
Welkom op deze club over de middeleeuwen




In deze club volgen we het nieuws op over de middeleeuwen: nieuwe inzichten, analyses, boeken, tentoonstellingen, films, strips, levende geschiedenis, re-enactment en last but not least, de reisverslagen van onze clubleden. Kortom elk evenement dat ook maar een link heeft met de middeleeuwen krijgt een plaats op deze club. Het kan dus ook een belevenis of ervaring zijn van een clublid, daarvoor dient vooral het forum. Op de blogberichten kan je ook je reacties kwijt. Naast het vele nieuws heb je ook nog plaatjes in de fotoalbums en enkele links.
De naam van de club verwijst naar het boek De Kathedralenbouwers van de franse historicus G. Duby: de middeleeuwers waren immers bij uitstek kathedralenbouwers. Dit boek heeft mij begeesterd en het middeleeuwse vuur wakkerde voor eeuwig aan door "De naam van de Roos" van de erudiete Umberto Eco.
Alle links van deze club en nog vele andere links naar websites over de middeleeuwen vind je op de startpagina: "Middeleeuwen.2link.be", ook beheerd door de operator van deze club.
De periode voor de middeleeuwen, namelijk de Prehistorie en de Oudheid, wordt behandeld in de club "Van Prehistorie tot Middeleeuwen".
Ben je een toevallige gast? Wordt gratis lid, of laat iets horen op het forum of mail de eigenaar van deze club op calamandja@yahoo.com.




Reeds sedert 2008 organiseert de club Kathedralenbouwers jaarlijks een clubbijeenkomst. Na Utrecht (2008), Brugge (2009), Delft (2010) werd de vierde clubdag dit jaar op zaterdag 28 mei gehouden in Zutphen.
Hieronder vind je het verslag van de clubdag van 2011.
De vaste volgers van deze club hadden de nerveuze spanning natuurlijk al waargenomen: 28 mei stond in het teken van de jaarlijkse Clubmeeting van de Kathedralenbouwers. Voor de vierde keer alweer zou dé online community over de middeleeuwen elkaar ontmoeten, dit maal in het pittoreske Zutphen. De meeting kent inmiddels een vaste hoeveelheid rituelen, die begint met een half jaar discussieren over de locatie. Vervolgens staat het forum een half jaar bol met praktische en inhoudelijke berichten. De Kathedralenbouwers gaan immers niet over 1 nacht ijs. Dit jaar fungeerde Clublid Bernard-de-Clairvaux als gastheer. Logische reden: hij woont in Zutphen. Het moge duidelijk zijn dat hij een stevige lobby heeft gevoerd voor zijn hanzestadje. Om de dag nog verder op-te-middeleeuwen werd ook Huis Bergh aan het programma toegevoegd.

28 mei was dus de grote dag en om 10.00 uur troffen de eerste bouwers elkaar op het terras van het Eden Hotel, tegenover de Walburgiskerk. De Vlaamse gasten hadden gekozen voor een voor-overnachting om maximaal te kunnen profiteren van de verre reis. Vanzelfsprekend betrof dit de opperbouwer Calamandja en de grotere literator Maerlandt, inclusief hun aanhang. Even later arriveerden Marjoke en Antonius met hun wederhelften en was het gezelschap compleet. In een flauw zonnetje werd de eerste koffie en cola naar binnen gewerkt om aangesterkt het eerste programmaonderdeel binnen te lopen: de Walburgis. Deze kerk kent diverse bouwfases en heeft in de loop der eeuwen de gedaante aangenomen van een kleine kathedraal. Belangrijk onderdeel van de kerk is de Librije, een laatmiddeleeuwse kettingbibliotheek. Deze boekenverzameling is een Europese zeldzaamheid en figureerde op diverse verlanglijstjes. De Kathedralenbouwers hadden de eer om rondgeleid te worden door mevrouw Aartje Bos-Oskam, schrijfster van het boek 'De Kaarsenkroon van de Sint Walburgiskerk'.

Hiermee is meteen ook een ander hoogtepunt genoemd. Mevrouw Bos-Oskam vertelde vol overgave over de symboliek achter de bijzondere kroonluchter. De eenhoorn en de mystieke jacht stonden hierbij centraal. De bouwers verlieten (natuurlijk) met enige vertraging de kerk en konden meteen aanschuiven bij een heerlijk lunchbuffet in het Eden Hotel. Vervolgens verzorgde clublid Bernard-de-Clairvaux een korte rondleiding langs de diverse historische highlights van de stad. De Vikingaanval van 890, de Karolingische ringwal, de vele resten uit de Hanzetijd, de Broederenkerk (zou Meister Franke daar gewoond hebben?) en de stadsmuur. Hij gaf volmondig toe dat zijn kennis de laatste weken was opgevijzeld tijdens een avondcursus van de stadsarcheoloog.

Na dit turborondje door de stad reisde het gezelschap naar Huis Bergh. Stipt om 15 uur wandelde men dit schitterende burchtcomplex binnen. Huis Bergh is niet alleen een schoolvoorbeeld van een doorontwikkeld middeleeuws kasteel, het hangt ook vol met kunst. Daarnaast heeft het een bewogen geschiedenis, waarbij de bewoners garant stonden voor politiek en militair avontuur. Een ideale combinatie voor de Kathedralenbouwers dus. Momenteel staat het kasteel in het teken van de Jacht op de....Eenhoorn! Ja, er is nagedacht over dit dagprogramma. Ook hier stond dus de symboliek van de eenhoorn centraal, ondersteund met veel originele prenten en miniaturen. Er was zelfs een originele narwal-schedel te zien, inclusief hoorn. De vaste collectie, verzameld door textielbaron J.H. van Heek, bevatte ook veel middeleeuws moois. Een beklimming van het donjon mocht natuurlijk niet ontbreken. Het uitzicht bevestigde meteen de strategische positie van 's Heerenbergh. Intussen duizelden de Kathedralenbouwers van de indrukken en moest er dringend bijgetankt worden op het terras van het kasteel.

Vakantieplannen, boeken, tentoonstellingen, namaak-trappist...alles passeerde de revu. De dag werd besloten met een dinertje in het naastgelegen binnenstad. Grand Café de Snor serveerde een prima 3-gangenmenu, dat door de Kathedralenbouwers met nog meer gespreksstof werd omlijst. Rond 20 uur trok het middeleeuws gezelschap de stad weer uit. Aan de slotgracht van Huis Bergh werd hartelijk afscheid genomen. Een beter decor was niet denkbaar: de Kathedralenbouwers kunnen weer terugkijken op een legendarisch queeste...en dagdromen over de volgende Clubmeeting.




Foto van de clubleden op de derde clubbijeenkomst in Delft (2010):
Foto van de aanwezige clubleden op de tweede clubbijeenkomst van de Kathedralenbouwers te Brugge op 18 april 2009. Op het programma stond een bezoek aan de tentoonstelling "Karel de Stoute - Pracht & Praal in Bourgondië 1433 - 1477". Terug een gezellige & leerrijke bijeenkomst.
.jpg)





De Middeleeuwen werden in de 18e eeuw een bron van nationale mythen, als verzet tegen de Verlichting. Nu is het weer een barbaars tijdperk.
In 1760 publiceerde de Schotse geleerde James MacPherson een opmerkelijke literaire vondst. Tijdens zijn reizen door de Schotse hooglanden had hij fragmenten opgetekend van oeroude Keltische poëzie. In die woeste streek zongen de boeren nog de liederen van Ossian, zoon van koning Fingal. Ossian bezong de heldendaden van zijn voorouders in duistere, droefgeestige verzen. Niemand had ooit van Ossian gehoord, en de ontdekking sloeg in als een bom. Er brak een ware Schotse rage los, in heel Europa, die ook niet overging. Zelfs niet toen duidelijk werd dat MacPherson die ‘oeroude’ gezangen voor het grootste deel uit zijn duim had gezogen. Het was zijn manier om te protesteren tegen de ondergang van het Schotse platteland door de industriële revolutie. Een aanklacht tegen de allesverslindende Verlichting. Die boodschap kwam aan. Iedereen was het erover eens dat Ossian de vergelijking met Homerus gemakkelijk kon doorstaan. Er was dus méér dan de klassieken. Er waren nog de Middeleeuwen.
De tweede helft van de 18e eeuw betekende het hoogtepunt van de Verlichting – en tegelijk werd het einde zichtbaar. Natuurlijk had de mens behoefte aan vrijheid en moest hij zich kunnen ontplooien. Maar hij had ook andere behoeften: echtheid, eigenheid en gemeenschap. Zoals Peter Raedts constateert in De ontdekking van de Middeleeuwen, wil de mens deel uitmaken van een groter geheel, van zijn volk of een religieuze gemeenschap.
Nationale roots
Er verscheen een nieuwe generatie dichters en filosofen die op zoek ging naar nationale roots. Die waarschuwde dat een volk dat zijn wortels niet respecteert, dat alleen de klassieken leest en alleen Frans ‘beschaafd’ vindt, gedoemd is ten onder te gaan. Hun zoektocht eindigde in de Middeleeuwen. Britten, Fransen, Duitsers, Italianen – iedereen ‘ontdekte’ rond 1800 zijn oorsprong in de Middeleeuwen. Oude manuscripten werden afgestoft; oude helden op een sokkel gezet en de gotiek, de bouwstijl van de Middeleeuwen, werd nieuw leven ingeblazen.
Het enige land dat niet aan deze rage meedeed (Raedts besteedt er een apart hoofdstuk aan: ‘Uitzondering’) was Nederland. Begin 19e eeuw werden enkele schuchtere pogingen gedaan om een nationaal-middeleeuws verleden te scheppen, maar die liepen op niets uit. Orthodoxe protestanten beschouwden de Tachtigjarige Oorlog als het moment waarop de natie was ontstaan, en weigerden enig belang te hechten aan de (katholieke) Middeleeuwen. Toen de katholieke emancipatie op gang kwam, en de katholieken zich de Middeleeuwen toe-eigenden als hún gouden tijdperk, was het voor het weldenkende deel der natie al helemaal onmogelijk om deze periode te ‘ontdekken’. Nederland was, constateert Raedts, religieus té diep verdeeld om vanuit de Middeleeuwen een nationale mythe te scheppen.
Een bron van mythen – dat waren de Middeleeuwen. De ‘ontdekking’ ervan heeft niets te maken met enige groei van onze kennis omtrent dat tijdperk, maar alles met het verzinnen van een verhaal tégen de Verlichting, tegen de verering van ‘de mensheid’, tegen de ratio – kortom, tegen de moderniteit. Dat verzet bereikte een bloedig hoogtepunt met het nazistische Derde Rijk. Sindsdien is verlangen naar een glorieus middeleeuws verleden hier taboe, en zijn de Middeleeuwen morsdood. Wie nu Middeleeuwen zegt, denkt aan computerspelen en tv-series, aan fantasy en magie. Het is in de collectieve verbeelding weer een barbaars tijdperk geworden.
Raedts hoopt dat we de Middeleeuwen ooit opnieuw kunnen ‘gebruiken’, niet als mythisch verleden, maar om te leren hoe we als mensen om kunnen gaan met onze kwetsbaarheid – want dat was de middeleeuwse mens: uiterst kwetsbaar. De Middeleeuwen herinneren ons aan de morele plicht om, ondanks die kwetsbaarheid, altijd te trachten rechtvaardig te zijn en waar mogelijk, hoe tijdelijk ook, orde te scheppen. Een mooie droom. Maar waarschijnlijk zijn de Middeleeuwen als inspiratiebron voor eeuwig verloren.
Peter Raedts, De ontdekking van de Middeleeuwen. Geschiedenis van een illusie. Wereldbibliotheek, 29,90.

In Frankrijk, meer bepaald in het hartje van Bourgondië, kan men kennismaken met deze voormalige prestigieuze abdij. Gesticht in 1118 door de heilige Bernard of Bernardus van Clairvaux (1090-1153) kende dit convent gedurende verscheidene eeuwen een ongekende bloei en wist het op bijna miraculeuze wijze te ontsnappen aan vernielingen, oorlogen en zelfs aan de Franse Revolutie. Een portret:
Het klooster, geheel gebouwd in Romaanse stijl was zowat vanaf de twaalfde eeuw tot ver in de vijftiende eeuw ontegensprekelijk het cultureel en spiritueel centrum van de regio. De talrijke fonteinen die de tuinen van de abdij opluisterden lagen aan de basis van de naamgeving van het convent.
Begin zestiende eeuw werd het abdijcomplex meer en meer geleid door commanditaire abten aangesteld door de Franse koning, hetgeen een zeker verval inluidde. Tijdens de Franse Revolutie werd het klooster verkocht aan een zekere Hugot van Percy-sous-Thil, die er zonder enig schaamtegevoel een papierfabriek van maakte. Deze werd in 1820 doorverkocht aan Elie de Montgolfier die de fabriek tot grote bloei bracht. De onderneming functioneerde tot 1906, tot Edouard Aynard (1837-1913), schoonzoon van Raymond de Montgolfier, het kloosterdomein in handen kreeg.
Aynard, een politicus en tevens welgesteld bankier, liet alle bij de papierfabriek behorende gebouwen slopen en het klooster in zijn oorspronkelijke staat herstellen. Tot op heden is het domein nog steeds het eigendom van de familie Aynard en sinds 1981 staat de voormalige Cisterciënzerabdij op de werelderfgoedlijst van de Unesco.

De bezoeker betreedt het domein via de imposante vijtiende-eeuwse portierswoning. Op de dwarsbalk van de ingangspoort ervan staan twee opmerkelijke geschriften: “Fonte Net” (te vertalen als: datgene wat op fonteinen drijft) en een citaat uit Genesis: “De geest Gods zweefde over de wateren”.
Onmiddellijk links van de portierswoning loopt men langs een gebouw uit de dertiende eeuw. Het eerste gedeelte van dit pand deed volgens de historici dienst als kapel voor bezoekers, pelgrims en vreemdelingen. Het tweede gedeelte was de bakkerij. Wetenswaardig is het feit dat de oven nog steeds zijn oorspronkelijke schoorsteen bezit.
Pal rechts daarvan bevindt zich de achttiende-eeuwse abtswoning. Deze werd gebouwd voor de commanditaire abten die echter slechts zelden in het klooster verbleven. Links van deze woning valt onmiddellijk de duiventil op en iets verderop de kennel voor de jachthonden van de Hertogen van Bourgondië die in de bossen van Fontenay hun geliefkoosd jachtdomein hadden.
Het meest indrukwekkende gebouw is ongetwijfeld de kloosterkerk. Het bedehuis werd in zeer korte tijd gebouwd en heeft daarom een volmaakt harmonische bouwstijl. Het is één van de oudste nog bestaande Cisterciënzenkerken van Frankrijk, ingewijd door Paus Eugenius III op 21 september 1147. Het interieur van de kerk bestaat ui een 66 meter lang schip met acht traveeën, overdekt met een tongewelf en spitsbogen. Ter hoogte van het linker dwarsschip of transept herinnert een dertiende-eeuws beeld van Onze-Lieve-Vrouw van Fontenay de bezoeker aan de bijzondere devotie van Bernardus van Claivaux tot de Moeder Gods. Achter het beeld, ietwat aan het einde van het dwarsschip situeert zich de “Deur der Doden”. Deze kwam uit op de begraafplaats van de monniken. In het midden van het koor van de kerk kan men geëmailleerde tegels zien die in de abdij gevonden zijn en hier werden samengevoegd. Het uiteinde van het koor valt op door een dertiende-eeuws retabel (zie ook artikel Retabels, houten kunstwerken voor de eeuwigheid) dat echter gedeeltelijk beschadigd werd tijdens de Franse Revolutie. De grafstenen van het klooster zijn eveneens samengebracht in het koor. Zo onder meer die van Ebrard, bisschop van Norwich, die, om aan vervolgingen te ontsnappen, zijn bisdom in Engeland ontvluchtte en in 1139 in de abdij zijn toevlucht kwam zoeken.
In de rechterzijbeuk zien we een statige trap die naar het dormitorium van de monniken leidde. De regel van Sint Bernardus schreef de kloosterlingen voor om in een gemeenschappelijke zaal te slapen op strozakken zonder verwarming. De slaapplaatsen waren enkel door dunne lage wanden van elkaar gescheiden. Het meest opmerkelijke van deze 56 meter lange zaal is ontegenzeglijk het plafond van kastanjehout daterend uit de tweede helft van de vijftiende eeuw.

Via een deur op de benedenvloer van de kerk verlaat men de kerk om het eigenlijke klooster te betreden. Daar zien we meteen de Armarium Claustri, een nis waarin de monniken hun boeken achterlieten alvorens de kerkdienst bij te wonen. Het klooster zelf heeft in de loop der eeuwen geen enkele vernieling ondergaan en is daardoor een volmaakt voorbeeld van bouwkunst die overeenstemt met de voorschriften van de Cisterciënzerregels, dit ondanks bepaalde verschillen in de bouw van de vier galerijen en het groot aantal in afwerking uiteenlopende kleine zuilen.

Cisterciënzerabdij van Fontenay - Foto: CC/PMRMaeyaert
Van het hele klooster was de kapittelzaal, na de kerk, het belangrijkste gedeelte. Hier kwamen de monniken iedere dag bijeen onder leiding van de abt om er kapittel te houden en over de zaken van de kloostergemeenschap te beraadslagen. Aansluitend op deze zaal komt men in het scriptorium van de abdij waar de monniken aan hun manuscripten werkten. (zie ook artikel Vlaamse miniaturen onder het spotlicht).
Voorts valt in de omringende tuin waarin de monniken onder meer hun geneeskrachtige kruiden kweekten respectievelijk de smederij en de ziekenzaal te bezoeken. De ziekenzaal staat omwille van hygiënisch oogpunt geheel los van de overige gebouwen. De smederij daarentegen, 53 meter lang, was een echte fabriek die erts verwerkte van de nabijgelegen heuvel. De gekanaliseerde rivier leverde de energie voor de smeedhamer en de blaasbalg van de koepelovens. De zaal van de smederij wordt terecht beschouwd als een van de mooiste zalen van de abdij. Een bezoek aan deze historische en voormalige spirituele site is dan ook een echte aanrader. Jaarlijks trekt de voormalige Cisterciënzerabdij trouwens meer dan 100.000 toeristen.
Bron: Historiek.net

Nog een "cadeauboek" om te krijgen, de prijs bedraagt immers 99 euro. De kans is dus klein.
Eind 10de eeuw. West-Europa staat langzaam op uit een diep dal. Na meer dan een eeuw van plunderingen en oorlogen komt er weer enige stabiliteit op het continent. Op de ruïnes van Europa begint ook de kunst weer op te bloeien. Vooral de romaanse beeldhouwkunst neemt een hoge vlucht. Getuigen hiervan zijn de talrijke meesterwerken die de eeuwen overleefden en nog steeds bewonderd kunnen worden doorheen heel Europa.
Na een voorzichtig begin ontplooide de beeldhouwkunst zich steeds zelfzekerder over de gebouwen, tot op zijn hoogtepunt in de 12de eeuw. De romaanse beeldhouwers schiepen een unieke wereld van steen, waarin zowel het angstaanjagende aardse bestaan als de hemelse glorie hun plaats kregen. De monumentale façades en portalen, ingetogen kloosters en adembenemende kerkinterieurs tonen de eindeloze inventiviteit van deze kunstenaars.
Dit boek gaat op zoek naar eenheid in de eindeloze variatie die zo typerend is voor de beeldhouwkunst van deze periode. Gemeenschappelijke inspiratiebronnen, modellen en iconografische schema’s komen aan bod, net als de talrijke varianten van populaire onderwerpen. De indrukwekkende afbeeldingen en de diepgravende tekst maken dit boek tot een onmisbaar werk voor kunstliefhebbers. Herontdek de romaanse beeldhouwkunst en laat je meeslepen door de magie van deze wereld in steen. De prachtige vertaling van Dimitri De Maesschalck doet de kunst herleven. Met inleiding van Raoul Bauer.
Romaanse Beeldhouwkunst.
Middeleeuwse verbeelding op steen.
Jean Gaborit, vertaling Dimitri de Maesschalck.
Uitgeverij Davidsfonds.
Met vele kleurenillustraties / Gebonden – ca. 438 p. / 26 x 31 cm / € 99

Met het eindejaar dat met rasse schreden nadert komt hier en daar het (dure) cadeauboek uit de lucht vallen. Cadeauboek schrijf ik omdat het meestal boeken betreft die je te duur vindt om zelf aan te kopen, een waarvan je heimelijk hoopt om het ofwel eens te "krijgen" ofwel om het na de eindejaarsfeesten goedkoper aan te kunnen schaffen (hoewel dit met de boeken van het Davidsfonds niet makkelij is).
Dit boek is zo een typisch exemplaar: bijna 60 euro voor 25§ pagina's en toch een interessant auteur, namelijk Jozef Janssens, specialist Middelnederlandse letterkunde. Meer over deze Janssens vind je op een vroeger nieuwsitem van deze club (toen hij nog actief was als prof).
De omschrijving op de website van de uitgever is als volgt:
ISBN nummer :
978 90 5826 803 7
De ondergang van het Romeinse Rijk markeert het begin van de vroege Middeleeuwen. Nadat het Romeinse leger was vertrokken uit de Lage Landen, raakten diverse Romeinse verworvenheden in verval. De bevolkingsaantallen namen af en de economie werd weer voor het grootste deel zelfvoorzienend. De infrastructuur werd niet onderhouden en ook de Romeinse cultuur - in de vorm van rechtspraak en geschreven taal - verdween. Het schrift was pas een paar honderd jaar later weer in opkomst.
Hoofdrolspelers
Chronologie476 Bron: Historisch Nieuwsblad |
‘Liefde? Een twaalfde-eeuwse uitvinding,’ stelde de Franse historicus Charles Seignobos (1854-1942), waarbij het voor hem natuurlijk evident was dat deze uitvinding in Frankrijk was gedaan. Uiteraard was Seignobos een te goed historicus om te denken dat de emotie die wij ‘liefde’ noemen voor die tijd niet had bestaan. Wel wees hij erop dat in de periode 500-1100 n.Chr. het woord amor zelden betrekking had op wat vaak wordt aangeduid met de term ‘romantische liefde’.
Aan het begin van de twaalfde eeuw kwam hier radicaal verandering in, en werden dit soort gevoelens bezongen in de poëzie die opbloeide aan de hoven in het zuiden van Frankrijk. Opeens werd er geschreven over liefde op het eerste gezicht, over het wegcijferen van persoonlijke belangen ten bate van de geliefde, over de gelijkwaardigheid van de geliefden, en over het verlangen samen het leven te delen. Over de vraag hoe het kwam dat dit nieuwe ideaal zo plotseling ontstond doen tal van theorieën de ronde. Socioloog Benjo Maso neemt ze in zijn proefschrift allemaal onder de loep. Volgens hem zijn ze echter geen van alle bevredigend, omdat ze over het algemeen slechts aandacht schenken aan één aspect van een complex fenomeen.
Dat mensen ook vóór 1100 verliefd werden, naar het samenzijn met hun geliefde smachtten en geneigd waren deze te idealiseren, blijkt alleen al uit de poëzie van de Romeinse dichter Ovidius, die vanaf de twaalfde eeuw weer bijzonder populair werd. Omdat het hoogst onwaarschijnlijk is dat dergelijke gevoelens na het uiteenvallen van het Romeinse Rijk ophielden te bestaan, kan men zich dus afvragen waarom ze gedurende de zes eeuwen vóór 1100 onderdrukt of in ieder geval verborgen moesten blijven, en waarom ze daarna ineens wel getolereerd en zelfs aangeprezen werden.
Maso wijst erop dat vóór de twaalfde eeuw het moderne concept van het staatsgezag – waarin de overheid het geweldsmonopolie heeft – nog nauwelijks van toepassing was, en dat men bij het afweren van agressie en geweld was aangewezen op zijn familie en de gemeenschap waarvan men deel uitmaakte. Aan deze betrekkelijk kleine verbanden was men strikte loyaliteit verschuldigd, zodat het voor mannen eigenlijk onmogelijk was sterke en exclusieve gevoelens voor een ander te koesteren.
Aangezien vrouwen zich vrijwel uitsluitend bezighielden met activiteiten buiten de publieke sfeer, waren voor hen gevoelens van liefde voor één specifieke persoon wel aanvaardbaar en zelfs loffelijk. Voor mannen daarentegen dienden de belangen en de veiligheid van de eigen groep absolute prioriteit te hebben.
Vanaf het begin van de twaalfde eeuw begon dit in het zuiden van Frankrijk te veranderen. Er brak een periode aan die aanzienlijk vreedzamer was en waarin de vorst meer macht naar zich toe kon trekken. Voor mannen van adel – en uiteraard ging het in de literatuur alleen over hen – ontstond een zekere ruimte om zich losser op te stellen tegenover hun verwanten en een persoonlijke carrière na te streven. Dé plek om dat te doen was in de eerste plaats het hof, waar geleidelijk omgangsvormen in zwang kwamen die sterk contrasteerden met de ‘mannelijke’ wereld van krijgers die bij het minste of geringste naar de wapens grepen.
Hoewel er veel kritiek kwam op jongelieden die veel aandacht aan hun uiterlijk besteedden en uiting gaven aan hun gevoelens werd dit gaandeweg meer geaccepteerd. Hoe dit proces verliep, en welke rol de nieuwe vormen van literatuur hierbij speelden, wordt op overtuigende wijze door Maso beschreven in dit boek, dat veel subtieler en genuanceerder is dan deze samenvatting doet vermoeden.
Moeilijk verteerbaar
Wie in dit boek stomende fragmenten over de driehoeksverhouding Arthur - Guinevere - Lancelot verwacht, komt bedrogen uit. Het ontstaan van de hoofse liefde is een wetenschappelijk, gortdroog werk. De lange, academische hoofdstukken zullen de lezer die louter wat ontspanning zoekt, zeker afschrikken. Daarbij komt dat het eerste hoofdstuk zowat onverteerbaar is. Ook de andere hoofdstukken vergen behoorlijk wat doorzettingsvermogen, maar zijn wel interessanter. Je leert heel wat bij over de middeleeuwen: de positie van vrouw, de algemene visie op liefde, de evolutie van de toen populaire literatuur, het onderscheid tussen de sociale klassen, zelfs de leefgewoontes van een vorst komen aan bod.
Schokkend is dat de gewone man (van de derde stand) niet in staat werd geacht lief te hebben en dat er ook toen al een dubbele moraal heerste: een man die een vrouw (desnoods de echtgenote van een ander) "veroverde", was een echte kerel, een vrouw die haar maagdelijkheid verloor voor het huwelijk bezoedelde de reputatie van de hele familie, en een ontrouwe echtgenote verdiende het eigenlijk om de neus afgesneden te worden. Dat soort zaken doet denken aan de taliban. Vreemd genoeg werden vrouwen wel gezien als ongeremde, wellustige wezens, die altijd en overal seks willen - vandaag de dag zal dat toch eerder beweerd worden over de man.
Het ontstaan van de hoofse liefde is een leerrijk, maar helaas een eerder saai werk. Het is de boekhandelversie van het proefschrift van een socioloog en dat merk je. Hoewel er vele interessante zaken in het werk staan, blijft dit toch vooral voer voor historici en romanisten.
Benjo Maso
Het ontstaan van de hoofse liefde
De ontwikkeling van fin'amors 1160-1230
Uitgeverij Atlas
Prijs: Euro 24.95
The Gothic Ivories Project
Het Gothic Ivory Project is echt zo'n plek die het internet alle eer aandoet. U komt er, net als wij, toevallig op terecht en een nieuwe wereld gaat voor u open. De wereld van de West-Europese beeldhouwwerkjes gemaakt uit elpenbeen, allemaal daterend uit de periode ca.1200 - ca.1530. Het beheer van deze bijzondere online database is het werk van het Londense Courtauld Institute of Art. Zij hebben, met de hulp van vele internationale instituten, deze verzameling van ivoren pareltjes kunnen ontsluiten. Een waardevolle kam. Statuettes van tuiniers. Maria met haar kind. Allemaal te bewonderen. (http://www.gothicivories.courtauld.ac.uk)
Caxton Missaal
Een zeldzaam manuscript keert terug naar zijn bibliotheek. Het betreft het Caxton Missaal. Dit zeldzaam manuscript uit de 15de eeuw werd gedrukt door de eerste engelse drukker. Na drie jaar restauratie is de bibliotheek waar het manuscript thuishoorde eindelijk weer in staat om dit gebedenboek te huisvesten. Meer info vind je op YouTube.
William Caxton (Kent, ca. 1415-1422 - Westminster, maart 1491) was de eerste Engelse drukker. Hij werd geboren in het graafschap Kent en trok naar Londen als leerling bij een stoffenhandelaar. In 1446 vertrok hij naar Brugge om zijn leertijd af te ronden en meer op te steken over de zijdehandel. Hij had succes in het zakenleven en kwam later terecht in het huishouden van Margaretha van York, de hertogin van Bourgondië en zuster van de Engelse koning. Tijdens de reizen die hierbij volgden maakte hij, onder andere in Keulen, kennis met de boekdrukkunst, die ergens tussen 1451 en 1456 was ontwikkeld door de Duitse Johannes Gutenberg. Al snel richtte hij een eigen drukkerij op in Brugge, waar in 1475 het eerste Engelstalige boek werd gedrukt: Recuyell of the Historyes of Troye, door Caxton zelf vertaald. Na zijn terugkeer naar Engeland in 1476 zette hij de eerste drukpers op in Westminster. Ook hier beperkte hij zich niet tot drukwerk, maar vertaalde zelf veel werk uit het Frans. Hij drukte onder meer Geoffrey Chaucers The Canterbury Tales (1478) en Thomas Malory's Morte d'Arthur (1485). Zijn invloed op de standaardisering van de Engelse taal en spelling is groot geweest.
Welkom bij Clubs!
Kijk gerust verder op deze club en doe mee.
Inloggen met Hyves
Inloggen met Facebook
Inloggen met Google
Inloggen met Windows Live
Inloggen met Twitter Wat is dit?Je kan je ook aanmelden via een van bovenstaande partner websites. Klik op het icoontje en je bent direct ingelogd op Clubs.nl
Of maak zelf een Clubs account aan:
Aanbevelingen door leden:
bernard-de-clairvaux



Een geweldige community over de middeleeuwen in al haar facetten. Boeken, tentoonstellingen, steden en discussies met diepgang en humor. Een Vlaams-Nederlandse samenwerking van historisch niveau!
Statistieken
Basiliek van Sint Franciscus - Assisi
Tekening definitief toegeschreven aan Jan van Eyck
22.01.2012 | 14:36
Museum Meermanno in Den Haag toont gedurende twee weken een unieke ingekleurde vroeg 15de-eeuwse tekening uit het Louvre die Claudine Chavannes-Mazel, hoogleraar kunstgeschiedenis van de middeleeuwen aan de UvA, na diepgaand onderzoek toeschrijft aan Jan van Eyck. Én dat deze tekening de oudste afb…
Lees meer…
Barbara Tuchman - een eeuw geleden geboren
08.01.2012 | 12:22
Barbara Tuchman (30 januari 1912 - 6 februari 1989).
Aan de muur boven het bureau in haar houten schrijfhut in Cos Cob hing - tussen foto's van gotische kathedralen, haar drie dochters en slagvelden van de Eerste Wereldoorlog - een door de tijd vergeeld en kromgetrokken papier met een handges…
Lees meer…
Een middeleeuws getijdenboek op handformaat
06.01.2012 | 13:55
De Koninklijke Bibliotheek (KB) en het Nationaal Archief openen volgende week woensdag een nieuw Topstukken-tentoonstelling in de Verdieping van Nederland in Den Haag. De Verdieping van Nederland is de tentoonstellingsruimte van de twee instellingen die medio 2013 zullen fuseren. In de nieuwe e…
Lees meer…
Navelnacht. Regeneratie en totaalkennis in de Middelee…
31.12.2011 | 14:16
Navelnacht verhaalt over talloze, schijnbaar van elkaar losstaande ideeën, die binnen het middeleeuwse kosmologische denken in een betekenisvol verband tot elkaar stonden. Vanuit hun symbolische geladenheid won de werkelijkheid aan zin. Een stoet van gedachten, waarvan de coherentie vaak versch…
Lees meer…
The devil's Bible (Codex Gigas)
Laatste forum onderwerpen
Rijksmuseum verwerft zeldzame treurende Maria
Miniaturen expo
Sommigen werden meer dan 1 000 jaar geleden gecreëerd en toch is het kleurenpalet net zo rijkelijk als toen ze voor het eerst geschilderd werden. De British Library stelt tot 13 maart 2012 haar rijke bron aan verluchte manuscripten voor, die werden verzameld door de koningen en koninginnen tussen de negende en zestiende eeuw – van koning Athelstan tot Henry VIII.
Gerelateerd: Royal Manuscripts at the British Library
Graduel d'Aliénor de Bretagne -
Graduel d' Alienor de Bretagne - Kyrie: Orbis factor
Grisaille miniatuur
De eerste grisailles in de miniatuurkunst verschijnen rond 1325 in Frankrijk in het werk van Jean Pucelle. Het beperkte formaat van de miniatuur brengt plastische vernieuwingen met zich mee: men spreekt van 'half-grisailles' of 'semi-grisailles' als de kunstenaar zijn tekening ophoogt met rood, blauw of groen om de vleespartijen, de haren of de achtergrond met diepte-effecten weer te geven.
Bron: Vlaamse Miniaturen.
Getijdenboekje
Een man bladert met witte handschoenen door een getijdenboek, dat teruggaat tot 1451, in het Schnuetgen Museum in Keulen, Duitsland, 02 November 2011. Een tentoonstelling, getiteld "Glanz und Größe des Mittelalters", die de hoogtijdagen van de stad Keulen verkent, zal 160 stukken tentoonstellen, gaande van middeleeuwse altaren, heiligenbeelden, tot bordspellen, en warme wijn kruiken. De tentoonstelling loopt van 04 November 2011 tot 26 februari 2012 in het Museum Schnütgen te Keulen.
Les Très Riches Heures du Duc de Berry
Cantigas de Santa María - Alfonso X el Sabio (1221 - 1284)
Pos de chantar m'es pres talens - Willem IX van Aquitanië
Club-Updates
Fra Angelico - Sint Nicolaas
Fra Angelico (1387-1455), episodes uit het leven van Sint-Nicolaas: de geboorte, de roeping en de gift aan de drie arme meisjes, van 1437. Foto naar aanleiding van de tentoonstelling Fra Angelico et les Maîtres de la lumière te Parijs.
Labyrinth van de kathedraal van Amiens
Kerk-labyrinten hebben niets met esoterie van doen. Het waren oorspronkelijk pelgrimroutes in zakformaat, voor wie noch de middelen of de tijd had om in de wijde wereld op bedevaart te gaan. De labyrinten worden dan ook dikwijls 'de weg naar Jeruzalem' genoemd. In de Middeleeuwen werd het kronkelende pad naar het midden, naar Jeruzalem of met andere woorden naar de hemel, biddend op de knieën afgelegd. De reis als allegorie voor het leven. Op zich is het niet zo'n gek idee, het leven plannen als een reis. Alleen die hemel op het einde speelt ons nog altijd parten. Zelfs al zijn we er vast van overtuigd dat het hiernamaals niet bestaat, toch leven we nog altijd in de stille hoop dat het later beter wordt. Met mijn nieuwe job, met mijn volgende vent, na mijn pensioen, als we verhuisd zijn naar dat nieuw huis, na de geboorte van ons tweede kleinkind... dan worden we gelukkig. De ontkenning van het nu en hier als enige plek van tevredenheid, is van het vreselijkste we ons ooit hebben aangedaan.

Op zaterdag 3 september 2011 opende de tentoonstelling Machtige & Mooie Middeleeuwen in De Verdieping van Nederland, de gezamenlijke expositieruimte van de Koninklijke Bibliotheek en het Nationaal Archief in Den Haag. De rijkdom van beide instellingen biedt een grote diversiteit aan prachtige middeleeuwse archiefstukken en boeken: van oorkonde tot evangelieboek, van rekening tot kroniek, van aflaatbrief tot getijdenboek.
Machtige & Mooie Middeleeuwen is van 3 september 2011 t/m 8 januari 2012 te zien.

Pracht
De middeleeuwen staan bekend om boeken en documenten met rijke versieringen en sierlijke letters. Handschriften zijn in deze periode een kostbaar bezit. Mooie voorbeelden zijn de geïllustreerde handschriften van Jacob van Maerlant, de 'Beatrijs' en de Lancelotcompilatie. Of de illustraties uit het Remissorium Philippi. Dit in leer gebonden register, geschreven in het Latijn, bevat prachtige ingekleurde illustraties op perkament, van tal van vorsten, hoge edelen en ambtenaren uit de omgeving van hertog Filips de Goede. De miniaturen in het kostbare 9de-eeuwse evangelieboek van Egmond en het getijdenboek van Filips van Bourgondië uit het midden van de 15de eeuw spannen de kroon.
Macht
Diverse middeleeuwse documenten geven ook een beeld van de machtsverhoudingen, zowel op kerkelijk als wereldlijk terrein. Bijzonder is een oorkonde uit 1179 van paus Alexander III, het oudste document uit de collectie van het Nationaal Archief. Beroemde invloedrijke figuren als Jacoba van Beieren en Filips de Goede passeren de revue. Dat de Middeleeuwen de tijd was van ridders en graven, is te zien op de kwetsbare zegels aan de documenten. Ook laat de tentoonstelling zien dat in de middeleeuwen al aan 'recycling' werd gedaan: zo is bladmuziek op perkament als boekomslag gebruikt.

Trivulzio getijdenboek
Bezoekers kunnen onder meer het vijftiende-eeuwse Trivulzio getijdenboek bekijken. De KB kreeg dit kostbare getijdenboek in 2002 in bezit. Het maakte ooit deel uit van de verzameling van de prinsen van Trivulzio te Milaan. Het getijdenboek was in de late middeleeuwen het belangrijkste gebedenboek voor leken. Vaak werden ze in opdracht vervaardigd. De middeleeuwse eigenaar van het Trivulzio-getijdenboek is niet bekend. De eigenaar was in ieder geval rijk genoeg om het kostbare handschrift te laten vervaardigen. volgens de KB had hij ook een "voortreffelijke smaak" omdat hij de miniaturen en de overige verluchting aan liet brengen door de meest vooraanstaande schilders van zijn tijd.

Oorkonde van paus Alexander III, 1179
Het NA exposeert onder meer een oorkonde van paus Alexander III uit 1179. Het is het oudste archiefstuk van de archiefinstelling. Op de oorkonde van 5 november 1179 is het zegel van paus Alexander III te vinden. De paus neemt met de oorkonde de abdij van Rijnsburg, gesticht door de graven van Holland, in eigendom aan. Hij bevestigt hiermee een eerdere overeenkomst tussen graaf Dirk VI en een van zijn voorgangers, paus Innocentius II. Rijnsburg was eeuwenlang een klooster voor vrouwen van adel. Bovendien is het de laatste rustplaats voor minstens zestien familieleden van de graven van Holland.
Locatie
De Verdieping van Nederland bevindt zich in het verbindingsgebied tussen de Koninklijke Bibliotheek en het Nationaal Archief, Prins Willem-Alexanderhof 5, Den Haag. Direct naast Den Haag CS.
De middeleeuwen staan bekend om boeken en documenten met rijke versieringen en sierlijke letters. De prachtige illustraties en schitterende miniaturen in de tentoonstelling zijn een lust voor het oog. Daarnaast geven de diverse middeleeuwse documenten een beeld van de machtsverhoudingen, zowel op kerkelijk als wereldlijk terrein, waarbij beroemde invloedrijke figuren de revue passeren. De grote rijkdom aan prachtige middeleeuwse archiefstukken en boeken toont een doorsnede van de vroege, de hoge en de late middeleeuwen.
Niet eerder is deze keur aan pracht en macht in samenhang getoond.


Emo’s Reis verbindt de Fries-Groningse landen aan het begin van de 13de eeuw met het bruisende, dynamische Europa van die tijd. Dick de Boer kijkt naar die tijd door de ogen van Emo van Huizinge, een ongeveer 40 jaar oude zoon uit een gegoed Fries geslacht, die als proost (abt) het kloostertje Bloemhof in Wittewierum tot aanzien zou brengen. Voordat het zover was, reisde Emo tussen november 1211 en juli 1212 naar Rome om steun te krijgen van de toenmalige paus in een conflict met de bisschop van Münster. ‘Superpaus’ Innocentius III was één van de machtigste pausen uit de geschiedenis. Innocentius had niet alleen een enorme gedrevenheid en intelligentie, maar was ook een baken in een woelige zee, doordat in deze periode twee kandidaten streden om het keizerschap in het Duitse Rijk, ketterijen en hervormingsbewegingen de kerk in beroering brachten en de strijd tegen de Islam in Spanje en het Heilige Land oplaaide.Intussen bloeiden handel en wetenschappen en was overal in Europa het geklop te horen van steen- en beeldhouwers die haast koortsachtig werkten aan de bouw van kerken, kloosters en kathedralen. Soms nog in de strenge, sobere romaanse stijl, vaak in de sprankelende, lichte stijl van de gotiek.
In zijn boek volgt Dick de Boer de reis van Emo naar Rome en terug, van dag tot dag, als een reisgids door het Europa van 800 jaar geleden. Het boek werkt als een tijdmachine, waarin de lezer plaats kan nemen, om daarmee zelf – in een leunstoel, op een fiets of in een auto – door dat fascinerende Europa te reizen. Mensen te ontmoeten die kleur gaven aan die tijd, troubadours, abten, edelen, hertogen; handschriften, muurschilderingen en beelden, gebouwen en landschappen te zien die acht eeuwen geleden bestonden en nog steeds te zien zijn. Zo volgt de lezer Emo via het piepkleine kloostertje van St. Gerlach in Houthem naar het reusachtige moederklooster van Prémontré bij Laon, reist hartje winter over de Alpenpas van de Mont Cenis naar Rome. Bezoekt het middeleeuwse Rome, ineengeschrompeld binnen de oude muren, waar koeien graasden op het Forum en schapen op het Circus Maximus, en waar tientallen kerken verrezen. De lezer maakt kennis met de problemen die het pausdom bezighielden en met de stroperige bureaucratie van Rome en hij volgt Emo op zijn terugtocht naar het noorden, via Bologna en Milaan, achter de legerbenden van de ene keizer aan en voor die van de andere keizer uit. Via de bisschopssteden en de kleinen Joodse gemeenschappen langs de Rijn, en langs Münster terug naar huis. Meer dan 800 illustraties en vele tientallen ‘tekstillustraties’ in de vorm van vertaalde citaten uit heiligenlevens, kronieken, brieven en oorkonden maken het tot een heel levendig boek. Het is fantastisch vormgegeven door de Harense grafisch ontwerper Jan Kees Schelvis, die in zijn ontwerpen letterlijk de rode draad van de reis heeft verwerkt tot schematische kaarten per reisetappe.
Het boek is de vrucht van een fascinatie van De Boer van ruim 20 jaar, die vijf jaar geleden in echt onderzoek werd omgezet. Voor de reconstructie van de reis werkte De Boer deels samen met de schrijfster-kunstenares Ynskje Penning, die op basis van dit thema de historische roman, Emo’s Labyrint schreef.
Emo’s Reis wordt uitgegeven door de Uitgeverij Noordboek, ISBN 978 90 330 07 880, 29.95 euro, 496 blz.
Firenze - Palazzo Vechio
Kapel van de Priori in het Palazzo Vecchio (= het oude paleis) of Palazzo della Signoria. De republikeinse stadsregering, de Priori (de hoofden van de gilden), woonde in de twee maanden dat ze in functie waren, in het paleis. en hadden daar hun eigen kapel. Hun appartement in het paleis bestaat niet meer als zodanig, want die zijn allemaal opnieuw ingericht toen (groot)hertog Cosimo I het paleis betrok. Maar deze kapel dus wel. De kapel is van 1511 en kreeg in 1514 zijn huidige aanzien met het gewelfde plafond. De decoraties zijn van Ridolfo del Ghirlandaio (1449-1494). Het schilderij boven het altaar is van Mariano da Pescia, leerling van Ghirlandalo. In deze kapel, geweid aan Sint Bernardinus, zei Girolamo Savonarola zijn laatste gebeden alvorens hij werd terechtgesteld op de Piazza della Signoria door verbranding. Het hoofdgebouw van het Palazzo werd gebouwd in de periode 1298-1314 door architect Arnolfo di Cambio.
Het timpaan van Conques
Guillaume de Machault
Stories to watch
Expo in het Getty Museum : "Stories to Watch: Narratives in Medieval Manuscripts". Meer info plus een educatieve film op: http://www.getty.edu/art/exhibitions/stories_watch
In de Zutphense Walburgiskerk is veel moois te zien en die ga ik natuurlijk niet allemaal verklappen. Sommige details snap ik na al die jaren nog niet precies. Zo ook de raadselachtige ridder die op 1 van de pilaren is geschilderd. Het is geen St-Joris, want die heeft zijn kleuren 'andersom' en ook de draak is onvindbaar.
Gisteren vond ik een weblog die een plausibele verklaring geeft voor deze stoere ridder: het is de bisschop van Utrecht! Ik ga hier niet wijsneuzerig dat verhaal herhalen en verwijs jullie dus naar het artikel. Erg leuk zo'n ontdekking! Er zijn overigens meer banden dus de Walburgis en Utrecht....
Liturgische kam
Een liturgische kam is een kam die gebruikt wordt om de haren te kammen van een bisschop tijdens de consecratie, na gebruik van de heilige oliën. Op deze ivoren kam uit de tweede helft van de 12de eeuw, bewaard in het museum La Princerie in Verdun, ziet men het laatste avondmaal aan de ene kant en de graflegging van Christus aan de andere kant. Men vermoedt dat de kam uit Engeland komt meer bepaald uit Winchester.