
Welkom op deze club over de middeleeuwen




In deze club volgen we het nieuws op over de middeleeuwen: nieuwe inzichten, analyses, boeken, tentoonstellingen, films, strips, levende geschiedenis, re-enactment en last but not least, de reisverslagen van onze clubleden. Kortom elk evenement dat ook maar een link heeft met de middeleeuwen krijgt een plaats op deze club. Het kan dus ook een belevenis of ervaring zijn van een clublid, daarvoor dient vooral het forum. Op de blogberichten kan je ook je reacties kwijt. Naast het vele nieuws heb je ook nog plaatjes in de fotoalbums en enkele links.
De naam van de club verwijst naar het boek De Kathedralenbouwers van de franse historicus G. Duby: de middeleeuwers waren immers bij uitstek kathedralenbouwers. Dit boek heeft mij begeesterd en het middeleeuwse vuur wakkerde voor eeuwig aan door "De naam van de Roos" van de erudiete Umberto Eco.
Alle links van deze club en nog vele andere links naar websites over de middeleeuwen vind je op de startpagina: "Middeleeuwen.2link.be", ook beheerd door de operator van deze club.
De periode voor de middeleeuwen, namelijk de Prehistorie en de Oudheid, wordt behandeld in de club "Van Prehistorie tot Middeleeuwen".
Ben je een toevallige gast? Wordt gratis lid, of laat iets horen op het forum of mail de eigenaar van deze club op calamandja@yahoo.com.




Reeds sedert 2008 organiseert de club Kathedralenbouwers jaarlijks een clubbijeenkomst. Na Utrecht (2008), Brugge (2009), Delft (2010), Zutphen (2011) is de vijfde clubdag dit jaar 2012 gepland op zaterdag 2 juni in Kortrijk. Wens je mee te doen, laat het dan weten via het forum.
Hieronder vind je het verslag van de clubdag van 2011.
De vaste volgers van deze club hadden de nerveuze spanning natuurlijk al waargenomen: 28 mei stond in het teken van de jaarlijkse Clubmeeting van de Kathedralenbouwers. Voor de vierde keer alweer zou dé online community over de middeleeuwen elkaar ontmoeten, dit maal in het pittoreske Zutphen. De meeting kent inmiddels een vaste hoeveelheid rituelen, die begint met een half jaar discussieren over de locatie. Vervolgens staat het forum een half jaar bol met praktische en inhoudelijke berichten. De Kathedralenbouwers gaan immers niet over 1 nacht ijs. Dit jaar fungeerde Clublid Bernard-de-Clairvaux als gastheer. Logische reden: hij woont in Zutphen. Het moge duidelijk zijn dat hij een stevige lobby heeft gevoerd voor zijn hanzestadje. Om de dag nog verder op-te-middeleeuwen werd ook Huis Bergh aan het programma toegevoegd.

28 mei was dus de grote dag en om 10.00 uur troffen de eerste bouwers elkaar op het terras van het Eden Hotel, tegenover de Walburgiskerk. De Vlaamse gasten hadden gekozen voor een voor-overnachting om maximaal te kunnen profiteren van de verre reis. Vanzelfsprekend betrof dit de opperbouwer Calamandja en de grotere literator Maerlandt, inclusief hun aanhang. Even later arriveerden Marjoke en Antonius met hun wederhelften en was het gezelschap compleet. In een flauw zonnetje werd de eerste koffie en cola naar binnen gewerkt om aangesterkt het eerste programmaonderdeel binnen te lopen: de Walburgis. Deze kerk kent diverse bouwfases en heeft in de loop der eeuwen de gedaante aangenomen van een kleine kathedraal. Belangrijk onderdeel van de kerk is de Librije, een laatmiddeleeuwse kettingbibliotheek. Deze boekenverzameling is een Europese zeldzaamheid en figureerde op diverse verlanglijstjes. De Kathedralenbouwers hadden de eer om rondgeleid te worden door mevrouw Aartje Bos-Oskam, schrijfster van het boek 'De Kaarsenkroon van de Sint Walburgiskerk'.

Hiermee is meteen ook een ander hoogtepunt genoemd. Mevrouw Bos-Oskam vertelde vol overgave over de symboliek achter de bijzondere kroonluchter. De eenhoorn en de mystieke jacht stonden hierbij centraal. De bouwers verlieten (natuurlijk) met enige vertraging de kerk en konden meteen aanschuiven bij een heerlijk lunchbuffet in het Eden Hotel. Vervolgens verzorgde clublid Bernard-de-Clairvaux een korte rondleiding langs de diverse historische highlights van de stad. De Vikingaanval van 890, de Karolingische ringwal, de vele resten uit de Hanzetijd, de Broederenkerk (zou Meister Franke daar gewoond hebben?) en de stadsmuur. Hij gaf volmondig toe dat zijn kennis de laatste weken was opgevijzeld tijdens een avondcursus van de stadsarcheoloog.

Na dit turborondje door de stad reisde het gezelschap naar Huis Bergh. Stipt om 15 uur wandelde men dit schitterende burchtcomplex binnen. Huis Bergh is niet alleen een schoolvoorbeeld van een doorontwikkeld middeleeuws kasteel, het hangt ook vol met kunst. Daarnaast heeft het een bewogen geschiedenis, waarbij de bewoners garant stonden voor politiek en militair avontuur. Een ideale combinatie voor de Kathedralenbouwers dus. Momenteel staat het kasteel in het teken van de Jacht op de....Eenhoorn! Ja, er is nagedacht over dit dagprogramma. Ook hier stond dus de symboliek van de eenhoorn centraal, ondersteund met veel originele prenten en miniaturen. Er was zelfs een originele narwal-schedel te zien, inclusief hoorn. De vaste collectie, verzameld door textielbaron J.H. van Heek, bevatte ook veel middeleeuws moois. Een beklimming van het donjon mocht natuurlijk niet ontbreken. Het uitzicht bevestigde meteen de strategische positie van 's Heerenbergh. Intussen duizelden de Kathedralenbouwers van de indrukken en moest er dringend bijgetankt worden op het terras van het kasteel.

Vakantieplannen, boeken, tentoonstellingen, namaak-trappist...alles passeerde de revu. De dag werd besloten met een dinertje in het naastgelegen binnenstad. Grand Café de Snor serveerde een prima 3-gangenmenu, dat door de Kathedralenbouwers met nog meer gespreksstof werd omlijst. Rond 20 uur trok het middeleeuws gezelschap de stad weer uit. Aan de slotgracht van Huis Bergh werd hartelijk afscheid genomen. Een beter decor was niet denkbaar: de Kathedralenbouwers kunnen weer terugkijken op een legendarisch queeste...en dagdromen over de volgende Clubmeeting.




Foto van de clubleden op de derde clubbijeenkomst in Delft (2010):
Foto van de aanwezige clubleden op de tweede clubbijeenkomst van de Kathedralenbouwers te Brugge op 18 april 2009. Op het programma stond een bezoek aan de tentoonstelling "Karel de Stoute - Pracht & Praal in Bourgondië 1433 - 1477". Terug een gezellige & leerrijke bijeenkomst.
.jpg)




De Onze-Lieve-Vrouwekerk is een kerk in de historische binnenstad van de Belgische stad Kortrijk. De kerk, die vroeger deel uitmaakte van het grafelijke domein, is op heden een van de oudste gebouwen van de stad en is een beschermd monument.
Geschiedenis
De bouw van de Onze-Lieve-Vrouwekerk in Kortrijk werd in 1199, op initiatief van graaf Boudewijn IX van Constantinopel opgestart. In december 1203 hield men de eerste eredienst in het koor van de nieuwe kapittelkerk.
De kerk speelde een belangrijke rol in de geschiedenis van het graafschap Vlaanderen. Ze lag binnen het grafelijk domein van Kortrijk dat, op uitzondering van het deel dat aan de Leie lag, volledig ommuurd en omwald was. Ze maakte zo deel uit van een burcht met een oppervlakte van ongeveer 1 hectare.
Boudewijn IX, die in 1202 op kruistocht vertrok en in april 1205 spoorloos verdween, zag de kerk nooit afgewerkt. Het was nochtans zijn bedoeling om hier de relikwie van het Heilig Haar onder te brengen, dat zijn grootoom Filips van de Elzas tijdens de derde kruistocht van het Heilig Land had meegebracht. In 1205 telde het kapittel 12 kanunniken en een deken.

De Fransen bouwden hier in 1300 en 1301 een dwangburcht bovenop de grafelijke burcht. Ze werd voorzien van een verdedigingsgracht (zie foto). Het driebeukig schip van de kerk en de kruisbeuk bevinden zich nog altijd in de originele toestand. Na de Guldensporenslag in 1302, die vlak in de buurt op het Groeningeveld plaatsvond, hingen de Vlamingen 500 gulden sporen van gedode Franse ridders in het koor op, als dank aan O.L.V. van Groeninge. Bretoense huursoldaten namen ze, samen met andere kostbaarheden van de kerk, in 1382 mee na de slag bij Westrozebeke. Ze werden later door kopieën vervangen die nog altijd in de kerk aanwezig zijn. De soldaten verwoestten ook de grafelijke burcht.
In 1404 hield de lijkstoet van Filips de Stoute hier halt op zijn weg van Halle naar Dijon. In de loop van de 15e eeuw werd de kerk hersteld en verbouwd. De burcht werd niet hersteld maar door Jan zonder Vrees overgedragen aan het kapittel om zijn schulden te delgen. Het kasteel werd volledig afgebroken en het terrein verkaveld (de huidige O.L.V.-straat, Konventstraat, Guido Gezellestraat, Kapittelstraat en Pieter de Cockelaerestraat). Alles wat restte van het domein was de kerk, de zuidelijke Broeltoren en de artillerietoren.
Op 27 juli 1578 werd de kerk grondig door de Geuzen geplunderd en vernield. De herstellingen gebeurden op kosten van de stad.
In 1794 werden eerst drie kostbare schilderijen waaronder de Kruisoprichting van Antoon Van Dyck door de Fransen in beslag genomen, in 1797 de hele kerk. 12 kloosters, kapellen en kerken werden als openbaar domein te koop gesteld. Het gebruik van de kerk als opslagruimte voor graan en bier redde ze van de sloop. Kanunnik Robette slaagde erin stiekem de kerk aan te kopen. Bij het afsluiten van het concordaat tussen Napoleon Bonaparte en Paus Pius VII kon het kerkelijk leven opnieuw hervatten en werd de kerk de parochiekerk van de nieuw gestichte Onze-Lieve-Vrouweparochie. In 1817 kon men schilderij van Van Dyck recupereren.
De Duitsers haalden op 2 maart 1944 de 6100 kg zware Maria-klok uit de toren waarbij het stenen gewelf van de toren werd opengebroken. In juli 1944 werd de kerk door twee luchtaanvallen zwaar beschadigd toen 1500 ton bommen op Kortrijk werden uitgegooid. In oktober 1945 werd de vernielde klok in Duitsland teruggevonden. De brokstukken werden snel opgehaald om een nieuwe te gieten van exact dezelfde omvang en gewicht (Michiels in Doornik). Het is de vijfde grootste van het land, na Mechelen, Doornik, Maredsous en Gent. De definitieve restauratie van het kerkgebouw, onder impuls van pastoor Jan De Cuyper, startte pas in 1961. De onderwerpen van de 47 brandglasramen accentueren het grafelijk karakter van de kerk (graven van Vlaanderen, geharnaste ridders tijdens de Guldensporenslag...).
Interieur
Kanunnik Roger Braye bestelde bij Antoon van Dyck een schilderij om het altaar ter ere van de Heilige Blasius te versieren. Het zou de kruisoprichting van Jezus voorstellen. Op 9 mei 1631 werd het schilderij van Antwerpen naar Kortrijk overgebracht.
In 1770 bestelde men bij de internationaal bekende Vlaamse orgelbouwer Van Peteghem een nieuw exemplaar.
In de Gravenkapel bevinden zich geschilderde portretten van de graven van Vlaanderen.

GRAVENKAPEL
De Gravenkapel werd gebouwd naar het voorbeeld van de Sainte-Chapelle te Parijs als mausoleum voor graaf Lodewijk van Male ter ere van de Heilige Catharina.
Geschiedenis
Uit 1371 dateren drie pauselijke oorkonden waarin de kapel vermeld wordt die graaf Lodewijk van Male - geboren op 25 november 1330, feestdag van de Heilige Catharina- ter ere van deze heilige heeft laten bouwen te Kortrijk. De aanvang van de bouwwerken van de kapel mag dus waarschijnlijk kort voor 1370 gesteld worden. De bouwwerken werden voltooid in Brabantse stijl.
De conceptie van de Gravenkapel is geïnspireerd op de bovenkapel van de in 1248 ingewijde Sainte-Chapelle te Parijs (vier traveeën, wanden bestaande uit muurnissen en vensters).
Graaf Lodewijk van Male verkoos deze kapel om er begraven te worden. Daarom stichtte hij op 30 mei 1374 in de kapel drie kapelnijen, waarvoor hij reeds op 16 oktober 1371 van paus Gregorius XI toelating bekomen had. De eerste vermeldingen van het grafmonument van Lodewijk van Male waaraan André Beauneveu arbeidde dateren uit 1374. Na de zege te Westrozebeke (1382) plunderden Bretoense huurlingen uit het Franse leger Kortrijk en staken daarna de stad in brand, waarbij ook de Gravenkapel niet gespaard bleef. De brand uit 1382 heeft waarschijnlijk de kappen en de daken niet vernield. In 1410 wordt de Gravenkapel grondig hersteld. In 1386 wordt het Catharinabeeld van Beauneveu aan het kapittel overgemaakt.
De polychromie in de Gravenkapel dateert uit de 19de eeuw, maar is gesteund op teruggevonden overblijfselen. In de jaren 1970 werd de 19de-eeuwse polychromie verwijderd zodat de oorspronkelijke beschildering weer zichtbaar werd.
Kunstschatten
- De portretten van de graven van Vlaanderen
Alle versierde nichen werden gedecoreerd met geschilderde portretten van de graven van Vlaanderen. Er wordt aangenomen dat Jan van Hasselt, hofschilder van Lodewijk van Male en degene die de nieuwe kapel inrichtte, de eerste reeks portretten heeft vervaardigd beginnende met Liederic de Buctot tot aan zijn meester Lodewijk van Male. De afbeeldingen van de opvolger van Lodewijk van Male werden uitgevoerd door Melchior Broederlam in 1407. De daaropvolgende portretten tot en met Keizer Karel zijn het werk van onbekenden. Dit geheel van portretten vormt een waar verhaal door de tijd van het Graafschap Vlaanderen.
- Het beeld van Sint-Catharina
Het beeld van de Heilige Catharina in albast is het werk van beeldhouwer André Beauneveu. In 1374 gaf graaf Lodewijk van Male de beeldhouwer Beauneveu de opdracht een grafmonument te maken om in de Gravenkapel te plaatsen, die hij als zijn grafkapel had laten bouwen. Het monument werd echter niet voltooid. Daarnaast heeft de graaf ook een beeld van de patroonheilige voor zijn nieuwe kapel laten maken. Dit beeld is nu een van de pronkstukken van het interieur van de Gravenkapel. In 1566 werd, op een nacht, het Catharinabeeld uit vrees voor de Beeldenstorm, samen met andere kunstwerken in de grond verborgen en er later weer uitgehaald.
De Heilige Catharina draagt een kroon op het hoofd en houdt in de linkerhand een wiel, bezet met scherpe punten, en in de rechterhand een zwaard. Deze attributen worden verklaard door de lotgevallen van de heilige. Het Kortrijkse Catharinabeeld is een laat voorbeeld van de 14de-eeuwse internationale stijl die gekenmerkt wordt door een modieuze S-vorm, een lieftallige, onpersoonlijke glimlach en een sierlijk-kunstmatig plooienspel van de kledij, dat aan opgerold perkament herinnert.
- de brandglasramen
De onderwerpen van de brandglasramen accentueren het grafelijk karakter van de kapel (onder meer graven van Vlaanderen en geharnaste ridders tijdens de Guldensporenslag).
- de 102 gebeeldhouwde zwikken
De 102 zwikken die de nissen vormen voor de portretten van de graven van Vlaanderen zijn allen gebeeldhouwd. Het geheel van de sculpturen zijn het werk van de befaamde beeldhouwer André Beauneveu.
Trivia
Guido Gezelle was onderpastoor van de parochie tussen 1872 en 1889.
Bij restauratiewerken in het begin van de twintigste eeuw vond men de grafsteen uit 1220 terug van deken Aegidius, de eerste deken van het kapittel. De grafsteen vormt het fundament voor de linkerpijler van het oude koorgedeelte en zijn kist kan dus niet worden bovengehaald.
1) HET OUDE WAPEN VAN DE VLAAMSE GRAVEN
Beschrijving van het oude wapen van de Vlaamse graven:

(1) Gegeerd in acht stukken van azuur en goud; hartschild: keel.
(2 en 3) Gegeerd in twaalf stukken van azuur en goud; hartschild: keel.
Naargelang de bronnen is het wapen "Oude Vlaenderen" gegeerd van acht of twaalf stukken. Het wapen gegeerd in acht stukken is opgedeeld volgens de vier hoofdlijnen, terwijl voor het wapen gegeerd in twaalf stukken al dan niet de hoofdlijnen gebruikt worden.
Hier werd soms nog aan toegevoegd: het "timbre" goudgekroond met twee armen en handen van wildemannen,tussen twee pauwe-vluchten of hermelijn vluchten en de "hachements" van azuur en hermelijn.
De tweede vorm van het het oud vlaamse schild maakt nu nog deel uit van het wapen van West-Vlaanderen.
OORSPRONG VAN HET WAPEN
Volgens een studie van E. Warlop zijn de beschrijvingen van het wapen "Oude Vlaenderen" allemaal van nà het gebruik ervan, en is er zelfs geen enkel wetenschappelijk feit waaruit vaststaat dat de eerste graven van Vlaanderen dit wapen daadwerkelijk voerden. Het wapen moet dan ook enkel gezien worden volgens zijn rol in de ontstaansgeschiedenis van de Vlaamse Leeuw.
Jan de Lange van Ieper ,beter bekend als
Iperius abt van de St-Bertijnsabdij († 02.01.1383) in zijn "Chronica monasterii Sancti Bertini" vermeld over Liederik van Harelbeke, forestier van Vlaanderen en voorganger van de Vlaamse graven "Hic arma detulit auri et lazuri distincta pyramidibus in umbonis centro scuto rubeo iunctis. Ipse est stipes et radix a quo Flandriae comites processerunt, qui omnes hec armorum detulerunt usque ad Philippum, qui aurum cum nigro leone sua probitate conquisivit. -- Hij droeg een wapen van goud en lazuur in pyramide vorm verlopend naar het centrum gevormd door een rood navelschildje. Hij is de stamvader van alle volgende Vlaamse graven die allen dit wapen droegen tot Filips , die een zwarte leew op gouden veld door zijn rechtschapenheid veroverde."
Hoewel Vredius al in 1639 sceptisch stond tegenover dit verhaal ziet men dat een ernstig historicus als E. De Bussher met alle middelen de waarheid ervan tracht te bewijzen en uitvalt tegen Ch.Piot die het aandurfde het gegeerde wapen als "une singulière méprise" te beschouwen.
- Afbeeldingen
In de gravenkapel van O.L.Vrouwkerk van Kortrijk waarvan de bouw in 1371 begonnen werd door Lodewijk van Maele en de schilder Jan van Hasselt omstreeks 1374 alle graven, tot en met zijn opdrachtgever uitbeeldde ziet men Filips van den Elzas afgebeeld met het Leeuwenwapen maar aan zijn voeten het gegeerd schild. In de veertiende eeuw was men er dus van overtuigd dat het gegeerd wapen ooit gevoerd was en door Filips vervangen door de Leeuw.
De twaalfde eeuwse afbeeldingen van de graven van Vlaanderen in het cartularium van de abdij van Marchiennes tonen ruiterbeelden van Boudewijn V, Karel de Goede, Dirk en Filips van den Elzas. Op de schilden kan men geen wapen ontwaren.
- Zegels
Ook op de zegels van de graven van Arnulf I tot en met Diederik van den Elzas valt geen wapen te ontwaren, alhoewel bij verschillende types de buitenkant van het schild goed te zien is. Uitzondering is een schild van Robrecht de Fries op een ruiterzegel van 1072 waarop een leeuw voorkomt. Het betreft echter een zegel dat pas eind twaalde, begin dertiende eeuw vervaardigd en aan een oorkonde van 1072 bevestigd werd. Op geen enkel bekend zegel komt dus het gegeerde wapen voor
- Grafmonumenten
Van de grafmonumenten van de Vlaamse graven is er ontstellend weinig overgebleven. Alleen van het grafmonument van Boudewijn V († 1067) is een beschrijving van ca 1620 door de tekenaar Antonio de Succa overgebleven "zijn schild is Oud-Vlaanderen, aan zijn voeten ligt een Leeuw". Omstreeks 1360 werd de kerk waarin de grafzerk lag herbouwd en een tombe op het graf opgericht. Het is dit monument, dat in 1763 zou verdwijnen, dat de Succa beschrijft. Of het gegeerde wapen ook op het oorspronkelijke graf voorkwam blijft onzeker.
Robrecht de Fries († 1093)werd begraven in de St-Pieterskerk te Cassel. In 1131 brandde de kerk af en in 1181 werd Robrecht opnieuw bijgezet in de herniewde kerk. In 1787 werd ook deze kerk gesloopt en herbouwd van 1789 af. In 1795 werd de tombe van Robrecht vernield; een fragment van zijn ligbeeld werd in 1849 teruggevonden. Of er op het schild iets afgebeeld was kon niet meer uitgemaakt worden.
Op de voorkant van het graf van Robrecht II († 1111) zou volgens Dom Pronier (ca 1600) het wapen van Vlaanderen geprijkt hebben. De auteur vermeldt echter niets over het uitzicht van dit wapen.
Van het grafmonument van Willem Clito († 1128) in de St-Bertijnsabdij van St-Omaars blijven alleen twee tekeningen van Antonio de Succa en Jacob Filips van Hannon uit Bavikhove, prior van St-Bertijns, over. De eerste tekening dateert van ca 1610, de tweede van kort vóór 1639. Het schild van graaf Willem is iets bijzonders. Het gaat om een Normandisch schild. De umbo (navel=centrale deel van het schild) wordt voorgesteld als een dubbele cirkel waarin een geknopt vijfblad en waaruit vertrekken:
acht korte driehoekige stralen als van een ster
acht stralen naar de randen van het schild die versierd zijn met motieven bestaande uit een doorboord ruitje tussen twee driehoekjes geplaatst in de richting der stralen

Rechts, Godfried van Anjou.
Hier staat men dus voor iets dat kan doorgaan als een gegeerd schild met een umbo eroverheen. Het is echter de vraag of de figuren alleen maar versterkende elementen waren met versierende functie of een echte heraldische voorstelling. Volgens Warlop vindt men verschillende schilden met radkruis en ook schilden (oa Godfried Plantagenet, graaf van Anjou) met radkruis, umbo én heraldische figuur, wat bewijst dat het radkruis geen betekenis had. Ook is het zo dat in de twaalfde eeuw het radkruis of karbonkel nog niet als wapenteken werd beschouwd. In de 13e eeuw vindt men wel gegeerde wapens. Het ziet er naar uit dat de afbeelding van Willem Clito niet kan aangevoerd worden voor het bestaan van het gegeerd wapen "Oud-Vlaanderen", maar het kan wel het uitgangspuntgeweest zijn voor het verhaal over en de reconstructie van het wapen. Volgens Warlop zou Iperius het wapen hebben uitgevonden en werd dit snel aanvaard in heraldische kringen (cfr ca 1370 neemt Gelre het reeds op in zijn wapenboek en wordt het afgebeeld op de herstelde graftombe van Boudewijn V en ook op de muren van de gravenkapel geschilderd).
Het verhaal van Iperius dateert uit de tweede helft van de veertiende eeuw -twee eeuwen na de feiten- en kan bijgevolg niet juist zijn. Geen enkel wetenschappelijk vaststaand feit bewijst trouwens dat de graven ooit "Oude Vlaenderen" als schild gevoerd hebben! Alle bekende beschrijvingen en afbeeldingen dateren van nà het verhaal van Iperius. Volgens Warlop vinden ze vermoedelijk dan ook hun oorsprong in dit verhaal, dat met bepaalde bedoelingen verspreid was.
2) HET NIEUWE WAPEN VAN DE VLAAMSE GRAVEN
Beschrijving van het nieuwe wapen:

In goud, klimmende leeuw van sabel, getongd en genageld van keel. Tot in de zestiende eeuw was de leeuw getongd en genageld van sabel.
GESCHIEDENIS VAN DE VLAAMSE LEEUW
- De Mythe
Volgen Iperius voerde Filips van den Elzas als eerste het leeuwenwapen dat hij " sua probitate conquisivit " dit feit zou al enige tijd vóór bekend zijn geweest. " Ly Mureur des Histoires" van Jean des Preis , dit d'Outremeuse (°133+ 1399) vertelt dat Filips het schild zou veroverd hebben op Caquedent, I puissant soudain qui estoit de Affrique, tijdens een tweegevecht bij de belegering van Milaan. Deze passus schijnt terug te gaan op een " Livre de Baudoyn conte de Flandre"; waarvan de oudste versie uit de veertiende eeuw dateert.
In ieder geval is het duidelijk dat van de tweede helft van de veertiende eeuw de traditie bestond dat Filips het wapen veroverde op een mohammedaanse vorst en dit werd gesitueerd tjdens de kruistocht van 1177. Bij zijn terugkeer deed de graaf afstand van "Oude Vlaenderen" en nam de zwarte leeuw aan.
Dr. E. Warlop stelt vast dat de leeuw voor het eerst verschijnt op een zegel van Filips van de Elzas in 1162, dus vijftien jaar vóór de "verovering" in het Heilige Land (maar ook voor 1173 wanneer Filips voor het eerst naar het H.Land trekt). De oorsprong van de Vlaamse Leeuw moet dan niet gezocht worden in het Heilige Land, maar in de omgeving van Filips van de Elzas zelf. Dit zegel, van het ruitertype, vertoont de graaf met op het hoofd een cylindervormige helm met neusstuk waarop zijdelings een klimmende leeuw is afgebeeld. Het tegenzegel is eveeneens van echt ruitertype: de ruiter draagt, zoals op het grote zegel, een metalen helm met klimmende leeuw, alsook een schild en een banier met de leeuw. Toch bewijst niets dat Filips van den Elzas de eerste was om de leeuw tot zinnebeeld te nemen.
- Leeuwen in de Omgeving van Filips van de Elzas
Vier jaar vóór het zegel van Filips, in 1158, verschijnt er op het tegenzegel van Willem van Ieper een rechtsgaande leeuw. Willem kan dit wapen geërfd hebben van de vroegere graven, of meegebracht hebben uit Engeland, waar hij twintig jaar verbleef als aanvoerder van huurtroepen in dienst van de koning. Indien hij het van zijn vader zou hebben geërfd zou het leeuwenwapen het symbool zijn van Willems aanspraken op de Vlaamse gravenkroon. Aanspraken die al van bij het overlijden van Boudewijn VII in 1119 dateerden. Dit betekent dan dat de gaande leeuw al vóór 1120 door de graven van Vlaanderen zou gevoerd zijn. De verovering van het embleem in het Heilig Land zgn door Filips van de Elzas kan dan door Robrecht II of door Willem van Lo gebeurd zijn.
Willem kan het ook gekozen of verkregen hebben wegens zijn verblijf in Engeland waar hij tijdens een kruistocht van zijn ouders onder bescherming stond van de Engelse koning, Stefaan van Blois, die hem het graafschap Kent schonk. Hendrik II Plantagenet volgde Stefaan op en wist Willem in 1155 het land uit te werken maar bleef de inkomsten van Kent wel betalen aan Willem tot in 1157. Het is niet geweten of Stefaan een embleem voerde. Wel voerde hij zoals Willem I de Veroveraar en Hendrik I het kruisbanier. Uit hoofde van zijn vrouw Mathilde was Stefaan ook graaf van Boulogne en Eustaas III van Boulogne (1093-1123), zijn schoonvader liet een munt slaan waarop een gaande leeuw voorkomt, latere graven van Boulogne voerden echter geen leeuw meer. Het is dus mogelijk dat Willem de leeuw kreeg van Stefaan maar de aanwijzingen daarvoor zijn zwak.
Hendrik II Plantagenet voerde gaande leeuwen in zijn schild. Hij was ook heer van Rouen en het oudst bekende zegel van deze stad vertoont een rechts gaande leeuw (1122). Ook Willem van Gloucester (+ 1173/82), een neef van Hendrik II, gebruikte een zegel waarop een naar links gaande leeuw afgebeeld was. Kan Willem het wapen van Hendrik II gekregen hebben ? Gezien hij inkomsten bleef betalen aan Willem ondanks zijn uitwijzing kan de verhouding toch niet zo gespannen geweest zijn.
Vast staat dat Willem de leeuw gebruikte vóór het op het wapen van Filips verscheen. Of het feit dat de leeuw van Willem gaande was en niet klimmend iets te maken heeft met het cirkelvormig voorwerp waarop hij was afgebeeld en eventueel ook klimmend zou worden voorgesteld op het schild is niet te antwoorden. Deniers (=munten) te Aire geslagen onder Filips van den Elzas laten op het cirkelvormig oppervlak ook een gaande leeuw zien terwijl we weten dat hij hem klimmend voerde op zijn schild. Warlop geeft er echter de voorkeur aan op het concreet gegeven van de gaande leeuw te steunen. Tot zover de leeuw van Willem
Waar haalde Filips het embleem vandaan ? Filips kan het wapen ook gekozen hebben als zoon van Sybilla van Anjou, zuster van Godfried Plantagenet, die een schild voerde met twee klimmende (rechtopstaande en naar links gekeerde) leeuwen.(zie afbeelding hierboven)
Anderzijds werd Filips, bij het vertrek van zijn vader Dirk naar het Heilig Land, onder bescherming geplaatst van Hendrik II Plantagenet, heeft dit ook zijn invloed gehad ?
Waarom voerde Filips dan een klimmende en geen gaande leeuw ?
- Betekenis van de Leeuw
In de twaalfde eeuw begon de gaande leeuw, eigenlijk een verre afstammeling van de draak, het zinnebeeld te worden van het heidendom en van opstandigheid tegen de kerk. De klimmende leeuw werd echter het zinnebeeld bij uitstek van de christelijke ridder. Het ligt dus voor de hand dat Filips van de Elzas, die zelf tweemaal naar het Heilige Land trok, dit symbool op zijn schild plaatste.
Een tweede reden kan zijn dat zowel Diederik als Filips van de Elzas beslag wilden leggen op het nalatenschap van Willem van Ieper, ten nadele van diens onwettige maar gelegitimeerde zoon Robrecht. Om het gevaar van usurpatie te voorkomen werd het wapen van Willem echter niet letterlijk overnomen: de gaande leeuw werd een klimmende. De afstammelingen van Willem voeren trouwens de leeuw niet meer in het schild.
De gaande leeuw paste bovendien beter in een driehoekig gotisch schild.
Het verhaal van de verovering van de leeuw op de Sarrazenen diende daarom waarschijnlijk als verdoezeling voor de minder fraaie werkelijkheid tegenover Willem van Ieper.
- Kleur en metaal van de Vlaamse Leeuw
R. Harmignies stelt dat Filips van den Elzas omstreeks 1160 het oude gegeerde wapen verving door een gouden leeuw op keel (=rood) veld. Boudewijn VIII van Vlaanderen zou daar dan een zwarte leeuw op gouden veld van gemaakt hebben , zijnde de kleuren van her Roomse Rijk en de Gibellijnse partij. Maar
1.zolas hoger vermeld is nergens bewezen dat de oude graven een gegeerd schild zouden gevoerd hebben.
2.dat de leeuw oorspronkelijk van goud was (wat trouwens best bij zijn natuurlijke kleur past) zoals de meeste heralische leeuwen uit deze tijd (Hendrik van Saksen 1144, Welf van Toscane 1152, Godfried Plantagenet 1151 enz) is niet onmogelijk. Maar van zodra een gekleurde afbeelding van de leeuw vershijnt is deze van sabel (Psalterium van Gwijde van Dampierre).
3.In plaats van een politieke kleur kan de gouden leeuw van Angevijnse oorsprong sabel geworden zijn als breuk.
- Was de Vlaamse leeuw getongd en geklauwd van keel ?
De Afbeeldingen
De eerste gekleurde afbeelding van de leeuw komt voor in het psalterium van graaf Gwijde dat vervaardigd werd tussen 1266 en 1275. Dr. G. Dogaer van de Afdeling Handschriften van de Koninklijke Bibliotheek te Brussel onderzocht deze afbeeldingen zeer nauwkeurig en komt tot de conclusie dat de leeuwen geheel van sabel zijn , maar voegt eraan toe dat de afbeeldingen klein zijn en nauwelijks getongd of geklauwd kunnen genoemd.
In het handschrift "Tres Tractaus van Gilles li Muisis" van ca 1350 (Stedelijke Openbare Bibliotheek Kortrijk) komt de leeuw acht maal voor. In drie gevallen is hij geheel van sabel en in vijf getongd en geklauwd van keel. In een dertiende eeuws handschrift te Brugge heeft de leeuw rode klauwen van de tong is niets meer te onderscheiden. Bij Gelre en in latere wapenboeken is de leeuw overal getongd en geklauwd van keel.
Warlop besluit dan ook dat in de dertiende eeuw de leeuw volledig van sabel was en nauwelijks getongd of geklauwd. In de eerste helft van de 14e eeuw werden klauwen zowel zwart als rood afgebeeld, zoals dit trouwens bij de vakman Gelre het geval was.
De teksten
In de Anglo-Noramndische wapenrollen, Le Roman du châtelain de Coucy ca 1300, bij Jean d'Outremeuse en Iperius :is de leeuw van sabel op gouden veld en nergens worden klauwen of tong vermeld. Een document bewaard in Turijn vermeldt als wapen van Robrecht van Cassel, kleinzoon van Gwijde: "l'escu dont a j.lion de sables a une bordure de goules endentee". Tot op het einde van de 14e eeuw is er in de teksten dus nog geen sprake van tong en klauwen.
Besluit
Warlop komt dan ook tot het besluit dat pas inde 14e eeuw de herauten belang zijn gaan hechten aan de tong en de klauwen en dat deze vroeger vaak niet werden afgebeeld. Het kleine formaat van de afbeeldingen is daarvoor zeker niet de enige reden.
De Leuze of Wapenspreuk
De leuze "Vlaendren die Leu" stond volgens Eug. Sanders op het schild van Pieter de Coninck bij de Guldensporenslag van 11 juli 1302 nabij de Groeningekouter, en werd ook geroepen door een driehonderdtal Brabantse edelen, toen ze, na in de Franse rijen te hebben gestreden, zagen dat de kansen voor de Vlamingen keerden. In Spiegel Historiael van Lodewijk van Velthem wordt ook verwezen naar de leeuw in een lied op de Slag van Blangys-Guinegatte (die plaatst had in augustus 1472). Later gebruikt Hendrik Conscience de leuze in zijn Leeuw van Vlaanderen.
Bron: ronald.milo, de wereld van de heraldiek; http://blog.seniorennet.be/heraldiek.

De Middeleeuwen werden in de 18e eeuw een bron van nationale mythen, als verzet tegen de Verlichting. Nu is het weer een barbaars tijdperk.
In 1760 publiceerde de Schotse geleerde James MacPherson een opmerkelijke literaire vondst. Tijdens zijn reizen door de Schotse hooglanden had hij fragmenten opgetekend van oeroude Keltische poëzie. In die woeste streek zongen de boeren nog de liederen van Ossian, zoon van koning Fingal. Ossian bezong de heldendaden van zijn voorouders in duistere, droefgeestige verzen. Niemand had ooit van Ossian gehoord, en de ontdekking sloeg in als een bom. Er brak een ware Schotse rage los, in heel Europa, die ook niet overging. Zelfs niet toen duidelijk werd dat MacPherson die ‘oeroude’ gezangen voor het grootste deel uit zijn duim had gezogen. Het was zijn manier om te protesteren tegen de ondergang van het Schotse platteland door de industriële revolutie. Een aanklacht tegen de allesverslindende Verlichting. Die boodschap kwam aan. Iedereen was het erover eens dat Ossian de vergelijking met Homerus gemakkelijk kon doorstaan. Er was dus méér dan de klassieken. Er waren nog de Middeleeuwen.
De tweede helft van de 18e eeuw betekende het hoogtepunt van de Verlichting – en tegelijk werd het einde zichtbaar. Natuurlijk had de mens behoefte aan vrijheid en moest hij zich kunnen ontplooien. Maar hij had ook andere behoeften: echtheid, eigenheid en gemeenschap. Zoals Peter Raedts constateert in De ontdekking van de Middeleeuwen, wil de mens deel uitmaken van een groter geheel, van zijn volk of een religieuze gemeenschap.
Nationale roots
Er verscheen een nieuwe generatie dichters en filosofen die op zoek ging naar nationale roots. Die waarschuwde dat een volk dat zijn wortels niet respecteert, dat alleen de klassieken leest en alleen Frans ‘beschaafd’ vindt, gedoemd is ten onder te gaan. Hun zoektocht eindigde in de Middeleeuwen. Britten, Fransen, Duitsers, Italianen – iedereen ‘ontdekte’ rond 1800 zijn oorsprong in de Middeleeuwen. Oude manuscripten werden afgestoft; oude helden op een sokkel gezet en de gotiek, de bouwstijl van de Middeleeuwen, werd nieuw leven ingeblazen.
Het enige land dat niet aan deze rage meedeed (Raedts besteedt er een apart hoofdstuk aan: ‘Uitzondering’) was Nederland. Begin 19e eeuw werden enkele schuchtere pogingen gedaan om een nationaal-middeleeuws verleden te scheppen, maar die liepen op niets uit. Orthodoxe protestanten beschouwden de Tachtigjarige Oorlog als het moment waarop de natie was ontstaan, en weigerden enig belang te hechten aan de (katholieke) Middeleeuwen. Toen de katholieke emancipatie op gang kwam, en de katholieken zich de Middeleeuwen toe-eigenden als hún gouden tijdperk, was het voor het weldenkende deel der natie al helemaal onmogelijk om deze periode te ‘ontdekken’. Nederland was, constateert Raedts, religieus té diep verdeeld om vanuit de Middeleeuwen een nationale mythe te scheppen.
Een bron van mythen – dat waren de Middeleeuwen. De ‘ontdekking’ ervan heeft niets te maken met enige groei van onze kennis omtrent dat tijdperk, maar alles met het verzinnen van een verhaal tégen de Verlichting, tegen de verering van ‘de mensheid’, tegen de ratio – kortom, tegen de moderniteit. Dat verzet bereikte een bloedig hoogtepunt met het nazistische Derde Rijk. Sindsdien is verlangen naar een glorieus middeleeuws verleden hier taboe, en zijn de Middeleeuwen morsdood. Wie nu Middeleeuwen zegt, denkt aan computerspelen en tv-series, aan fantasy en magie. Het is in de collectieve verbeelding weer een barbaars tijdperk geworden.
Raedts hoopt dat we de Middeleeuwen ooit opnieuw kunnen ‘gebruiken’, niet als mythisch verleden, maar om te leren hoe we als mensen om kunnen gaan met onze kwetsbaarheid – want dat was de middeleeuwse mens: uiterst kwetsbaar. De Middeleeuwen herinneren ons aan de morele plicht om, ondanks die kwetsbaarheid, altijd te trachten rechtvaardig te zijn en waar mogelijk, hoe tijdelijk ook, orde te scheppen. Een mooie droom. Maar waarschijnlijk zijn de Middeleeuwen als inspiratiebron voor eeuwig verloren.
Peter Raedts, De ontdekking van de Middeleeuwen. Geschiedenis van een illusie. Wereldbibliotheek, 29,90.

Nog een "cadeauboek" om te krijgen, de prijs bedraagt immers 99 euro. De kans is dus klein.
Eind 10de eeuw. West-Europa staat langzaam op uit een diep dal. Na meer dan een eeuw van plunderingen en oorlogen komt er weer enige stabiliteit op het continent. Op de ruïnes van Europa begint ook de kunst weer op te bloeien. Vooral de romaanse beeldhouwkunst neemt een hoge vlucht. Getuigen hiervan zijn de talrijke meesterwerken die de eeuwen overleefden en nog steeds bewonderd kunnen worden doorheen heel Europa.
Na een voorzichtig begin ontplooide de beeldhouwkunst zich steeds zelfzekerder over de gebouwen, tot op zijn hoogtepunt in de 12de eeuw. De romaanse beeldhouwers schiepen een unieke wereld van steen, waarin zowel het angstaanjagende aardse bestaan als de hemelse glorie hun plaats kregen. De monumentale façades en portalen, ingetogen kloosters en adembenemende kerkinterieurs tonen de eindeloze inventiviteit van deze kunstenaars.
Dit boek gaat op zoek naar eenheid in de eindeloze variatie die zo typerend is voor de beeldhouwkunst van deze periode. Gemeenschappelijke inspiratiebronnen, modellen en iconografische schema’s komen aan bod, net als de talrijke varianten van populaire onderwerpen. De indrukwekkende afbeeldingen en de diepgravende tekst maken dit boek tot een onmisbaar werk voor kunstliefhebbers. Herontdek de romaanse beeldhouwkunst en laat je meeslepen door de magie van deze wereld in steen. De prachtige vertaling van Dimitri De Maesschalck doet de kunst herleven. Met inleiding van Raoul Bauer.
Romaanse Beeldhouwkunst.
Middeleeuwse verbeelding op steen.
Jean Gaborit, vertaling Dimitri de Maesschalck.
Uitgeverij Davidsfonds.
Met vele kleurenillustraties / Gebonden – ca. 438 p. / 26 x 31 cm / € 99

Met het eindejaar dat met rasse schreden nadert komt hier en daar het (dure) cadeauboek uit de lucht vallen. Cadeauboek schrijf ik omdat het meestal boeken betreft die je te duur vindt om zelf aan te kopen, een waarvan je heimelijk hoopt om het ofwel eens te "krijgen" ofwel om het na de eindejaarsfeesten goedkoper aan te kunnen schaffen (hoewel dit met de boeken van het Davidsfonds niet makkelij is).
Dit boek is zo een typisch exemplaar: bijna 60 euro voor 25§ pagina's en toch een interessant auteur, namelijk Jozef Janssens, specialist Middelnederlandse letterkunde. Meer over deze Janssens vind je op een vroeger nieuwsitem van deze club (toen hij nog actief was als prof).
De omschrijving op de website van de uitgever is als volgt:
ISBN nummer :
978 90 5826 803 7
‘Liefde? Een twaalfde-eeuwse uitvinding,’ stelde de Franse historicus Charles Seignobos (1854-1942), waarbij het voor hem natuurlijk evident was dat deze uitvinding in Frankrijk was gedaan. Uiteraard was Seignobos een te goed historicus om te denken dat de emotie die wij ‘liefde’ noemen voor die tijd niet had bestaan. Wel wees hij erop dat in de periode 500-1100 n.Chr. het woord amor zelden betrekking had op wat vaak wordt aangeduid met de term ‘romantische liefde’.
Aan het begin van de twaalfde eeuw kwam hier radicaal verandering in, en werden dit soort gevoelens bezongen in de poëzie die opbloeide aan de hoven in het zuiden van Frankrijk. Opeens werd er geschreven over liefde op het eerste gezicht, over het wegcijferen van persoonlijke belangen ten bate van de geliefde, over de gelijkwaardigheid van de geliefden, en over het verlangen samen het leven te delen. Over de vraag hoe het kwam dat dit nieuwe ideaal zo plotseling ontstond doen tal van theorieën de ronde. Socioloog Benjo Maso neemt ze in zijn proefschrift allemaal onder de loep. Volgens hem zijn ze echter geen van alle bevredigend, omdat ze over het algemeen slechts aandacht schenken aan één aspect van een complex fenomeen.
Dat mensen ook vóór 1100 verliefd werden, naar het samenzijn met hun geliefde smachtten en geneigd waren deze te idealiseren, blijkt alleen al uit de poëzie van de Romeinse dichter Ovidius, die vanaf de twaalfde eeuw weer bijzonder populair werd. Omdat het hoogst onwaarschijnlijk is dat dergelijke gevoelens na het uiteenvallen van het Romeinse Rijk ophielden te bestaan, kan men zich dus afvragen waarom ze gedurende de zes eeuwen vóór 1100 onderdrukt of in ieder geval verborgen moesten blijven, en waarom ze daarna ineens wel getolereerd en zelfs aangeprezen werden.
Maso wijst erop dat vóór de twaalfde eeuw het moderne concept van het staatsgezag – waarin de overheid het geweldsmonopolie heeft – nog nauwelijks van toepassing was, en dat men bij het afweren van agressie en geweld was aangewezen op zijn familie en de gemeenschap waarvan men deel uitmaakte. Aan deze betrekkelijk kleine verbanden was men strikte loyaliteit verschuldigd, zodat het voor mannen eigenlijk onmogelijk was sterke en exclusieve gevoelens voor een ander te koesteren.
Aangezien vrouwen zich vrijwel uitsluitend bezighielden met activiteiten buiten de publieke sfeer, waren voor hen gevoelens van liefde voor één specifieke persoon wel aanvaardbaar en zelfs loffelijk. Voor mannen daarentegen dienden de belangen en de veiligheid van de eigen groep absolute prioriteit te hebben.
Vanaf het begin van de twaalfde eeuw begon dit in het zuiden van Frankrijk te veranderen. Er brak een periode aan die aanzienlijk vreedzamer was en waarin de vorst meer macht naar zich toe kon trekken. Voor mannen van adel – en uiteraard ging het in de literatuur alleen over hen – ontstond een zekere ruimte om zich losser op te stellen tegenover hun verwanten en een persoonlijke carrière na te streven. Dé plek om dat te doen was in de eerste plaats het hof, waar geleidelijk omgangsvormen in zwang kwamen die sterk contrasteerden met de ‘mannelijke’ wereld van krijgers die bij het minste of geringste naar de wapens grepen.
Hoewel er veel kritiek kwam op jongelieden die veel aandacht aan hun uiterlijk besteedden en uiting gaven aan hun gevoelens werd dit gaandeweg meer geaccepteerd. Hoe dit proces verliep, en welke rol de nieuwe vormen van literatuur hierbij speelden, wordt op overtuigende wijze door Maso beschreven in dit boek, dat veel subtieler en genuanceerder is dan deze samenvatting doet vermoeden.
Moeilijk verteerbaar
Wie in dit boek stomende fragmenten over de driehoeksverhouding Arthur - Guinevere - Lancelot verwacht, komt bedrogen uit. Het ontstaan van de hoofse liefde is een wetenschappelijk, gortdroog werk. De lange, academische hoofdstukken zullen de lezer die louter wat ontspanning zoekt, zeker afschrikken. Daarbij komt dat het eerste hoofdstuk zowat onverteerbaar is. Ook de andere hoofdstukken vergen behoorlijk wat doorzettingsvermogen, maar zijn wel interessanter. Je leert heel wat bij over de middeleeuwen: de positie van vrouw, de algemene visie op liefde, de evolutie van de toen populaire literatuur, het onderscheid tussen de sociale klassen, zelfs de leefgewoontes van een vorst komen aan bod.
Schokkend is dat de gewone man (van de derde stand) niet in staat werd geacht lief te hebben en dat er ook toen al een dubbele moraal heerste: een man die een vrouw (desnoods de echtgenote van een ander) "veroverde", was een echte kerel, een vrouw die haar maagdelijkheid verloor voor het huwelijk bezoedelde de reputatie van de hele familie, en een ontrouwe echtgenote verdiende het eigenlijk om de neus afgesneden te worden. Dat soort zaken doet denken aan de taliban. Vreemd genoeg werden vrouwen wel gezien als ongeremde, wellustige wezens, die altijd en overal seks willen - vandaag de dag zal dat toch eerder beweerd worden over de man.
Het ontstaan van de hoofse liefde is een leerrijk, maar helaas een eerder saai werk. Het is de boekhandelversie van het proefschrift van een socioloog en dat merk je. Hoewel er vele interessante zaken in het werk staan, blijft dit toch vooral voer voor historici en romanisten.
Benjo Maso
Het ontstaan van de hoofse liefde
De ontwikkeling van fin'amors 1160-1230
Uitgeverij Atlas
Prijs: Euro 24.95
The Gothic Ivories Project
Het Gothic Ivory Project is echt zo'n plek die het internet alle eer aandoet. U komt er, net als wij, toevallig op terecht en een nieuwe wereld gaat voor u open. De wereld van de West-Europese beeldhouwwerkjes gemaakt uit elpenbeen, allemaal daterend uit de periode ca.1200 - ca.1530. Het beheer van deze bijzondere online database is het werk van het Londense Courtauld Institute of Art. Zij hebben, met de hulp van vele internationale instituten, deze verzameling van ivoren pareltjes kunnen ontsluiten. Een waardevolle kam. Statuettes van tuiniers. Maria met haar kind. Allemaal te bewonderen. (http://www.gothicivories.courtauld.ac.uk)
Welkom bij Clubs!
Kijk gerust verder op deze club en doe mee.
Inloggen met Hyves
Inloggen met Facebook
Inloggen met Google
Inloggen met Windows Live
Inloggen met Twitter Wat is dit?Je kan je ook aanmelden via een van bovenstaande partner websites. Klik op het icoontje en je bent direct ingelogd op Clubs.nl
Of maak zelf een Clubs account aan:
Aanbevelingen door leden:
bernard-de-clairvaux



Een geweldige community over de middeleeuwen in al haar facetten. Boeken, tentoonstellingen, steden en discussies met diepgang en humor. Een Vlaams-Nederlandse samenwerking van historisch niveau!
Statistieken
Erfgoed Kortrijk - Getijdenboek
Bladzijde uit een 15e eeuws "getijdenboek" in het Latijn, bewaard in de Bibliotheek van Kortrijk.
Een getijdenboek (liber horarum) is een middeleeuws handschrift dat werd gebruikt om te bidden op acht vaste momenten van de dag (getijden). Het is in wezen een boek vol teksten, gebeden, bijbellezingen en psalmen, bestemd voor de persoonlijke devotie van leken (niet geestelijken). Alle getijdenboeken bevatten dezelfde teksten en toch is ieder getijdenboek uniek. Aangepast aan de smaak en rijkdom van de opdrachtgever werden ze eenvoudig uitgevoerd of eerder weelderig, verrijkt met vele miniaturen en randdecoraties. Getijdenboeken zijn de meest voorkomende versierde middeleeuwse handschriften; het waren als het ware de bestsellers van de 14e en 15e eeuw. Aangezien er heel wat van die getijdenboeken bewaard zijn gebleven, vormen ze een belangrijke bron van informatie over het christendom uit die tijd. (Bron: Wikipedia, KB Nederland)
Laatste Forumreacties
Club-Updates
Kortrijk - 2 juni 2012
Universiteitsbibliotheek Utrecht toont 'Hemelse Ontdek…
01.05.2012 | 21:14
Bij Museum Catharijneconvent in Utrecht worden vanaf vrijdag verschillende interessante objecten uit de Universiteitsbibliotheek Utrecht (UU) tentoongesteld. Het gaat om manuscripten, oude gedrukte boeken en kaarten die ontdekt zijn door studenten, onderzoekers of conservatoren, en nieuw ver…
Lees meer…
Leren dateren: hoe zoenende letters geschiedenis maken
28.04.2012 | 13:51
Erik Kwakkel van het Leids Universitair Instituut voor Culturele Disciplines doet onderzoek naar de vorm van het middeleeuwse boek en leidt een Vidi-project dat zich richt op haar ontwikkeling tussen 1075 en 1225. Hij is geïnteresseerd in de relatie tussen vormvernieuwing en intellectuele veranderi…
Lees meer…
'Evangelie van Cuthbert' gekocht door British Library
18.04.2012 | 00:30
De British Library heeft het 'Evangelie van Cuthbert', volgens de bibliotheek het oudste nog intacte boek van Europa, voor 9 miljoen pond (bijna 11 miljoen euro) gekocht. Dat is deze week bekendgemaakt.
Het kleine in leer gebonden 'Evangelie van Cuthbert', ook wel het Stonyhurst Evangelie gen…
Lees meer…
18.04.2012 | 00:20
De afdeling Erfgoed van de gemeente Utrecht is momenteel druk bezig met het samenstellen van een boek over de bouw van de Utrechtse Domtoren. Op een speciale website zijn nu al 3D-modellen te vinden van de verschillende bouwfasen, met uitleg en afbeeldingen.
De Domtoren is hét symbool van de …
Lees meer…
Guillaume de Machaut "Je vivroie liement"
Als we het museum 1302 betreden dan treedt de levensgrote afbeelding van volgende miniatuur ons aan de ingang tegemoet. Dit is een belangrijk en betrouwbaar document met betrekking tot o.a. de slag bij Kortrijk.
De blinde Gilles Li Muisis, abt van de Sint-Maartensabdij van Doornik dicteert zijn traktaat aan monnik en kopiist Jacques Muevin. (klik op het plaatje voor een vergroting)
Gilles Li Muisis werd geboren in januari 1272 in Doornik. Zijn familie maakte er deel uit van de gegoede stedelijke burgerij. De kleine Gilles genoot dan ook het voorrecht school te mogen lopen aan de kloosterschool van de Sint-Maartensabdij van Doornik. In november 1289 legde hij er als jonge benedictijnernovice ook zijn geloften af. Gilles liet zich omwille van zijn organisatorische talent al snel opmerken binnen de kloostergemeenschap. In april 1331 werd hij er dan ook als abt of hoofd van de abdij verkozen. Hij slaagde er tijdens zijn ambttermijn in de eerdere luister van de abdij deels in ere te herstellen en pakte er ook de penibele financiële situatie aan. Gilles Li Muisis overleed in de abdij op 15 oktober 1552.
Tijdens zijn leven schreef Gilles Li Muisis verschillende werken. Zijn moraliserende en religieuze poëzie vormen onze voornaamste historische bron wat betreft biografische gegevens omtrent Gilles Li Muisis. Binnen zijn geschiedkundig oeuvre is vooral het werk Tres tractatus (operum pars prima) , dat bewaard wordt binnen de Openbare Bibliotheek Kortrijk, van blang voor de geschiedenis van onze gewesten. Dit manuscript bestaat uit drie delen en vormt zelf het eerste volume van een corpus, waarvan het tweede deel wordt bewaard in de Koninklijke Bibliotheek te Brussel. Deze twee handschriften worden vaak samen het Chronicon majus van Gilles Li Muisis genoemd. Het handschrift dat in Kortrijk wordt bewaard bevat zes miniaturen. Het derde deel van dit handschrift, tertius tractatus , bevat een kroniek van het graafschap Vlaanderen en de omliggende gebieden voor de periode 1294 tot 1348. Het vormt dan ook een belangrijke historische bron voor onze kennis van de Frans-Vlaamse Oorlog en de eerste fase van de Honderdjarige Oorlog.

Op de afbeelding herkennen we abt Gilles Li Muisis zelf (met staf) en zijn secretaris Jacques Muevin. We zien hoe Gilles het relaas van de feiten die zich enkele decennia eerder hadden voorgedaan, dicteert aan Muevin, die de redactie van het werk op zich nam. Sinds 1345 moest Gilles immers afrekenen met de oogaandoening cataract. Ondanks enkele riskante maar succesvolle oogoperaties werd de abt uiteindelijk echter volledig blind, waardoor hij niet langer in staat was zelf te lezen of te schrijven. Beide monniken dragen een zwart habijt en een tonsuur of kruinschering. Deze typerende haardracht is bedoeld als symbool van hun toewijding aan God. Ook de sobere klederdracht van de geestelijken vormt een verwijzing hiernaar.
----
In de kroniek van Gilles li Muisis, de abt van de abdij van Saint-Martin in Doornik, staat de ontreddering beschreven van de Franse ridders die terugkeerden van Kortrijk. Zij hadden een nederlaag opgelopen die ze zich nooit hadden kunnen voorstellen. Het getuigenis van de abt wordt als een middeleeuwse versie van CNN de leidraad van de multimediale presentatie in de Groeningeabdij.
Gilles Li Muisis, abt van de Sint-Maartensabdij van Doornik richt zich tot de leden van zijn kloostergemeenschap. (klik op plaatje om te vergroten)
Deze miniatuur vormt een illustratie bij de aanvang van het tweede luik (tractatus secundus) van het handschrift. In dit deel behandelt Gilles Li Muisis de dagelijkse gang van zaken in de abdij en de regels die de monniken hierbij moesten naleven.
Op de afbeelding herkennen we opnieuw Gilles Li Muisis, abt van de Sint-Maartensabdij van Doornik, die leden van zijn kloostergemeenschap toespreekt. De verschillende voorwerpen die in de miniatuur worden afgebeeld, verwijzen naar de belangrijke symbolische betekenis van deze handeling. De perkamentrol verwijst naar de Regel van Benedictus (Regula Benedicti). Ora (bidden) en labora (werken) vormden de twee vuistregels van deze 6de eeuwse kloosterregel. Aan werk was er in de abdij geen gebrek: benedictijnerabdijen dienden volledig zelfvoorzienend te zijn en beschikten onder andere over eigen akkers, een molen, een bakkerij en een scriptorium. Het werk werd zeven keer per etmaal onderbroken om samen te bidden. Gehoorzaamheid, armoede en nederigheid vormden de belangrijkste deugden voor een benedictijnermonnik. De sobere klederdracht van de monniken weerspiegelt dit streven naar eenvoud en een leven ten dienste van God. Zowel de abtszetel opgetrokken uit blauwe Doornikse kalksteen en de kromstaf met sudarium of zweetdoek die Gilles Li Muisis in de hand houdt verwijzen dan weer naar de gezagspositie van waaruit hij zijn monniken toespreekt. De monniken zelf zijn zonder onderscheid gegroepeerd en lijken aandachtig te luisteren, ne te denken en te interpreteren.
_13_cover.jpg)
Gilles de Rais zit in zak en as. In de steek gelaten door al wie zich ooit vriend van 'm noemde en zijn voltallige hofhouding, leeft hij teruggetrokken in een gerieflijk ingerichte kelderverdieping van zijn immense paleis. Hij jammert en beklaagt zich aan één stuk door. Tristan komt 'm bezoeken. Hij moet zich zelfs even voorstellen als "je architect" wil Gilles hem terstond herkennen als "mijn beste kameraad". En Tristan tuint er weer in, hij blijft hoe dan ook beste vriendjes met een figuur dat we uit de geschiedenisboeken kennen als een monster. Nadat hij in de buurt aanpapt met een waarzegster, wordt het Tristan duidelijk dat er een complot bestaat tegen Gilles. Om diens vege lijf te redden, maant hij Gilles aan te vluchten. Tristan vergezelt 'm. De twee maken van de nood een deugd en trekken op bedevaart. Misschien is er zo verlossing voor Gilles mogelijk. Eén ding is zeker, de bedevaart naar het Franse Conques loopt niet van een leien dakje en aldaar aangekomen komt Tristan in contact met de Katharen, een verketterde sekte.
Dit Tristan-album speelt zich voor de helft af in de donkerste, ondergrondse krochten en grotten. Alleen Edgar P. Jacobs gaat met zijn beste Blake en Mortimer-verhalen — die zich veelal onder de grond afspelen — Jean Pleyers vooraf in de sfeerschepping van deze sinistere locaties. Bovengronds lijkt de reis van Tristan en Gilles alweer op een Reizen van Tristan-album waarbij zoveel mogelijk steden en historische gebouwen in al hun pracht moeten weergegeven worden... alsof de auteurs per album een gebouwenquota is opgelegd. Daar is niets mis mee voor wie een strip ook een trip betekent naar 'exotische' decors. Mooi is het allemaal wel. Helaas viel het ons op en ons tegen dat de techniek om van potloodtekeningen ook afgewerkte lijntekeningen te maken, net zoals bij andere producties van de Jacques Martin-fabriek, verfijning mist. De lijnvoering van bijvoorbeeld de gezichten is te korrelig, missen soms scherpte en zijn vaak onderbroken. Een cursus hoe dat beter moet, is dringend aan de orde.


In het nieuwe boek 'Middeleeuws Brugge' schetst auteur Albert Janssens een accuraat beeld van het dagelijkse leven van Brugge in de vijftiende eeuw, door de ogen van Hans Memling. 'Het was toen geen pretje om in Brugge te wonen.'
Bron: Tom Deschacht; Het Nieuwsblad, 19 maart 2012.

Dit nieuwste avontuur van Vasco brengt de knaap naar Bretagne waar hij duizenden ecu's komt innen die kasteelheer Arzan van Kervelen aan de Tolomeibank is verschuldigd. In het dorp waar hij verblijft, is hij tal van geheimzinnigheden gewaar. Een meisje dat opeens haar stem verloor, een boer die geen eten en drinken meer kan verdragen, een vermiste priester. Alles lijkt verband te houden met een wrede moord van jaren geleden. Vasco gaat op onderzoek, vastbesloten dit raadsel op te helderen.
Het album is een klassiek detectiveverhaal, maar dan gesitueerd in de late middeleeuwen. Zo haalt het al wat punten voor originalteit. Scenarist Gilles Chaillet heeft wederom een stevig verhaal bedacht met heel wat ontwikkelingen en twists. Het enige nadeel is dat het in veel te korte tijd verteld wordt. In enkele pagina's stelt hij tientallen personages voor met elk hun eigen motieven. Vervolgens komt er om de twee pagina's weer een nieuwe verhaallijn bij waardoor hij een nauwelijks ontwarbaar kluwen van personages en verhaallijnen creëert. Jammer, want op zich vormt het gegeven van het moordmysterie een ideale basis om het verhaal mee op te bouwen. Uiteindelijk valt alles nog in de juiste plooien en komt er een aanvaardbaar, bijna logisch einde aan het verhaal.

De tekeningen zijn fijn om naar te kijken. Voormalig assistent Frédéric Toublanc houdt er zo zijn eigen stijl op na — hij gebruikt bijvoorbeeld meer close-ups — die niet echt lijkt op die van Chaillet, maar hij doet dat consistent, met verve en met een zeer aangenaam resultaat.
De in 2011 overleden Chaillet heeft nog voldoende uitgeschreven scenario's nagelaten zodat de reeks kan vervolgen. Niet langer getekend door Toublanc evenwel, hij wordt vervangen doorDominique Rousseau.
Ludus Danielis - Nuntium vobis fero et al
Foto van de week - "Lux in Arcana".
Het Vaticaan stelt de komende maanden honderd documenten uit de zogenaamde Geheime Archieven tentoon. De tentoonstelling, getiteld Lux in Arcana (Licht op Geheimen), loopt tot 9 september. De foto toont het register van de eden van trouw (1356-1359) aan Paus Innocentius VI, geopend op de pagina over de politieke en militaire acties van kardinaal Gil De Albornoz (1310-1367).
Foto van de week
Basiliek van Sint Franciscus - Assisi
The devil's Bible (Codex Gigas)
Miniaturen expo
Sommigen werden meer dan 1 000 jaar geleden gecreëerd en toch is het kleurenpalet net zo rijkelijk als toen ze voor het eerst geschilderd werden. De British Library stelt tot 13 maart 2012 haar rijke bron aan verluchte manuscripten voor, die werden verzameld door de koningen en koninginnen tussen de negende en zestiende eeuw – van koning Athelstan tot Henry VIII.
Gerelateerd: Royal Manuscripts at the British Library
Graduel d'Aliénor de Bretagne -
Graduel d' Alienor de Bretagne - Kyrie: Orbis factor
Grisaille miniatuur
De eerste grisailles in de miniatuurkunst verschijnen rond 1325 in Frankrijk in het werk van Jean Pucelle. Het beperkte formaat van de miniatuur brengt plastische vernieuwingen met zich mee: men spreekt van 'half-grisailles' of 'semi-grisailles' als de kunstenaar zijn tekening ophoogt met rood, blauw of groen om de vleespartijen, de haren of de achtergrond met diepte-effecten weer te geven.
Bron: Vlaamse Miniaturen.
Cantigas de Santa María - Alfonso X el Sabio (1221 - 1284)
Pos de chantar m'es pres talens - Willem IX van Aquitanië
Labyrinth van de kathedraal van Amiens
Kerk-labyrinten hebben niets met esoterie van doen. Het waren oorspronkelijk pelgrimroutes in zakformaat, voor wie noch de middelen of de tijd had om in de wijde wereld op bedevaart te gaan. De labyrinten worden dan ook dikwijls 'de weg naar Jeruzalem' genoemd. In de Middeleeuwen werd het kronkelende pad naar het midden, naar Jeruzalem of met andere woorden naar de hemel, biddend op de knieën afgelegd. De reis als allegorie voor het leven. Op zich is het niet zo'n gek idee, het leven plannen als een reis. Alleen die hemel op het einde speelt ons nog altijd parten. Zelfs al zijn we er vast van overtuigd dat het hiernamaals niet bestaat, toch leven we nog altijd in de stille hoop dat het later beter wordt. Met mijn nieuwe job, met mijn volgende vent, na mijn pensioen, als we verhuisd zijn naar dat nieuw huis, na de geboorte van ons tweede kleinkind... dan worden we gelukkig. De ontkenning van het nu en hier als enige plek van tevredenheid, is van het vreselijkste we ons ooit hebben aangedaan.
Firenze - Palazzo Vechio
Kapel van de Priori in het Palazzo Vecchio (= het oude paleis) of Palazzo della Signoria. De republikeinse stadsregering, de Priori (de hoofden van de gilden), woonde in de twee maanden dat ze in functie waren, in het paleis. en hadden daar hun eigen kapel. Hun appartement in het paleis bestaat niet meer als zodanig, want die zijn allemaal opnieuw ingericht toen (groot)hertog Cosimo I het paleis betrok. Maar deze kapel dus wel. De kapel is van 1511 en kreeg in 1514 zijn huidige aanzien met het gewelfde plafond. De decoraties zijn van Ridolfo del Ghirlandaio (1449-1494). Het schilderij boven het altaar is van Mariano da Pescia, leerling van Ghirlandalo. In deze kapel, geweid aan Sint Bernardinus, zei Girolamo Savonarola zijn laatste gebeden alvorens hij werd terechtgesteld op de Piazza della Signoria door verbranding. Het hoofdgebouw van het Palazzo werd gebouwd in de periode 1298-1314 door architect Arnolfo di Cambio.
Het timpaan van Conques
Stories to watch
Expo in het Getty Museum : "Stories to Watch: Narratives in Medieval Manuscripts". Meer info plus een educatieve film op: http://www.getty.edu/art/exhibitions/stories_watch
Liturgische kam
Een liturgische kam is een kam die gebruikt wordt om de haren te kammen van een bisschop tijdens de consecratie, na gebruik van de heilige oliën. Op deze ivoren kam uit de tweede helft van de 12de eeuw, bewaard in het museum La Princerie in Verdun, ziet men het laatste avondmaal aan de ene kant en de graflegging van Christus aan de andere kant. Men vermoedt dat de kam uit Engeland komt meer bepaald uit Winchester.
Caxton Missaal
Een zeldzaam manuscript keert terug naar zijn bibliotheek. Het betreft het Caxton Missaal. Dit zeldzaam manuscript uit de 15de eeuw werd gedrukt door de eerste engelse drukker. Na drie jaar restauratie is de bibliotheek waar het manuscript thuishoorde eindelijk weer in staat om dit gebedenboek te huisvesten. Meer info vind je op YouTube.
William Caxton (Kent, ca. 1415-1422 - Westminster, maart 1491) was de eerste Engelse drukker. Hij werd geboren in het graafschap Kent en trok naar Londen als leerling bij een stoffenhandelaar. In 1446 vertrok hij naar Brugge om zijn leertijd af te ronden en meer op te steken over de zijdehandel. Hij had succes in het zakenleven en kwam later terecht in het huishouden van Margaretha van York, de hertogin van Bourgondië en zuster van de Engelse koning. Tijdens de reizen die hierbij volgden maakte hij, onder andere in Keulen, kennis met de boekdrukkunst, die ergens tussen 1451 en 1456 was ontwikkeld door de Duitse Johannes Gutenberg. Al snel richtte hij een eigen drukkerij op in Brugge, waar in 1475 het eerste Engelstalige boek werd gedrukt: Recuyell of the Historyes of Troye, door Caxton zelf vertaald. Na zijn terugkeer naar Engeland in 1476 zette hij de eerste drukpers op in Westminster. Ook hier beperkte hij zich niet tot drukwerk, maar vertaalde zelf veel werk uit het Frans. Hij drukte onder meer Geoffrey Chaucers The Canterbury Tales (1478) en Thomas Malory's Morte d'Arthur (1485). Zijn invloed op de standaardisering van de Engelse taal en spelling is groot geweest.