2017 met als begin het samentreffen  in Cafe Sjampetter aan de Brink 81 voor koffie en een stuk Deventer koek. 
Rond 11:00 uur wandelen de Bouwers over  de Brink - waar de geur van de jaarmarkten uit de veertiende eeuw nog voor het opsnuiven ligt - naar het middeleeuwse Bergkwartier. We bezoeken de  in 1206 ingewijde St. Nicolaaskerk, beter bekend als Bergkerk en  letterlijk het hoogtepunt van het middeleeuwse Bergkwartier met zijn hellende straatjes en trappen. De lopende tentoonstelling Roofkunst, voor-tijdens en na  WO II brengt de Bouwers terug in de 20e en 21e eeuw: het hele verhaal van roof en teruggave wordt getoond aan de hand van een groot aantal oude meesters. Centraal staan de joodse kunsthandelaars en particulieren van wie kunstwerken in Duitse handen terecht waren gekomen. Het geeft een gemakkelijk gevoel af en toe naar boven te kunnen kijken, het gebouw in….naar  de fresco’s van vroegere tijd.

Lunch is er in het monumentale BOUWERSHUIS aan de Brink, tot voor kort  in gebruik als (kanton-) gerecht met in de kelder heuse  gevangeniscellen met  dubbele deuren en zo’n kijkluikje (brrr…) en blauwe stenen in het straattrottoir die de steunpunten van het vroegere schavot markeren.
De tijdas van de stad  wordt getoond in Museum De Waag, gebouwd in 1528, met bijzonder jaar 768, wanneer Lebuinus op de zandduinen  aan de oostelijke oever van de IJssel  het eerste kerkje bouwt.
Voor de theepauze  zijn we in De Waagschaal aan de Brink 77.

De Abt neemt ons op wandeltour naar de voormalige Mariakerk, waarvan alleen nog pijlers, scheibogen en een deel van het opgaand muurwerk zichtbaar zijn. Door de Noorderbergstraat gaat het naar Het Klooster met de daaraan gelegen Athenumbibliotheek; TIJD om in te gaan op de betekenis van de Moderne Devotie. In de Sandrasteeg  stonden we recht tegenover  de Proosdij, het oudste (1133) stenen gebouw van Nederland.
Rondom de klok van 16:00 uur gaan de deuren van de Lebuinuskerk voor ons open; de kerk was in de 9e eeuw zetel van de (uitgeweken) Utrechtse bisschop. Zes pilaren dragen de crypte, die al deel uitmaakte van de romaanse kerk uit 1040.

Bij de klok van over vijven zitten de Bouwers aan het bier in Grandcafe De Dikke Van Dale; persoonlijke roerselen gaan mee doen in de gesprekken en dringen Deventer wat naar de achtergrond. Tijdens het  afsluitend diner in Engel en Bengel  vertellen de Bouwers over hun eigen eerste stappen in het tijdvak van 500-1500 dat zich meer en meer laat ontsluiten.
Over negenen gaat elke Bouwer weer zijn eigen weg, gevoed en gelaafd met inspiratie voor nieuw te lezen boeken, te bezoeken steden en gebouwen voor  de komende zomervakantie.  Het was een dag om mee te maken.

art_border_motif_01.jpgart_border_motif_01.jpgart_border_motif_01.jpg

 

Foto van de clubleden op de zevende clubdag in Mechelen (2015):

Foto van de clubleden op de zesde clubdag in Bergen op Zoom (2014):

Foto van de clubleden op de vijfde clubbijeenkomst in Kortrijk (2012):

IMG_0001.JPG

Foto van de clubleden op de vierde clubbijeenkomst in Zutphen (2011):

club2.jpg

Foto van de clubleden op de derde clubbijeenkomst in Delft (2010):

Clubleden Kathedralenbouwers in Delft

Foto van de aanwezige clubleden op de tweede clubbijeenkomst van de Kathedralenbouwers te Brugge op 18 april 2009.

cluppersbrugge(1).jpg

art_border_motif_01.jpgart_border_motif_01.jpgart_border_motif_01.jpg

documents.gif Scoop+it_online+curating_scoop+it+versus banner+2link+be.jpg 46a0f6cd59ecc242f3e84fbf00fabaa2.jpg

Free counters!

HERMAN PLEIJ - GELUK!? 
Van hemelse gave tot hebbeding. 
- - CPNB, 64 blz., 3,50 € - -

Geluk is nooit gewoon geweest. 
 
Geluk is een glibberig begrip. Vandaag hebben we een heuse geluksindustrie, maar hoe keken mensen daar in vroeger tijden tegenaan? Herman Pleij over gelukzoekers aller tijden.  

VEERLE VANDEN BOSCH, De Standaard, 29 september 2017
  
‘Gelukkig zijn, daarvoor wil ik alles geven’, zingt Raymond van het Groenewoud. Dachten de middeleeuwers er ook zo over? In zijn essay Geluk!? gaat literatuurhistoricus Herman Pleij op zoek naar de betekenis van geluk door de eeuwen heen.
 
Eeuwenlang bestond geluk bij gratie van het ongeluk. Het kwaad fungeerde als contraststof voor het goede, en moest, schrijft u, zorgvuldig worden beheerd door de overheid.
‘Dat heeft Augustinus moervast in de kerk verankerd, hij heeft de ideologie van het christendom vastgelegd. Hij zegt dat het kwaad noodzakelijk is, dat God het zo bedoeld heeft, anders kun je het goede en het geluk niet kennen. Mensen in de hemel zijn hun aardse leven niet vergeten, ze weten wat ongeluk is, anders zou dat eeuwige hemelse geluk niets voorstellen. Maar de kerk moet proberen dat kwaad zo veel mogelijk zelf te beheren, zodat de duivel, die sinds de zondeval de baas is op aarde, niet meer kwaad kan stichten dan nodig is. Net zoals er in een paleis latrines zijn waar mensen hun behoefte doen, zegt hij, zo moet het kwaad ook gelokaliseerd worden en onder toezicht staan. Anders gaat het hele paleis stinken, want dan doet iedereen overal zijn behoefte. Zo kwam het dat stedelijke en kerkelijke instanties in de middeleeuwen bordelen exploiteerden, met Augustinus als rechtvaardiging, maar tegelijk bleek het hier en daar een grote bron van inkomsten te zijn, dus dat had ook wel iets hypocriets.’
  
Maar het ware geluk kwam pas na de dood.
‘Ja, mensen hadden het geluk verspeeld met de zondeval. Adam en Eva wisten in het paradijs niet wat geluk was, omdat het absoluut was. Pas toen ze daar verdreven werden, ontdekten ze dat ongeluk bestond. Geluk kon volgens de kerk dus niet meer bestaan op aarde, maar je kon het wel terugverdienen in de hemel, als je je maar gedroeg en genoeg boete deed. Die leer werd in de praktijk gebracht door verstervingsidealen, mensen die hun lichaam tuchtigden en zo. Een beweging die aan kracht won naarmate ook de levenslust steeds meer de kop opstak. Mensen probeerden geluk te beleven in hun dagelijkse leven en dat vervolgens ook te rechtvaardigen. Want in de Bijbel staat op verschillende plaatsen: er moet blijdschap heersen in het huis van de heer.’
   
Maar met die blijdschap had de kerk het moeilijk. Ze was ook tegen lachen in het openbaar
‘Tot in de 20ste eeuw stonden er in reglementen van vrouwenkloosters strenge straffen op lachen met elkaar. Dat kwam doordat de middeleeuwse opvatting nog doordenderde dat vrouwen wankelbaar zijn en gemakkelijk te beïnvloeden. Dat is, opnieuw, de erfenis van de zondeval. Satan richt zich tot Eva omdat hij weet dat hij haar zo omgeluld krijgt, en dat zij Adam zal overtuigen. Vrouwen zijn minderwaardig geschapen, dat achtte men in de middeleeuwen bewezen: ze zijn koud en uit minderwaardig materiaal gemaakt – een rib. En ze hebben ontzettend geraffineerde trucs en listen om aan die ondergeschikte positie te ontkomen. Vandaar dat de literatuur aan het eind van de middeleeuwen barst van de verhalen over pantoffelhelden die zich door vrouwen laten bedonderen, dat is allemaal waarschuwend bedoeld. Die listen en trucs zijn de reden waarom de kerk vrouwen voor controleverlies wil behoeden, en ze dus verbiedt te lachen. Het tegengewicht is die prachtige glimlach die je bij Maria en andere vrouwelijke heiligen ziet, een glimlach die opperste controle uitstraalt. Op een expo die ik vorig jaar mocht cureren in het Catharijneconvent in Utrecht heb ik een laatmiddeleeuws Mariabeeld uit Brabant uitgeroepen tot de Mona Lisa van het Catharijneconvent. Het is diezelfde glimlach – waarmee Leonardo da Vinci in zijn schilderij een beetje spot, volgens mij.’
   
Die controledrang geldt zeker voor alles wat naar seksualiteit zweemt.
‘De kerk heeft enorm veel moeite met seks en erotiek en reguleert op eindeloos veel manieren: seks mocht enkel tussen getrouwde echtparen met het oog op voortplanting, maar zo gauw je daar genot bij ervoer, was het een teken dat de duivel bezit van je nam. Het mocht ook niet op vrijdag, op zon- en feestdagen, tijdens vastenperiodes en onvruchtbare dagen, of de geboorte- of sterfdag van de heiligen, tijdens de menstruatie, rond de communie … Een bioloog heeft een keer uitgerekend dat als mensen zich daaraan hadden gehouden de Europeanen tegen de Verlichting waren uitgestorven. Dat is het interessante aan die middeleeuwen: de enorme kloof tussen de ideologische normen en de praktijk. Mensen hanteerden die normen wel als een soort geweten, maar het stond hen niet in de weg om te leven. De kerk probeerde dat te veroordelen als ketterij, maar de stroom was veel te sterk. Dat is de reden waarom ik als literatuurhistoricus zo’n bijzondere invalshoek meen te hebben: omdat literatuur en beeldende kunst een experimenteerveld zijn. Die geven niet rechttoe, rechtaan hoe het moet of hoe het zit, maar ze spelen rollen, voeren personages op, je kunt er experimenteren en gedurfde posities innemen. Een heel uitzonderlijke tekst in dat opzicht is de Roman de la rose, die enorm aansloeg in Europa vanaf de 14de eeuw en in alle talen werd bewerkt. Daarin worden alle hoeken en gaten van het aardse genot uitgebuit en bediscussieerd. Dat gaf een storm aan polemieken in Europa.’
  
Die houding van weten en niet doen ontstond in hofkringen, maar raakte in de 14de eeuw breder verspreid. Hoe is dat in zijn werk gegaan?
‘Er is een soort dialectiek. Het ene roept het andere op en dat versterkt elkaar ook. Op een gegeven moment geven mensen duidelijk blijk van de overtuiging dat je ook van de natuur kunt genieten na de zondeval. Over Jacoba van Beieren, vrouw van de graaf van Holland, wordt bijvoorbeeld gemeld dat ze in 1416 met haar jonkvrouwen gaat baden in zee bij Scheveningen. Dat was tamelijk ongehoord gedrag, want mensen gingen niet zwemmen in zee. De natuur was besmettelijk, door de duivel beheerst. Ook water was gevaarlijk, des duivels, je kreeg er allerlei besmettingen van. De rentmeester geeft haar geld, knarsetandend, zeker als hij hoort dat ze daarna ook nog eens naar de kermis gaan. Jacoba en haar jonkvrouwen genieten dus heel openlijk van wat de wereld te bieden heeft. En tegelijk heb je die sterke verstervingscultuur, met extreme verhalen van mensen die zich alles ontzeggen en excelleren in allerlei zelfkwellingen. Die scherpe tegenstelling: dat zijn die rare late middeleeuwen. Dat extreme genieten heeft iets van laisser aller – een sterk geloof in het lot. Fortuna was heel populair in de literatuur, verchristelijkt als een instrument van god: hij legt zijn wilsbesluiten, die voor de mens vaak ondoorgrondelijk zijn, in haar handen. Maar het is natuurlijk de antieke godin die aan het rad draait: het lot, het toeval, wat zul je je druk maken? Wij hebben daar geen invloed op. Dus laten we leven – die houding vind je vaak verwoord en uitgebeeld.’
  
U staat ook uitgebreid stil bij de levenslustige Maria van Bourgondië.
‘Een enige vrouw. Ze was heel populair, een soort Máxima, denk ik. Dat hele conflict van beheersing, controle, anti-natuur versus levenslust en blijdschap op aarde is samengebald in haar korte leven. Dat ze gek was op sport komt in allerlei bronnen in positieve vorm naar voren. Er is een heerlijk verhaal uit een Brugse stadskroniek over een schaatspartij: ze schaatste de hele dag, en ze was er ook heel goed in. Ze wervelt rond, op een bepaald moment schaatst ze zelfs enkele lakeien omver. Bij het vallen van de avond wil ze nog één rondje doen. Ze valt, kneust enkele ribben en moet het bed houden. En dan schiet de moraaltheologie meteen toe: je geeft je over aan aards genot en daar ga je veel te ver in. Dit is een waarschuwing van God. Een jaar later wordt ze verpletterd door haar paard bij een sprong over een heg. Na haar dood gaat er een golf door het land, een volkswoede tegen de dood. In die periode is de dood niet langer de grijsaard met de zandloper die je naar het hiernamaals brengt, waar het echte leven begint. In de tweede helft van de 15de eeuw wordt de dood een vijand, een half ontvleesd geraamte met een speer in de hand en een afgrijselijke grimas. Dat zie je ook bij de dood van Maria van Bourgondië: “Ach dood, dood wat heb je nu bedreven?” klinkt het – echt een woedend lied dat in verschillende versies is bewaard. En dan heb je weer het commentaar van de predikers: ze was gewaarschuwd, wie blijft persisteren in het genot van de natuur zal er uiteindelijk aan bezwijken. Dat is de kern van het debat. Aan de ene kant: het is ook gods wil dat we genieten op aarde, we hebben er recht op. En hoe harder die roep klinkt, hoe harder ook de verstervingspolitiek wordt: nee, de aarde blijft een mijnenveld. In de 16de eeuw zie je dat het begrip voor genieten op aarde toeneemt. Daarom vind ik de late middeleeuwen zo interessant. Dat is het strijdtoneel: de periode waarin het geluk werd verboden en opnieuw werd uitgevonden.’
   
Het streven naar geluk neemt daarna een hoge vlucht. In 1776 wordt ‘the pursuit of happiness’ opgenomen in de Amerikaanse Declaration of Independence.
‘Dat gebeurt een beetje in het voetspoor van Rousseau. De positieve kijk op de natuur, die al in de middeleeuwen begint te spelen, wordt bij hem volkomen uitvergroot: de natuur is de habitat van de mens. Dat wordt politiek vertaald in the pursuit of happiness. In Nederland is dat niet gebeurd, men vond het een te vaag begrip. Joan Derk van der Capellen schakelde in zijn pamflet Aan het volk van Nederland uit 1781 de staat uit en vond dat in een samenleving de burger de plicht heeft de andere burger gelukkig te maken. Dat is heel pragmatisch.’
  
U suggereert even een verband tussen het streven naar het geluk van weleer en de Brexit.
‘Er is een vals soort nostalgie, die een soort sprookjeswereld creëert in het verleden, een wereld die geperverteerd, bedorven is. Dat is een erg vals spoor. Mensen gaan zich dan afschermen, sluiten een heleboel anderen uit en creëren een fictieve gouden tijd. De brexiteers hebben het over “good old England”, wat impliceert: een Engeland zonder nieuwkomers. Trump heeft het over “Make America great again”. Die feestelijke voorstelling van het verleden is een idiote creatie, en ze is ontzettend gevaarlijk. In Nederland hadden we een heel populaire serie: Toen geluk nog heel gewoon was. Ze speelde zich af in het Rotterdam van de jaren 50 en ging over eenvoudige gezinnen. Het was slim gemaakt, met gevoel voor humor, maar creëerde een illusionaire wereld die nooit bestaan heeft. Maar mensen droomden erin weg.’
  
Wat vindt u van de hedendaagse benadering van geluk?
‘Wat versta je onder geluk? Het is een containerbegrip geworden. In Nederland hebben de gemeenten geluksambtenaren in dienst. Wat idioot. Een staat kan zorgen voor welzijn en welbevinden, dat is haar taak. Maar als ze collectief gaat bepalen wat geluk is voor de onderdanen, dan krijg je een dictatuur. Maar ik heb evengoed moeite met de geluksindustrie, die van geluk een commercieel artikel maakt. En ze heeft zich verzekerd van de wetenschap. Er zijn geluksprofessoren, masterclasses, tips, cursussen. De wetenschap toont aan: de mens heeft voor vijftig procent zijn geluk in de hand. Ik wil wel eens zien hoe je dat aantoont. Het kwalijke is dat je meteen gedevalueerd wordt: als je dat niet voor elkaar krijgt, ben je een loser. Want het kan heel simpel, tegen een redelijke vergoeding uiteraard. Onlangs kwam het blad Happinez met honderd tips om gelukkig te worden, je moest er zes uitkiezen. Die tips waren van een stupiditeit waar je niet goed van werd. Eén ervan was: niet nadenken. Waar ze wellicht mee bedoelden: niet tobben. Dat is weer dat verzet tegen geleerdheid. Deep down is het de zondeval: Adam en Eva snoepen van de boom van kennis van goed en kwaad. Dat heeft kennis en wetenschap in de hele middeleeuwen verdacht gemaakt – dat is van de duivel. Dat echoot nog eindeloos door: wetenschap, kennis perverteert - niet nadenken. En dat wordt dan met groot gezag gebracht. Dat vind ik heel eng.’
‘Ik pleit ervoor om geluk weer exclusiever te maken: voor mij zijn het kortstondige momenten, een paar keer per jaar, dat ineens alles op zijn plaats valt en alles klopt, iets heel persoonlijks dus.’
  
Herman Pleij
Geluk!? Van hemelse gave tot hebbeding.
CPNB, 64 blz., 3,50 € (verkrijgbaar in Nederlandse boekhandels vanaf 1/10).

www.maandvandegeschiedenis.nl

 

De Amerikaanse historicus David Nicholas bijt zich reeds enkele decennia vast in het middeleeuwse Vlaanderen. In het bijzonder nam hij de geschiedenis van de stad Gent onder de loep. In 1992 schreef Nicholas het boek Medieval Flanders dat in 2014 terug werd uitgegeven. Dit werk geldt in de Angelsaksische wereld als hét referentiewerk over de geschiedenis van Vlaanderen. Nu verschijnt voor het eerst een Nederlandse vertaling onder de titel Vlaanderen in de middeleeuwen.

In dit werk geeft de auteur een indrukwekkend overzicht van de historische ontwikkeling van Vlaanderen tussen de Romeinse overheersing en het einde van de vijftiende eeuw. Hierbij wordt voornamelijk een chronologische lijn gevolgd waarbij de politieke en socio-economische aspecten centraal staan.

Het verhaal begint met een beschrijving van Vlaanderen onder het Romeinse gezag en de vorming van het graafschap. De eerste graven bouwen stelselmatig hun macht en territorium uit. Het hoogtepunt van het middeleeuwse graafschap situeert zich in de periode 1071-1206. Tegelijk onderging Vlaanderen een economische revolutie. Rond 1200 was de regio het meest verstedelijkte gebied van Europa. Vlaanderen was een leen van Frankrijk maar was economisch afhankelijk van de wol uit Engeland. Deze twee landen waren onderling evenwel geen goede vrienden wat de nodige problemen opleverde. Maar ook binnen Vlaanderen was er strijd tussen de verschillende steden. Binnen de steden waren er spanningen tussen de patriciërs en ambachtslui. Een zeer complexe en explosieve cocktail. Tot de Bourgondische periode kent Vlaanderen een moeilijke tijd waarna het gebied wordt ingekapseld in het Habsburgse rijk op het einde van de vijftiende eeuw.

Nicholas heeft met dit werk heel wat hooi op zijn vork genomen. Een aantal aspecten zijn evenwel duidelijk minder gedetailleerd en onvolledig uitgewerkt. Dit is vooral het geval op het vlak van cultuur en religie. In het werk duiken verder af en toe algemene beweringen op die de wenkbrauwen doen fronsen. Zo stelt de auteur in zijn (korte) inleiding dat hij er rekening heeft mee moeten houden dat de “hedendaagse Belgische studies vaak even ideologisch gekleurd als wetenschappelijk zijn.” Wat hij hiermee precies bedoelt, preciseert Nicholas niet verder. In hoofdstuk tien (periode 1315 – 1384) noteren we dat de seksuele moraal in Vlaanderen ongekende dieptepunten bereikte t.o.v. de rest van Europa. De vrouwen waren even onkuis als de mannen, stelt de auteur. Op basis van welke gegevens de auteur dit poneert voor gans Vlaanderen, is onduidelijk. In het hoofdstuk over de Bourgondische periode schrijft Nicholas wederom zonder onderbouwing: “Maar in de rest van Europa werd Vlaanderen toen beschouwd als een oord van wanorde en ontucht.” In dat verband toch even vermelden dat de Bourgondische hertog Filips de Goede – niet bepaald een geboren Vlaming – prat kon gaan op drieëndertig maîtresses en zesentwintig bastaarden.

Nicholas is een echte specialist over de ontwikkeling van de stad Gent maar is minder goed geïnformeerd over de evolutie van de stad Brugge. Bij zijn beschrijving van de buitenlanders in het middeleeuwse Brugge heeft hij het over de Duitsers (in die tijd de Oosterlingen genoemd), de Spanjaarden en de Engelsen. De Italianen krijgen hier geen aparte bespreking alhoewel ze hier en daar worden vermeld in de tekst. Toch hadden Genuezen, Venetianen en Florentijnen elk hun eigen natiehuis in Brugge. Ze oefenden ook een enorme invloed uit op de ontwikkeling van het bank- en beurswezen. Iets verder in het boek beweert hij dat de Hanze de laatste buitenlandse kolonie was die Brugge trouw bleef. Het zijn evenwel de Spanjaarden die nog tot 1705 in Brugge zullen blijven, lang nadat de andere naties naar Antwerpen waren uitgeweken. En waarom vermeldt hij niet dat de beurs ontstaan is in Brugge?
De stijl van Nicholas is academisch. Zijn teksten verdrinken soms in een opeenvolging van feiten, cijfers en jaartallen. Het werk is niet geïllustreerd. Achterin bevinden zich nog een omvangrijke lijst met noten alsook een zeer uitgebreide bibliografie met zelfs Nederlandstalig werk. Het origineel Engelstalig werk is geschreven in 1992 en historisch werk vanaf dan is niet opgenomen in deze bronnenlijst. Het is echt heel spijtig te moeten vaststellen dat geen index is opgemaakt! In dit werk zijn ook geen kaarten, stambomen van de Vlaamse graven of ander verduidelijkend materiaal terug te vinden.

Als besluit kan dan ook gesteld worden dat ondanks een aantal opmerkingen dit werk zeer uniek en uitzonderlijk is, omdat het een allesomvattende studie is over de geschiedenis van Vlaanderen gedurende de ganse middeleeuwen. Het volume aan gegevens en historisch materiaal dat Nicholas verwerkt heeft, is echt verbluffend. Dit werk is dan ook van onschatbare waarde voor het in beeld brengen van de rijke maar zeer complexe geschiedenis van Vlaanderen. Een aanrader voor wie sterk geïnteresseerd is in de Vlaamse politieke en socio-economische ontwikkeling tijdens de middeleeuwen.

Vlaanderen in de middeleeuwen – David Nicholas
Vertaling: Johan Op de Beeck – Uitgeverij Horizon – 478 blz.

Bron: Kris Muylle, boekenbijlage.nl

'Clovis in de schaduw van twee vrouwen' – De ultieme culturele omslag belichaamd in de eerst gedoopte vorst. Een betrouwbare gids opgetekend door Prof. Raoul Bauer

Het doopsel van Clovis op 25 december 499 was een mijlpaal in de geschiedenis. Het is meteen ook het antwoord op de courante quizvraag ‘algemene kennis’. Maar wie was die eerste christelijke koning? Welk koninkrijk wil Clovis stichten wanneer hij radicaal kiest voor de godsdienst van zijn Gallo-Romeinse onderdanen en niet voor het arianisme, de godsdienst van de toonaangevende Germaanse rijken? Welke rol speelden Clotilde en Genoveva van Parijs in zijn Leven? En hoe zit dat met de bloedwraak en de brutale moorden op mogelijke erfopvolgers?

‘Voor mij begint de geschiedenis van Frankrijk met Clovis, gekozen tot koning van Frankrijk door de stam van de Franken, die hun naam gaven aan Frankrijk. Vóór Clovis hebben we een Gallo-Romeinse en Gallische voorgeschiedenis. De beslissende factor is voor mij dat Clovis de eerste koning was die christelijk werd gedoopt. Mijn land is een christelijk land en ik begin de geschiedenis van Frankrijk te tellen vanaf het aan de macht komen van een christelijke koning die de naam draagt van de Franken.’ - Charles de Gaulle, 1965


In "Clovis in de schaduw van twee vrouwen" komen we oog in oog te staan met de confrontatie tussen verschillende wereldbeelden die elkaar raken in een kantelend tijdperk. In deze periode vol chaos en onzekerheid brengt de eigenzinnige Clovis de Franken tot eenheid en verenigt opnieuw het in stukken gevallen Gallië. En midden in die strijd om macht en land begint hij zijn bekeringsproces, dat eindigt met een betekenisvolle doopplechtigheid op 25 december van (wellicht) het jaar 499. In die ‘opdracht’ staat hij niet alleen. De sterke en later heilig verklaarde Genoveva van Parijs, die Attila trotseert, zijn soms al te passionele echtgenote Clotilde die op weg naar haar bruidegom enkele Bourgondische dorpen brandschat en op het einde van haar leven gebroken wordt door de moord op haar kleinzonen. De oude Remigius die zijn tijd overleefd heeft, maar niettemin trouw blijft aan ‘zijn’ koning Clovis…

Clovis' bekering tot het christendom, gewelddadige veroveringen en bestuur hangen met weerhaakjes vast aan de mythe die door historiografen en historici door de eeuwen heen werd opgebouwd. Voor professor Raoul Bauer is een cultuurhistorische benadering van de figuur Clovis waarin naast de maatschappelijk-politieke geschiedenis voluit ruimte wordt gegeven aan het religieuze denken, de enig mogelijke. Een hobbelige weg met onbetrouwbare wegwijzers, een echte uitdaging, maar gelukkig is de gids betrouwbaar!

Prof. Raoul Bauer, historicus en doctor in de letteren, is emeritus hoogleraar cultuurgeschiedenis in de Associatie van de KU Leuven. Bij Davidsfonds Uitgeverij publiceerde hij verschillende boeken, waaronder "Karel de Grote. Een keizer op de grens tussen twee werelden".

____________________________________________________________________
Prof. Raoul Bauer, Clovis in de schaduw van twee vrouwen
ISBN 9789059087866 | 256 blz. | € 27,50 | Paperback
Davidsfonds Uitgeverij

Hendrik van Veldeke (2de helft 12de eeuw) was een gevierd minnezanger. Wij kennen hem van zijn minneliederen, de Sint-Servaaslegende en de Eneïde, de eerste Germaanse, hoofse roman. Zijn muziek is helaas verloren gegaan. Daarom publiceerde Musica/Alamire daarover een boek. Lothar Voetz schreef dan weer een boek over de Heidelbergse codex Manesse waarin Veldeke aanwezig is.

Heinrich von Veldeke
Herr Heinrich von Veldeke
(Codex Manesse, c. 1305–1315).

Middelhoogduits

Het Frankisch Middel Duits en het Alemannisch en Beiers Middelhoogduits waren de literaire talen van Hartmann von Aue, Wolfram von Eschenbach, Gottfried von Straßburg en Walther von der Vogelweide. Het was de taal waarin ten tijde van de Hohenstaufen de eerste Duitse hoofse literatuur werd geschreven, het was de taal van het Nibelungenlied, Parzival en Tristan en Isolde. Het Middelhoogduits was weliswaar ook één van de talen waarin Hendrik van Veldeke schreef, de eerste volkstalige schrijver van de Lage Landen, de schrijver die de basis legde van de Nederlandse, Limburgse en Duitse literatuur.
 
3 Middelhoogduitse handschriften
 
Veldekes liederen, zo lezen we, zijn overgeleverd in drie handschriften van het einde van de 13de - en het begin van de 14de eeuw. Die stammen alle drie uit het zuidwesten van het Hoogduitse, dus zuidelijke Opperduitse deel van het Duitse taalgebied, dat van de zogenaamde Alemannische dialecten. Veldekes liederen worden effectief  bewaard in drie Middelhoogduitse handschriften uit de late 13de- en vroege 14de  eeuw, met name in het Kleine Heidelberger Liederhandschrift, het Weingartner Liederhandschrift van de Württembergische Landesbibliothek in Stuttgart en in het Groβe Heidelberger Liederhandschrift, beter bekend als de Codex Manesse van de Heidelbergse Universiteitsbibliotheek.
 
Hoe klonk zijn muziek?
 
Als we spreken van een minnezanger, schrijft Herman Baeten, spreken we uiteraard ook over muziek. Er is echter geen enkel spoor van zijn muziekproductie bewaard gebleven. Hoe heeft de poëzie en het proza van onze gouwgenoot geklonken? vraagt Baeten zich af. Dit leidde in 2008 tot een symposium in Leuven. Het onderzoek werd gevolgd door de Alamire Foundation. En zo startte een onderzoekstraject van meer dan vijf jaar door internationale specialisten en een keur van jonge musici die op zoek gingen naar de muziek zoals die bij Veldeke mogelijks zou hebben geklonken. Op de 30ste internationale Dag van de Oude Muziek in 2013 in Alden Biesen brachten trouwens achttien ensembles de hele dag muziek van Veldeke en zijn tijd. “Was het Middelhoogduits van de lyrische lais, die ook overgebleven zijn in het Oudfrans en het Oud-Occitaans, de taal van Veldeke?”, zo wordt zich in het boek bv. afgevraagd? 
 
Veldeke en de muziek
 
De essays van de onderzoekers zijn gebundeld in het rijk geïllustreerd boek ‘Hendrik van Veldeke en zijn muziek’. Ze behandelen geschiedenis, kunstgeschiedenis, taal en dichtkunst en door de bijdragen van twee specialisten in de middeleeuwse muziek krijgt de muziek van Veldeke bijzondere aandacht. Zo is er het onderzoek van Middeleeuwse Germaanse melodieën op de uitvoering van een bepaalde scène van de Eneide uit het Germaans liedboek, het Jenaer Liederhandschrift, de grootste, bewaarde verzameling middeleeuwse Germaanse teksten voorzien van melodieën. Het bevat nl. een repertoire van 13de -eeuws Spruchgesang uit de periode die volgde op Veldekes dood.
 
9 hoogst interessante essays
 
Het boek bestaat uit een voorwoord van Herman Baeten, Voorzitter Musica, en negen uitgebreide essays. Ze zijn geschreven door Jozef Janssens, Jan Goossens en Frank Willaert maar ook door Elizabeth Den Hartog uit Leiden, Benjamin Bagby uit Parijs en Marc Lewon uit Oxford. Zo opent Jozef Janssens met “Oud en nieuw in een bewogen tijdsgewricht” en vervolgt Elizabeth Den Hartog met “Hendrik van Veldeke en de Maaslandse kunst en architectuur van zijn tijd”. Daarop volgen essays over het nieuw mensbeeld, de taal van Hendrik van Veldeke, Veldekes Sint-Servaaslegende, reflecties over de hedendaagse uitvoering van middeleeuwse narratieve teksten, het essay “In het voetspoor van Veldeke” en een essay over de overlevering van zijn dichtwerk. 
 
Lees- en kijkboek
 
Voetnoten en bibliografieën vervolledigen de inhoud en bepaalde essays werden geïllustreerd met mooie afbeeldingen en treffende notenvoorbeelden. Het boek is daardoor ook een kijkboek. De bijdragen kunnen een breed publiek boeien maar zijn ook bestemd voor vakspecialisten. In elk geval bieden de essays aan zowel kenners als niet-kenners een mooie kijk op de diverse aspecten van de wereld van onze eigenste, Limburgse Hendrik van Veldeke.
 
Zanger van de graaf van Loon
 
Het Graafschap Loon bevond zich in het huidige Borgloon, Kuringen en een gebied nabij de Abdij van Herkenrode. Ergens in het boek lezen we over een groot tornooi tussen Franse en Duitse ridders in Sint-Truiden in aanwezigheid van de Duitse keizer : “Op de vooravond van het tornooi is er in Sint-Truiden feest in de herberg waar Guillaume zijn intrek heeft genomen: er wordt gedanst, gegeten en gedronken. En dan begint men te zingen. De mooie Galeran van Limburg heft een liefdeslied aan; dan volgt de zoon van de graaf van Maastricht, die in deze kunst zeer bedreven was. Daarna volgt – tot onze niet geringe verbazing – een jonge man die een liefdeslied ten beste geeft over een jonge man van de graaf van Loon, die de reputatie had een goede zanger te zijn.” “De zanger van de graaf van Loon met een goede reputatie? Dat kan toch niemand anders zijn, schrijft Jozef Janssens, dan Hendrik van Veldeke? Onmogelijk is het niet en het is een verleidelijke gedachte, vervolgt hij, maar het is helaas niet te bewijzen.” Dit is een prachtboek dat u voor geen geld ter wereld mag missen. Magistraal!
 
 

Codex Mannesse

Liederhandschrift
 
De Codex Manesse of het Große Heidelberger Liederhandschrift is een geïllumineerd verzamelhandschrift uit ca. 1300. De Codex Manesse is voor de Duitse handschriftverluchting wat de Très Riches Heures du duc de Berry zijn voor de Franse. De codex bevat een bloemlezing van 140 auteurs uit twee eeuwen Duitse literatuur uit de periode van 1170 tot 1330. De codex bevat weliswaar geen notities of aanwijzingen over de melodie van de liederen. De auteur van wie het meeste werk is opgenomen in het handschrift is Walther von der Vogelweide. 
 
Bewogen geschiedenis 
 
De Codex Manesse is de uitgebreidste collectie van Middelhoogduitse zang en epigrammatische poëzie en heeft een geschiedenis die teruggaat tot een collectie van Middelhoogduits poëzie in de eerste helft van de 14de eeuw van de familie Manesse in Zürich. In de 17de  eeuw behoorde het boek tot de bibliotheek van Jacques Dupuy, een eminent Frans schrijver en bibliothecaris (Garde de la Bibliothèque royale) van Lodewijk XIV. Bij zijn overlijden maakte Dupuy de bibliotheek van zijn “cabinet Dupuy” over aan de koning en kwam het handschrift terecht in de Koninklijke Bibliotheek, de latere, legendarische Bibliothèque nationale. Daar werd het in 1815 door Jacob Grimm herontdekt. Vandaag bevindt het belangrijkste Liederhandschrift van de Duitse Middeleeuwen zich in een kluis van de Heidelbergse Universiteitsbibliotheek.
 
Hertog Jan en Veldeke
 
Het verzamelhandschrift is de belangrijkste bron voor onze kennis van de Middelhoogduitse liefdeslyriek en bevat teksten van 140 Minnesänger, onder wie een aantal vorsten. Wel 137 paginagrote miniaturen tonen de hoofse activiteiten van deze minnestrelen in geïdealiseerde vorm. We vinden in het handschrift portretten van o.a. onze hertog Jan I van Brabant, de vermoedelijke auteur van het minnelied waarvan elke strofe eindigt met “Harba lori fa”, en van onze Hendrik van Veldeke of Heinrich von Veldig, die zoals eerder vermeld, aan het begin stond van de Middelnederlandse en Middelhoogduitse poëzie.
 
Rijkdom aan miniaturen
 
Het rijk geïllustreerd manuscript telt 138 miniaturen, geïdealiseerde portretten van minnezangers of troubadours met het wapenschild van de afgebeelde personen. Het manuscript bevat weliswaar ook een rijkdom aan miniaturen met afbeeldingen van jachttaferelen, toernooien, gevechten, dansen en musiceren, eten en drinken, spelevaren tot zelfs baden en minnetaferelen.
 
Minnezangers en hun gedichten
 
De Heidelbergse Altgermanist Lothar Voetz kent de codex als niemand anders. Naast levendige portretten van de grote minnestrelen of minnezangers bevat zijn boek ook vertalingen en interpretaties van door hem gekozen gedichten. Lothar Voetz schrijft over de oorsprong, de geschiedenis en de impact van dit uiterst belangrijk manuscript. Tal van teksten en beeldpagina’s met kleurrijke illustraties brengen het uitgebreid onderwerp in beeld. Lothar Voetz (°1945) is emeritus hoogleraar oude Duitse Filologie aan de Universiteit van Heidelberg en was houder van leerstoelen aan de universiteiten van Münster en Wenen. Zijn onderzoek richtte zich tot Germanistische Handschriftenkunde en Duitse Mediëvistiek. Warm aanbevolen.


Hendrik Van Veldeke en zijn muziek
Herman Baeten

214 blz. geïllustreerd
uitgeverij Alamire ISBN 90-6853-203-6

preview van het boek via deze link

Der Codex Manesse
Lothar Voetz

Duits, 176 bdz. geïllustreerd
uitgeverij Lambert Schneider ISBN 9783650400420

Bron: klassiek-centraal.be; Michel Dutrieue, 09/05/16

In Floris ende Blancefloer van Diederic van Assenede doet Jozef Janssens waar hij goed in is. Een Middelnederlandse tekst onderdompelen in eigen historisch nat en hem vervolgens opblinken tot hij glimt als een appel.

Vrouwen hebben een streepje voor op mannen. Of tegen. Het is maar hoe u het bekijkt. De vrouw is namelijk een vat van wellust en overspeligheid. Dat komt zo: het vrouwenlichaam bevat meer vloeistof dan het mannenlichaam. Vloeistof kun je moeilijk vasthouden met als logisch gevolg: vrouwen zijn wispelturig, nieuwsgierig en wellustig. Vraag het maar aan de middeleeuwse universiteitsdocenten.

Iets anders: het had niet veel gescheeld of onze Vlaamse vlag was een rood hart geweest, omgeven door twaalf gouden en hemelsblauwe stralen. Onze leeuw, zo wil een hardnekkige overlevering, hebben we in de twaalfde eeuw gestolen van een moslim.

Nog wat anders: wist u dat Vlaanderen al in de dertiende eeuw een van de sterkst verstedelijkte gebieden was van Europa? En dat de Westerschelde in de tiende eeuw de ‘Honte’ heette en niet meer was dan een nauwelijks bevaarbaar veenriviertje, tot een reeks stormvloeden er zich in de twaalfde en dertiende eeuw mee bemoeide? En dat het Aards Paradijs eeuwenlang net achter het Midden-Oosten lag?

Een walgelijk wanschepsel

Als u van zulke historische weetjes houdt, en niet bang bent van een vloedgolf aan namen en feiten, moet u ongetwijfeld Floris ende Blancefloer van Diederic van Assenede in huis halen. Dat boek van Jozef Janssens (e.a.) is opgebouwd rond het Middelnederlandse verhaal Floris ende Blancefloer (ca. 1255) en het schrijverschap van belastingontvanger, ondernemer en Assenedenaar Diederic. Middelnederlandse literatuur in een historische context plaatsen is Janssens’ handelsmerk en dus voert hij de lezer mee ver buiten de grenzen van het verhaal, op een boeiende tocht door het politieke, culturele en literaire landschap van twaalfde- en dertiende-eeuws Vlaanderen én Europa.

We krijgen een inkijk in de Vlaamse kruistochten, de middeleeuwse kennis van het Midden-Oosten, de opkomst van de volkstalige literatuur, de taalsituatie in Vlaanderen en ga zo door. Coauteurs Veerle Uyttersprot en Jan Uyttendaele breken met interessante tips en lesvoorstellen het veld open naar het onderwijs. Adrie de Kraker belicht in een kort, maar taaier deel onder andere de turf- en zoutwinning in de venen rond Assenede. Het boek is prachtig geïllustreerd met – vaak nog ongepubliceerde – middeleeuwse miniaturen, maar door het glanzende papier is het jammer genoeg alleen te lezen bij de juiste lichtinval.

De hoofdbrok van Floris ende Blancefloer van Diederic van Assenede is vintage Jozef Janssens. Die schreef het boek in een hoogst middeleeuwse constellatie: in opdracht. Twee jaar geleden vroeg de Asseneedse geschiedkundige kring Hallekin hem of hij Floris ende Blancefloer en Diederic van Assenede weer op de kaart kon zetten. In de negentiende eeuw stoorde men zich aan het ‘naïeve’ en ‘weinig heroïsche karakter’ van het boek. De Amsterdamse boekverkoper Witsen Geysbeek omschreef het als ‘een walgelijk wanschepsel... zonder eenige historische waarde’. En al waren anderen, zoals Hoffmann von Fallersleben, ronduit lovend, vandaag krijgt het werk nauwelijks nog aandacht, niet in literatuurgeschiedenissen, niet in het onderwijs.

Bestseller van IJsland tot Italië

Het verhaal kent bijna niemand nog. Intrigerend, want in de middeleeuwen was de roman op verzen een echte bestseller, die werd gelezen van IJsland tot in Italië. De beeldschone Floris en Blancefloer worden op dezelfde dag in hetzelfde Spaanse paleis geboren: Floris als zoon van het Moorse koningspaar, Blancefloer als dochter van een geroofde christenvrouw. De kinderen zijn nauwelijks enkele maanden oud of ze staan in vuur en vlam voor elkaar: in bad ‘bekijken ze elkaar lieflijk’ en liggen ze in de wieg, dan kussen ze elkaar. Om een lang verhaal kort te maken: de Morenkoning wil niet dat zijn zoon met het christenmeisje trouwt. Blancefloer wordt achter Floris’ rug aan een emir in Babylon (Caïro) verpatst, maar Floris, kapot van verdriet, reist haar achterna. Uiteindelijk keren ze samen terug naar Spanje, dat zich samen met Floris tot het christendom bekeert.

De roman is niet de meest geraffineerde van zijn tijd, vindt ook Janssens. ‘Maar zijn pacifistische toon was een compleet nieuw geluid in het militaristische Vlaanderen van de dertiende eeuw. Diederics idee van de liefde die, zonder enig wapengekletter, alles overwint, steekt af tegen het strijdgewoel in de ridder- en Karel de Grote-romans van die tijd. Zet de titelheld Floris, die van puur liefdesverdriet al eens durft flauw te vallen, maar eens naast krachtpatser Roland uit het Chanson de Roland. Al zijn diens trommelvliezen gescheurd en puilen zijn hersenen uit, die blijft gewoon voortvechten.’

Bovendien is de liefde tussen Floris en Blancefloer er een uit vrije wil. Heel gewoon vandaag in ons eigenste Westen. Toch hebben we dat te danken aan de theologen van de twaalfde eeuw. Die haalden het huwelijk weg van bij de familieclans, en maakten het iets van de geliefden zélf. ‘Bij het huwelijk uit vrije wil, hoorde een objectieve getuige’, zegt Janssens. ‘Dat werd de priester, die sindsdien, vanwege die objectiviteit, níét meer mocht trouwen.’ Dat weet u dan ook weer.

JOZEF JANSSENS (e.a.)
Floris ende Blancefloer van Diederic van Assenede. Liefde in het graafschap Vlaanderen van de dertiende eeuw.
Davidsfonds, 256 blz., 49,99 €.

Bron: De Standaard; 13 NOVEMBER 2015; Astrid Houthuys, "Romeo en Julia komen uit Assenede"

01a500287f743b65dacde3c0805a820c.jpg

Het bekende Middelnederlandse traktaat 'Seven manieren van heiliger minne' wordt toegeschreven aan Beatrijs van Nazareth. Deze aanname wordt gebaseerd op een gelijkaardige tekst in haar Latijnse biografie, de Vita Beatricis, van de hand van een onbekende auteur. Maar hoe overtuigend is de religieus-historische rugdekking voor deze aanname? Waar heeft de onbekende auteur zijn teksten ontleend? Dit boek stelt drie essentiële vragen. Welke teksten uit dezelfde historische periode kunnen in verband worden gebracht met de ‘Seven manieren’? Als leidraad geldt het opvallende voorkomen van de ziel in de ‘Seven manieren’ en de wijze van opgang naar God op zeven ‘manieren’. Het antwoord leidt eerst naar een tekst van de dominicaan Helvicus Theutonicus. 

Als vervolgens de ‘Seven manieren’ inhoudelijk worden getoetst op hun mystagogische karakteristieken, herkennen we dan concepten die in dezelfde historische periode opgang maakten? De centrale bron van inspiratie blijkt dan een andere dominicaan te zijn, de mysticus en prediker meester Eckhart. 

Welke betekenis mag men ten slotte toekennen aan de Vita Beatricis? Is de auteur een ‘translator’ van daadwerkelijke feiten, of veeleer een ‘transformator’ en ‘imitator’ van ficties? Rudi Malfliet onderzoekt de historische, hagiografische en mystagogische aspecten van de Latijnse biografie van Beatrijs van Nazareth. 

De gezamenlijke resultaten van dit onderzoek leiden tot de onvermijdelijke conclusie dat ‘Seven manieren’ niet van de hand van de cisterciënzerin Beatrijs van Nazareth (ca. 1210-1268) kan zijn. 

Over de auteur: 

Rudi Malfliet is emeritus-hoogleraar Natuurkunde aan de Universiteit Groningen en historicus. Hij is auteur van historische studies zoals Van den vos Reynaerde en Hadewijch. 

Seven manieren van minnen. Gewikt en gewogen. Beatrijs van Nazareth, Helvicus Theutonicus, Meister Eckhart.
Aantal Pagina's: 132 - Prijs: € 19,00.
Uitgever : Garant Uitgevers nv

Uit de inhoud:
- Inhoudsopgave
- Inleiding

Van dezelfde auteur (ook bij uitgeverij Garant):

d41d68704de9550d7e439014cab8aefe.jpgR. Malfliet, De andere Hadewijch.
Pagina's: 274 - Prijs: € 29,00.

Over het boek:

Het is opmerkelijk dat vele vrouwen zich in de dertiende eeuw mystiek ontplooiden, en dit deden in een periode waarin de door mannen gedomineerde kerk zich in toenemende mate autoritair opstelde tegenover afwijkende meningen, die zij bestempelde als ketterijen. In dit religieuze spanningsveld leefde en schreef Hadewijch.

Welke plaats heeft zij ingenomen in de historische context van haar tijd? Was de vita apostolica voor haar de weg van Christus en zijn apostelen of de voorgeschreven weg, de weg die door de kerk van Rome toegeschreven werd aan Christus en zijn apostelen? Het conventionele beeld van Hadewijch in de huidige literatuur wordt overwegend bepaald door de twaalfde-eeuwse opvattingen over de bruidsmystiek van Bernardus van Clairvaux. Er wordt een onbekende maar vrome begijn verondersteld die literair hoogstaande en smachtende werken schreef, maar wel binnen een kerkelijke orthodoxe omkadering.

Het andere beeld van de magistra Hadewijch, dat in deze studie op basis van een uitgebreid historisch onderzoek voor het voetlicht wordt gebracht, past naadloos binnen de intellectuele en religieuze ontwikkelingen van haar tijd, de dertiende eeuw. Het geeft een vernieuwend inzicht in deze geëmancipeerde en geletterde middeleeuwse vrouw en de eigenzinnige gezichtspunten in haar geloof en liefde tot God, haar onstuitbare minne. Haar spirituele leidraad was de zoektocht naar volmaaktheid en de weg naar het hemelse Jeruzalem, geopenbaard door Johannes en verder uitgelegd door de apocalyptische mysticus Joachim van Fiore, en door haar in haar geschriften verklaard.

Maar wie was Hadewijch eigenlijk? Hoe heeft zij haar kennis opgedaan? Waar heeft zij geleefd? In dit boek wordt een gedeelte van de sluier opgelicht.

Inhoud:
- Inhoudsopgave
- Voorwoord

7043201207b0690873481f7b339b26e0.jpgR. Malfliet, Van den Vos Reynaerde. De feiten.
Aantal Pagina's: 352 - Prijs: € 32,00.

Over het boek:

Van den vos Reynaerde is een vaste waarde in de canon van de Nederlandse literatuur. Op scholen en aan universiteiten staat hij steevast op de leeslijst; wetenschappers buigen zich eeuwen na het ontstaan ervan nog steeds over de diepere gronden en het vernuft dat aan de tekst ten grondslag liggen. Die studie wordt echter grotendeels gevoerd vanuit een literatuurwetenschappelijke invalshoek, waarbij de tekst het middelpunt van de belangstelling is. 

Maar hoe belangrijk was de historische mentaliteit van de auteur, van zijn omgeving en zijn publiek voor het ontstaan van Van den vos Reynaerde, en wat moeten we ons hierbij voorstellen? Welke zijn de reflecties uit die periode die in het verhaal terug te vinden zijn en mede de draagwijdte en de boodschap van de tekst bepalen? En waarom? Dit boek geeft op deze vragen een antwoord door het middeleeuwse verhaal te confronteren met de historische realiteit van die tijd. Daarbij wordt ruim gebruik gemaakt van een veelheid aan nieuwe historische gegevens uit authentieke bronnen en oorkonden, en recente literatuur over de middeleeuwen. 

Het historisch referentiekader rondom Van den vos Reynaerde wordt ingevuld aan de hand van een brede synthese van de politieke, sociaal-maatschappelijke en culturele ontwikkelingen zoals die zich in de eerste helft van de dertiende eeuw voltrokken. De elementen in het verhaal die een historische betekenis kunnen hebben worden opgespoord en toegelicht. Vervolgens wordt de context cultuur-historisch geanalyseerd langs drie maatschappelijke invalshoeken: de politieke actualiteit en de verborgen kritiek erop, de toenmalige geleerde opvattingen over ethiek en symboliek, en het ‘volkse’ discours met zijn groteske kenmerken. Ten slotte worden de achtergronden en het profiel van de auteur, Willem die madocke maecte, hieraan vastgeknoopt en wordt zijn identiteit onthuld. 

Het resultaat is een verrassende interpretatie van Van den vos Reynaerde, die zowel de literair- als de historisch geïnteresseerde lezer vernieuwende inzichten aanreikt over deze unieke tekst, zijn tijd en zijn auteur. Een boek voor hen Diet verstaen met goeden sinne.

Inhoud:
- Volledige inhoudsopgave

Ridderboscover.png

De Vlaamse Primitieven spreken tot de verbeelding. De schilderijen van de Meester van Flémalle,  Jan Van Eyck, Rogier van der Weyden, Dirk Bouts, Hugo van der Goes en andere meesters hangen in musea over de hele wereld en worden gezien als het hoogtepunt van de laatmiddeleeuwse kunst.

Dit kunstboek gaat verder dan de vele andere studies over deze meesterwerken en bespreekt niet enkel het artistieke karakter van de schilderijen, maar ook de cultuurhistorische context waarbinnen ze gemaakt werden.

Wie waren de opdrachtgevers van de Vlaamse Primitieven en waarom lieten ze bepaalde voorstellingen schilderen? Welke sociale, politieke, economische en devotionele factoren beïnvloedden de artistieke productie? Welke symbolische betekenissen zitten er in de schilderijen? Hoe werden de werken in de eigen tijd ontvangen en gewaardeerd?

Schilderkunst in de Bourgondische Nederlanden kijkt op een geheel nieuwe manier naar de schilderkunst van de Vlaamse Primitieven. Boordevol schitterende afbeeldingen is dit een prachtig lees- en kijkboek over de belangrijkste schilderijen uit de geschiedenis van de Bourgondische Nederlanden.

Oudnederlandse schilderkunst

Aan het woord is Bernhard Ridderbos, docent middeleeuwse kunstgeschiedenis. De man is expert genoeg om te weten dat het kunst- en cultuurleven in de Nederlanden van de late middeleeuwen al zo vaak vanuit dezelfde invalshoeken werd herkneed. Daarom wilde hij de Oudnederlandse schilders en hun werken eens op een verrassende manier in de spotlichten plaatsen. Alle groten passeren de revue, van de gebroeders Van Eyck tot de meester van Flémalle, weliswaar met hun bekendste werken. Het lezenswaardige zit hem in de opbouw van het verhaal en het samenspel van allerhande gegevens en details die in een klassiek kunstboek gewoonlijk ontbreken.

Dialoog

Ridderbos catalogeert Van der Weyden, Memling en de anderen bewust als “Oudnederlandse schilders” (in het Engels is doorgaans enkel sprake van “Early Netherlandisch painting” en in het Duits van “Altniederländische Malerei”) en niet als “Vlaamse primitieven”. Die laatste term spruit voort uit het dedain waarmee men de schilders uit de Bourgondische tijd lang bejegende. De begrippen middeleeuws en gotisch stonden veel te lang synoniem voor duister en primitivistisch. Uiteindelijk zou daar in de 19de eeuw, tijdens de romantiek, verandering in komen. Daarom knutselde de auteur uit het wetenschappelijke debat dat zich vanaf ongeveer 1840 rond de zogenaamde “primitieven” ontspon, een raam waarin hij zijn keurige detailstudies naderhand kon inpassen. De veelheid aan meningen en inzichten over Van Eyck en co is misschien een logisch gevolg van het feit dat de Oudnederlandse stroming in bloei kwam op het moment dat twee grote tijdvakken (middeleeuwen en renaissance) in elkaar overvloeiden. Hoewel uiterlijk nog op en top middeleeuws effende de beeldende kunst van de jaren 1400 qua inhoud mee het pad voor de nieuwe tijd. Ridderbos laat meerdere kunstminnaars en vorsers uit lang en minder lang vervlogen tijden hierover in dialoog treden. De lezer wordt uitgenodigd om, geholpen door de vele kleurrijke afbeeldingen, zelf tot een synthese te komen.

Huizinga

Eén wetenschapper steekt volgens Ridderbos met kop en schouders boven alle anderen uit. De Nederlandse historicus Johan Huizinga (1872-1945) oogst alle lof, meer bepaald omwille van zijn baanbrekende “Herfsttij der middeleeuwen” (1919), waarin hij de laatmiddeleeuwse maatschappij in de Nederlanden en het leven aan het hertogelijke hof met opzichtige literaire zwier ontsluiert. Ridderbos wenst in de geest van Huizinga’s referentiewerk verder te werken. Niettegenstaande het magistrale van het genoemde boek, blijft Ridderbos in zekere zin toch op zijn honger zitten. Huizinga verzuimde namelijk dieper in te gaan op de toenmalige schilderkunst als opperste afspiegeling van de vijftiende-eeuwse tijdsgeest. Die lacune poogt Ridderbos met “Schilderkunst in de Bourgondische Nederlanden” op te vullen. De geselecteerde werken worden ingekapseld in de culturele context waarin ze ontstonden. We treden naar goede Huizinga-traditie binnen in de leefwereld van opdrachtgevers, zoals Joos Vijd (Lam Gods), en geportretteerden, zoals de zakenman Arnolfini (cf. het bekende portret door Van Eyck). Volgend in hun voetsporen beleeft men de wording van een aantal heerlijke doeken van naderbij.

De obligate ontboezemingen over symboliek en religieuze achtergronden kan men elders lezen. Niettemin biedt dit werk een vernieuwende kijk op een veelvuldig verkend thema. Deze keg is het stille bewijs dat er ook op ogenschijnlijk platgetreden paden nog heel wat te beleven valt.

Bron: Tom, pallieterke.net

Titel: “Schilderkunst in de Bourgondische Nederlanden”

Auteur: Bernhard Ridderbos

Uitgeverij: Davidsfonds

Jaar: 2014 - Bladzijden: 327

Prijs: 64,95 euro - ISBN: 9789059085435

Welkom bij Clubs!

Kijk gerust verder op deze club en doe mee.

Wat is dit?


Of maak zelf een Clubs account aan:


Aanbevelingen door leden:

bernard-de-clairvaux starstarstarstarstar

Een geweldige community over de middeleeuwen in al haar facetten. Boeken, tentoonstellingen, steden en discussies met diepgang en humor. Een Vlaams-Nederlandse samenwerking van historisch niveau!