Kunst en cultuur van de middeleeuwen

ELKOM OP DEZE CLUB OVER DE MIDDELEEUWEN In deze club volgen we het nieuws op van de middeleeuwen: nieuwe inzichten, analyses, boeken, tentoonstellingen, films, strips, levende geschiedenis en re-enactment. Kortom elk evenement dat ook maar een link heeft met de middeleeuwen. Het kan ook een belevenis of ervaring zijn van een clublid, daarvoor dient het forum. Op de blogberichten kan je ook je reacties kwijt. Naast het vele nieuws heb je ook nog plaatjes in de fotoalbums en enkele links.
De naam van de club verwijst naar het boek De Kathedralenbouwers van de franse historicus G. Duby: de middeleeuwers waren bij uitstek kathedralenbouwers. Dit boek heeft mij begeesterd en het middeleeuwse vuur wakkerde voor eeuwig aan door "De naam van de Roos" van de erudiete Umberto Eco.
Alle links van deze club en nog vele andere links naar websites over de middeleeuwen vind je op de startpagina: "Middeleeuwen.2link.be", ook beheerd door de operator van deze club.
De periode voor de middeleeuwen, namelijk de Prehistorie en de Oudheid wordt behandeld in de club "Van Prehistorie tot Middeleeuwen".
---
Foto van de aanwezige clubleden op de tweede clubbijeenkomst van de Kathedralenbouwers te Brugge op 18 april 2009. Op het programma stond een bezoek aan de tentoonstelling "Karel de Stoute - Pracht & Praal in Bourgondië 1433 - 1477". Terug een gezellige & leerrijke bijeenkomst.
.jpg)
-
Nieuws berichten
-
18.01.2010 | 00:46

Er zijn weinig vrouwen uit de vaderlandse geschiedenis die zozeer tot de verbeelding hebben gesproken als Jacoba van Beieren, de laatste gravin van Holland en Zeeland voor de Bourgondiërs. Al bijna zes eeuwen lang is haar bewogen levensgeschiedenis verbeeld, bezongen en beschreven. Vijf wetenschappelijke biografieën zijn inmiddels aan haar gewijd. Toch is Jacoba in feite nog steeds een grote onbekende. De vorstin die viermaal is getrouwd, diverse oorlogen heeft gevoerd, tweemaal op spectaculaire wijze aan haar belagers is ontsnapt en uiteindelijk jong en tragisch aan haar einde is gekomen, laat zich niet zo gemakkelijk kennen. Wat in de loop der eeuwen over haar persoonlijkheid is gezegd, is grotendeels ontleend aan eenzijdige beeldvorming of gebaseerd op bevooroor deelde interpretaties. In dit boek wordt voor het eerst radicaal afstand genomen van latere beeldvorming, in een poging terug te keren naar de historische Jacoba. Welke rol speelde zij zelf in de gebeurtenissen? Was zij een sterke, zelfstandige en ambitieuze dame die op beslissende momenten weigerde zich te schikken in de bescheiden rol die mannen haar hadden toebedeeld? Of moeten we haar eerder zien als een pion in dienst van het spel dat door anderen gespeeld werd?
Een pion voor een dame. Jacoba van Beieren 1401-1436,
Antheun Janse;
uitg. Balans, Amsterdam, 2009;
ISBN 978 94 600 3185 4; 400 blz.; € 19,95.
Janse heeft een meesterwerk geleverd: prachtig geschreven, voor de ontwikkelde leek goed toegankelijk en, op brede studie van primaire bronnen, ook nog goed gefundeerd. Niet te dik of te dun. Misschien had Jacoba zich geen mooier monument kunnen wensen. Wat bij Bilderwijk nog een „snoepig weewtjen” was, is bij Janse een pion in het proces van politieke besluitvorming geworden. Wel kunnen vragen worden gesteld over zijn vrij positieve oordeel over Bourgondië. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de passages over de internering in Gent.JACOBA hertogin van BEIEREN (ged. Le Quesnoy, Henegouwen, 16-7-1401 – gest. Teijlingen, bij Sassenheim, 9-10-1436), gravin van Holland, Zeeland en Henegouwen. Dochter van Willem VI, hertog van Beieren, graaf van Holland, Zeeland en Henegouwen (1365-1417), en Margaretha van Bourgondië (1374-1441). Jacoba van Beieren trouwde (1) in 1415 met Jan van Touraine (1398-1417); (2) in 1418 met Jan IV, hertog van Brabant en Limburg (1403-1427); (3) in 1422 met Humphrey hertog van Gloucester (1390-1447) en (4) in 1432 en opnieuw in 1434 met Frank heer van Borselen, graaf van Oostervant (1395-1470/71). Deze huwelijken bleven kinderloos.
Jeugd
Jacoba was enig kind. Haar moeder was de dochter van Filips de Stoute, hertog van Bourgondië. Via haar vader zou zij bij zijn dood de titel ‘hertogin van Beieren’ erven: een titel die, behalve prestige, weinig opleverde. De gebieden waarvan ze daadwerkelijk de erfgename was lagen in de Nederlanden. Al op driejarige leeftijd kreeg ze de officiële titel ‘dochter van Holland’. Als vijfjarige werd Jacoba verloofd met Jan van Touraine, de tweede zoon van de Franse koning. Jan kwam naar Henegouwen, naar het kasteel van Le Quesnoy, waar Jacoba en haar moeder meestal verbleven. De kinderen speelden samen en kregen les in lezen en schrijven. Hun lot veranderde dramatisch toen Jans oudste broer in 1415 plotseling overleed. Jan was nu kroonprins (‘dauphin’) van Frankrijk en Jacoba, met wie hij kort tevoren was getrouwd, zou koningin worden. Dit toekomstbeeld duurde echter niet lang, want in april 1417 overleed Jan aan een abces in de hals. Jacoba, nauwelijks vijftien, werd weduwe. Tot overmaat van ramp stierf haar vader anderhalve maand later aan de gevolgen van een hondenbeet. Jacoba bleef alleen met haar moeder in Henegouwen achter, terwijl haar erfdeel van alle kanten werd belaagd.
Een omstreden erfenis
Graaf Willem had een jaar voor zijn dood van de edelen en steden van Holland en Zeeland – en kort daarna die van Henegouwen – de toezegging gekregen dat zij Jacoba na zijn dood als landsvrouw zouden erkennen. Holland en Zeeland behoorden echter formeel tot het Duitse Rijk en roomskoning Sigismund voelde er weinig voor de rechten van Jacoba te erkennen. De beide graafschappen waren naar zijn mening zwaardlenen en konden daarom alleen via de mannelijke lijn vererven. Bovendien had de koning met lede ogen de Bourgondische invloed in de Lage Landen zien toenemen. Hij vond de broer van Jacoba’s vader, Jan ‘zonder genade’ van Beieren, een betere kandidaat voor de opvolging. Jan was bisschop-elect van Luik en had al jaren zijn blik gericht op de graafschappen van zijn broer. Hij had zich nooit laten wijden; zodra de buit zich zou aandienen kon hij zijn bisschopszetel verlaten. Die kans deed zich nu voor. Hij verloofde zich prompt met Elisabeth van Görlitz, een nicht van Sigismund en de erfgename van Luxemburg, en wierp zich op als kandidaat voor de opvolging in Holland, Zeeland en Henegouwen.
Toen de plannen van Jan van Beieren duidelijk werden, maakte de Bourgondische familie van Jacoba haast met een nieuwe verbintenis. Ze werd uitgehuwelijkt aan haar neef, de veertienjarige Jan IV, hertog van Brabant en Limburg én eveneens lid van het huis Bourgondië. Voor dit huwelijk was weliswaar pauselijke dispensatie nodig, maar daarover maakte niemand zich zorgen; naar verwachting zou de toestemming gemakkelijk te verkrijgen zijn. Het huwelijk werd in maart 1418 in Den Haag voltrokken. Inmiddels was Jacoba als gravin in Henegouwen en in grote delen van Holland en Zeeland gehuldigd. Probleemloos verliep dit niet, want niet iedereen erkende haar gezag. Zo weigerde de belangrijkste stad van Holland, Dordrecht, de rechten van Jacoba te erkennen zolang zij geen steun kreeg van Sigismund, die inmiddels tot keizer was gekroond. Die steun kwam er niet. De keizer beleende Jan van Beieren als voogd (‘ruwaard’) voor Jacoba met de drie graafschappen. De opvolgingskwestie werd het sein voor het herleven van de oude Hoekse en Kabeljauwse twisten. Met steun van Kabeljauwse edelen en steden probeerde Jan van Beieren zijn positie te vestigen.
Het huwelijk tussen Jacoba en Jan van Brabant was een mislukking. Er was onduidelijkheid over de benodigde dispensatie, die eerst wel werd toegekend, maar korte tijd later op aandringen van keizer Sigismund door de paus herroepen. Daar kwam nog bij dat haar nieuwe echtgenoot Jacoba niet de bescherming bood waarop haar familie had gehoopt. Al in februari 1419 leverde de Brabantse hertog Holland en Zeeland uit aan Jan van Beieren, en een jaar later ging hij nog een stap verder door de graafschappen voor twaalf jaar aan Jacoba’s oom te verpanden. Vanaf dat moment was Jan van Beieren daar heer en meester. In december 1420 vertrok Jacoba uit Brabant. Zij keerde terug naar Bergen (Mons) in Henegouwen waar zij korte tijd later – op 19 februari 1421 – haar huwelijk nietig liet verklaren. Enkele weken daarna reisde zij naar Engeland, op zoek naar steun.
In Engeland meende Jacoba een geschikte nieuwe echtgenoot te vinden in Humphrey, hertog van Gloucester, broer van de koning. Hij was op zijn beurt wel geïnteresseerd in het bezit van de aanzienlijke graafschappen op het vasteland. De reacties op deze nieuwe verbintenis waren sterk verdeeld. De Staten van Henegouwen bijvoorbeeld reageerden verheugd, maar de nieuwe hertog van Bourgondië, Filips de Goede, zag niets in de huwelijksplannen van zijn nicht. Een Brabants-Hollandse verbinding was een betere waarborg voor de Bourgondische belangen in de Nederlanden. Toch zette Jacoba door en trouwde in 1422 voor de derde keer. Het bleek een verkeerde keuze. Haar nieuwe echtgenoot voelde uiteindelijk weinig voor een overzees avontuur. Pas na lang aandringen kwam Humphrey in actie. In november 1424 rukte een Engels leger op in Henegouwen. De veldtocht was weinig succesvol. Filips de Goede en Jan IV, de afgewezen Brabantse echtgenoot, versloegen het Engelse leger. Humphrey gaf de strijd snel op en keerde terug naar Engeland, Jacoba in Henegouwen achterlatend. Zelfs toen zij in handen viel van Filips en opgesloten werd in Gent, deed Humphrey niets. Hij ging terug naar zijn maîtresse Eleonora Cobham, met wie hij in 1428 zou trouwen nadat de paus het huwelijk tussen Jacoba en Jan IV van Brabant alsnog geldig had verklaard.
De ‘Zoen van Delft’
In januari 1425 was Jan van Beieren door vergiftiging overleden – vermoedelijk waren de hoeken van de bladzijden van zijn gebedenboek vergiftigd. Formeel was nu Jan IV van Brabant de opvolger, maar die droeg het bewind meteen over aan Filips de Goede. Jacoba was nog altijd niet van zins haar erflanden op te geven. Met behulp van enkele Hoekse ridders wist ze, gehuld in mannenkleren, op spectaculaire manier uit Gent te ontsnappen en te vluchten naar Schoonhoven. De vlucht luidde een nieuwe periode in van strijd tussen Hoeken en Kabeljauwen. De sociale onrust uitte zich in een boerenopstand in Kennemerland en West-Friesland als steunbetuiging aan Jacoba. Blijvend succes bleef echter uit. Zelfs de dood in 1427 van de door Jacoba verafschuwde Jan IV bood geen soelaas.
Ten langen leste sloot Jacoba een wapenstilstand met Filips de Goede en korte tijd later stemde zij in met een definitief vredesverdrag, ‘de Zoen van Delft’ (3 juli 1428). Het verdrag maakte een einde aan de periode van strijd en onrust. Jacoba hield de titel van gravin, maar erkende Filips als erfgenaam (‘oir’) indien ze zonder wettige kinderen zou overlijden. Zolang ze ongetrouwd was zou Filips als regent van haar landen optreden. Een eventueel nieuw huwelijk van Jacoba moest de instemming van Filips, haar moeder en de Staten van de drie landen krijgen. Ze hield een deel van de inkomsten van de landen om naar haar stand te kunnen leven. Hiermee leek het leven van Jacoba in rustig vaarwater te komen.
Filips de Goede had Holland en Zeeland in beheer gegeven aan een driemanschap, met de Zeeuwse edelman Frank van Borselen als stadhouder van Holland en Zeeland. Spoedig ontwikkelde zich tussen Frank en Jacoba een relatie. Het is mogelijk dat ook deze verhouding een politieke zet was van Jacoba: een nieuwe poging om met zijn hulp de graafschappen terug te krijgen. Tegen de bepalingen van de Zoen van Delft in trouwden Jacoba en Frank van Borselen in de zomer van 1432. Het was een geheim huwelijk, want niet ten overstaan van de kerk gesloten en – wat in dit geval belangrijker was – zonder de benodigde toestemming. Filips kwam meteen in actie, vooral ook omdat hij Frank van Borselen verdacht van het gelijktijdig beramen van een gifmoordaanslag op hem. Van Borselen werd gearresteerd en kreeg zijn vrijheid pas terug nadat Jacoba de drie graafschappen definitief had overgedragen aan Filips de Goede. Dit gebeurde op 12 april 1433: Holland, Zeeland en Henegouwen waren vanaf nu onderdeel van het Bourgondische machtsblok. Enkele jaren eerder had Filips ook al de regering aanvaard in Brabant en Limburg toen daar de jongere tak van de Bourgondiërs was uitgestorven. De verwerving van de erfenis van Jacoba was een belangrijke zet in de (min of meer bewuste) Bourgondische politiek die uiteindelijk onder Karel V zijn bekroning zou vinden in de vereniging van de Lage Landen.
Jacoba trouwde in 1434 opnieuw met Frank van Borselen, ditmaal met de benodigde instemming. Dit doet vermoeden dat er toch sprake was van een oprechte genegenheid tussen hen. Ze besefte dat haar rol was uitgespeeld en trok zich terug uit de politieke arena. Niet lang daarna, in de zomer van 1436, openbaarden zich verschijnselen van tuberculose. Op 9 oktober van dat jaar stierf Jacoba – nog altijd kinderloos – op het kasteel Teijlingen, in het bijzijn van haar man en haar moeder. Frank van Borselen deed volledig afstand van haar testament waarin Jacoba hem tot erfgenaam had verklaard: haar schulden bedroegen 3512 pond groot, veel meer dan de opbrengst van haar bezittingen.
Een tragische heldin
Het leven van Jacoba maakte haar al snel tot een tragische heldin. Ze had als vrouw een ongelijke strijd te voeren met tegenstanders die nota bene uit haar eigen familie kwamen. Zij was de personificatie van de laatste periode van onafhankelijkheid van de gewesten Holland, Zeeland en Henegouwen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat vele auteurs zich over haar leven hebben gebogen, in het bijzonder vanaf de negentiende eeuw. Historici, maar vooral ook romanciers en toneeldichters droegen ertoe bij dat Jacoba – als één van de weinige vrouwen – tot de canon van de Vaderlandse geschiedenis is gaan behoren. Veel informatie over haar persoonlijkheid en haar drijfveren voor haar langdurige strijd heeft deze belangstelling echter niet opgeleverd. De schrijvers legden vooral nadruk op het ‘Hollandse’ karakter van haar geschiedenis. De band met Henegouwen én het feit dat Jacoba in veel opzichten een Frans-georiënteerde prinses was, bleef daarbij onderbelicht. -
Getijdenboek om zelf in te bladeren
09.01.2010 | 01:38
Voor het eerst stelt de Bibliotheca Philosophica Hermetica alle 25 middeleeuwse Nederlandse getijdenboeken uit haar collectie tentoon. Stuk voor stuk juweeltjes van privédevotie en elk exemplaar uniek, zowel wat de inhoud als de verluchtingen betreft. Dankzij Geert Grote werd het getijdenboek het populairste boek van de Middeleeuwen.
Als kostbare parels liggen de boeken te pronken op kussens van blauw fluweel. Vijfentwintig zijn het er, alle Nederlandse getijdenboeken van de Bibliotheca Philosophica Hermetica (BPH) in Amsterdam. Oprichter van de bibliotheek, Joost Ritman, heeft ze in de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw verzameld. De complete collectie is in 2004 aangekocht door de Nederlandse overheid.
„Het plan was om de getijdenboeken te beschrijven en op internet te publiceren”, vertelt Helen Wüstefeld, conservator van de bibliotheek voor het aandachtsgebied mystiek. „Dat is gebeurd, maar Ritman vond het zo leuk dat hij ook in boekvorm en met een expositie deze unieke middeleeuwse handschriften breed toegankelijk wilde maken.”
De beschrijvingen op internet, de expositie en het boek ’Sleutel tot licht’ passen in het streven van de bibliotheek om haar collectie stukje bij beetje te ontsluiten. Vorig jaar en eerder dit jaar heeft ze dat al gedaan met haar Spinoza- en Gustav Meyrink-verzamelingen.
In de late Middeleeuwen was het getijdenboek het meest verbreide gebedenboek voor de privédevotie van leken. De kern van een getijdenboek bestond uit een aantal teksten die ontleend waren aan het gebedenboek van religieuzen, het brevier. Zo kon de leek zijn gebedsleven zoveel mogelijk aanpassen aan dat van de kerk. Geestelijken stonden immers in direct contact met het Hogere, en door hen zoveel mogelijk na te volgen, zou iets van de heilswerking op de gewone man en vrouw kunnen afstralen.
Elk getijdenboek begint met de kalender. Wüstefeld: „Hierop staan alle heiligen van een bepaald bisdom, plus de christelijke feestdagen. Speciale heiligen, zoals Bonifatius en Willibrord in de Noordelijke Nederlanden, en eveneens de apostelen stonden in gekleurde inkt, rood of goud, op de kalender. Behalve deze kalender en de aan het brevier ontleende gebeden konden er in een getijdenboek ook psalmen, gezangen en hymnen zijn opgenomen, en teksten voor bepaalde gelegenheden, zoals de dodenvigilie voor de herdenking van overledenen.”Getijdenboek in het Nederlands
Geschreven en verlucht in Utrecht, ca. 1465-1470
Gehistorieerde initialen: Meester van Gijsbrecht van Brederode
Maria Magdalena, De Zeven Smarten van Maria en de Kruisiging.
Er stonden lang niet altijd alleen religieuze teksten in een getijdenboek. „Sommige bevatten ook tabellen voor aderlaten bijvoorbeeld en voor het berekenen van schrikkeljaren. Ook zijn er soms beschrijvingen in te vinden van bepaalde mensentypen, zoals het sanguinische of melancholische type. Daarbij werd dan het sterrenbeeld vermeld en of iemand met die bepaalde gemoedstoestand blond, donker, mager of dik was.”
Die onderlinge verschillen maken elk getijdenboek uniek, zegt Wüstefeld. „Het zijn heel individuele boekjes, die van ouders op kinderen worden geërfd, aangevuld en gemoderniseerd naar de smaak van de tijd. Er werden soms ook nieuwe miniaturen toegevoegd, in een heel andere stijl dan die van het oorspronkelijke boekje. Deze werden dan niet ingenaaid, maar tussen de bestaande verluchtingen gelijmd.”
Het zijn vooral deze doorgaans schitterende religieuze miniaturen, en de fraaie sier- en strooiranden, met bloemen, vlinders, vogels, vruchten, die de aantrekkingskracht verklaren van deze middeleeuwse handschriften op een groot publiek. Wüstefeld: „De miniaturen hebben meestal scènes uit het leven van Jezus tot onderwerp, van de Annunciatie – de aankondiging aan Maria van zijn geboorte – tot de uitstorting van de Heilige Geest met Pinksteren. Soms wordt de passie, de lijdenstijd van Jezus, heel uitgebreid in beeld gebracht. Ook smeekbeden tot heiligen kunnen verlucht worden. Een bekend voorbeeld bij een smeekbede tot de heilige Anna, de moeder van Maria, is de voorstelling ’Anna-te-drieën’, waarop Anna, Maria en Jezus zijn afgebeeld.”
Getijdenboek in het Nederlands
Geschreven en verlucht in Leiden, ca. 1480-1490
Gehistorieerde initialen: Meesters van Hugo Jansz van Woerden
Het gebruik van getijdenboeken kwam in de 13de eeuw op gang in Frankrijk en de Zuidelijke Nederlanden en verbreide zich in de 14de eeuw in heel Europa onder brede lagen van de bevolking. De Franse, Duitse en Belgische getijdenboeken waren voor het grootste deel in het Latijn geschreven, de taal van de kerk. Het unieke van de latere Nederlandse getijdenboeken (jaren tachtig van de 14de eeuw) is dat zij zijn geschreven in de volkstaal, het Nederlands. Dat is de grote verdienste van Geert Grote (1340-1384) en zijn beweging van de Moderne Devotie.
Geert Grote verwierf aan het einde van de 14de eeuw een grote schare volgelingen. Hij predikte een leven in soberheid, in navolging van Christus: bijbelteksten over Jezus moest je niet alleen lezen, je moest ze ook vertalen naar je eigen gedrag, vond hij. Onvermijdelijk preekte hij dus ook tegen de gevestigde orde in de kerk, waar priesters met concubines samenleefden en geestelijke ambten gekocht konden worden.
„Ook tegen de Utrechtse Domtoren heeft hij gepreekt. Die beschouwde hij als een beeld van machtswellust en ijdelheid van de kerk. Het geld voor de bouw had beter aan de armen besteed kunnen worden, vond hij. De ironie van het lot wil, dat op een miniatuur in het enige Vlaamse getijdenboek op de tentoonstelling uitgerekend de Domtoren staat afgebeeld waar Geert Grote zo tegen was. Het was de grootste vrijstaande toren van die tijd en hij moet een enorme indruk hebben gemaakt op de mensen.De afbeelding van de toren was een symbool voor het hemelse Jeruzalem.
„Geert Grote kreeg in 1383 een preekverbod en is toen teksten gaan verzamelen en vertalen, waaronder het getijdenboek. Hij wilde dat ook eenvoudig en laaggeschoolde leken zouden kunnen beschikken over gebeden in de moedertaal. Preken met de pen noemde hij dat. Het is”, zegt Wüstefeld, „zonder twijfel aan hem en zijn volgelingen, de moderne devoten, te danken dat het getijdenboek in de Nederlanden zo populair is geworden. Uit de moderne devoten ontstonden de Broeders en Zusters des Gemenen Levens, die zich onderhielden met het afschrijven van religieuze boeken, waaronder getijdenboeken.”
Geert Grote voegde ook zelf gebeden toe aan het getijdenboek, zoals ’De getijden van de Eeuwige Wijsheid’ – een vertaling van de ’Cursus Aeternae Sapientiae’ van de Duitse mysticus Henricus Suso (1295-1366). Net als Suso, wilde ook Geert Grote het vuur van de oude vroomheid weer ontsteken en de mensen tot innigheid brengen.
Deze mystieke tekst van Suso werd door Grote’s vertaling erg geliefd in de Noordelijke Nederlanden.
Meer dan negentig procent van de ongeveer 1000 à 2000 bewaarde getijdenboeken uit onze streken is geschreven in de volkstaal, het Middelnederlands, en bevat de versie van het getijdenboek van Geert Grote.
De tentoonstelling begint met een aantal facsimile-uitgaven (getrouwe kopieën) van getijdenboeken. Dat maakt een bezoek extra aantrekkelijk, omdat je de boeken ter hand kunt nemen en mag doorbladeren en zo met eigen ogen kunt zien wat er allemaal in te vinden is en hoe schitterend ze zijn verlucht. De originele manuscripten, die achter glas liggen opengeslagen, zijn geschreven op perkament. Om ook het speciale gevoel dat perkament geeft, na te bootsen, is een van de facsimile-uitgaven gedrukt op waardepapier, de papiersoort die voor geld wordt gebruikt. De bladzijden knisperen tussen je vingers.
Helen Wüstefeld verzorgt elke week, op woensdagmiddag, een gratis rondleiding over de tentoonstelling. De getijdenboeken komen tot leven door haar interessante verhalen over de eigenaar(s), over de afschrijvers van de teksten en de kunstenaars die de miniaturen en de randversieringen hebben geschilderd.
Getijdenboeken te zienSleutel tot licht: expositie t/m 26/02, Bibliotheca Philosophica Hermetica, Bloemstraat 15 Amsterdam, ma t/m vr 9.30-12.30u en 13.30-17u. Elke wo.mi gratis rondleiding. Aanmelden: 020-6258079.
Helen Wüstefeld en Anne Korteweg: Sleutel tot licht. Getijdenboeken in de Bibliotheca Philosophica Hermetica, ’In de Pelikaan’, 156 pag., ISBN 9789071608285, euro24,50. Zie voor afbeeldingen uit en beschrijvingen van de 25 getijdenboeken in de hermetische bibliotheek www.ritmanlibrary.nl.
Bron: Trouw. -
Aan het einde van de genadetijd
31.12.2009 | 02:13
Waar was God?
Sinds de concentratiekampen in de Tweede Wereldoorlog klinkt deze vraag steeds vaker en luider. Maar ook in de middeleeuwen worstelden mensen al met Gods hand in de geschiedenis.
Matthew Paris
Ca. 1200-1259
De zevende kruistocht, rond het jaar 1250, was zo’n moment. De Engelse monnik en kroniekschrijver Matthew Paris vertelt vol afschuw dat de Franse kruisvaarders zo’n honger hadden, dat zij hun paarden opaten en naar de vijand overliepen. Toen ook nog „de hele christelijke gemeenschap in het Heilige Land werd vernietigd”, vroegen velen zich af waar God was: „Waarom heeft Christus, voor Wie en met Wie wij tot nu toe gestreden hebben, ons verlaten? De Heere is als een vijand voor ons en Hij, Die vaak Heere der heerscharen wordt genoemd, wordt nu door de vijanden gesmaad omdat Hij herhaaldelijk verslagen is. Wat hebben onze toewijding, de gebeden van de monniken, de aalmoezen van onze vrienden ons voor voordeel opgeleverd? Is niet de wet van Mohammed beter dan de wet van Christus?”
Aardbeving
Het kostte Paris zelf minder moeite Gods aanwezigheid in allerlei gebeurtenissen te bespeuren. De benedictijner monnik uit St. Albans noteerde die nauwkeurig in zijn ”Chronica Majora”, een soort geschiedenisboek dat de hele periode vanaf de schepping beslaat. „Het is voorwaar een uitstekend iets om opmerkelijke gebeurtenissen schriftelijk te vereeuwigen tot lof van God en onderwijzing van het nageslacht”, schreef Paris. „Om die dingen te vermijden die straf verdienen en de goede dingen aan te nemen als beloning van God.”
Het is 13 februari 1257. Paris noteerde in zijn kroniek dat Engeland is opgeschrikt door een aardbeving. Vooral in Londen en aan de oevers van de rivier de Theems was die goed voelbaar. De benedictijner monnik viste naar de oorzaak van dit natuurverschijnsel. Het moest belangrijk zijn, zo redeneerde hij, omdat aardbevingen in de westerse wereld ongewoon en onnatuurlijk waren en Engeland „geen ondergrondse grotten heeft, waardoor zij, volgens de wijsgeren, werden veroorzaakt.”
Paris zag de aardbeving dan ook als een teken van God dat het einde der tijden nabij was. Hij rekende uit dat van de „genadetijd” inmiddels 1250 jaar was voorbijgegaan. In de eerste 24 halve eeuwen waren er niet zo veel bijzondere en ongewone dingen gebeurd als in de laatste, 25e halve eeuw.
Wat was er zoal gebeurd? In Savoie waren vijf dorpen met hun kerken, huizen en inwoners door een steenmassa bedolven. De zeespiegel was als nooit tevoren gestegen. In 1233 was er een buitengewoon teken in de lucht verschenen en binnen drie jaar tijd had er tweemaal een zonsverduistering plaatsgevonden.
En er waren ontelbare vallende sterren gezien, soms wel tien of twaalf per keer. Als het echte sterren waren geweest, zo geloofde Paris, dan zou er geen ster meer aan de hemel zijn overgebleven. Hij concludeerde dan ook met de woorden van Lukas 21:25: „Er zullen tekenen zijn in de zon…” Hier stopte hij zijn citaat, wetend dat zijn lezers dat wel konden aanvullen. Voor Paris was Gods hand vooral een dreigende, slaande hand.
Jaaroverzicht
Paris gaf aan het einde van ieder jaar een overzicht van de belangrijkste gebeurtenissen – zoals kranten en tijdschriften dat nog steeds doen. Hij lijkt vooral oog te hebben voor natuurverschijnselen en dingen die de uitbreiding van Gods Koninkrijk bevorderen of juist hinderen.
Bij het jaar 1248 noteerde Paris: „De groene blaadjes ondervinden grote schade van de wormen.” „Een slecht jaar voor het Heilige Land, Italië, Duitsland en Frankrijk. Voor de paus was het een schandelijk jaar.” „Het einde van de wereld lijkt nabij.” „In februari kun je de bomen zien uitspruiten; in april zingen de vogels en maken ze nestjes.”
Paris spoort de lezer aan God te dienen en het kwade te laten. Een grote overstroming in Engeland en Holland bijvoorbeeld, was volgens Paris een straf van God voor zondaren. De profeet Habakuk schreef immers: „Was de Heere ontstoken tegen de rivieren? Was Uw toorn tegen de rivieren, was Uw verbolgenheid tegen de zee…?”
De middeleeuwse kroniekschrijver wilde christenen een spiegel voorhouden. Ze mochten geen voorbeeld nemen aan –bijvoorbeeld– de monniken in Pontigny, die schandelijk tekortschoten in de zorg voor de lichamen van overleden heiligen. „Wat een gebrek aan geloof!” noteerde Paris. En hij schreef erbij dat de monniken niet konden verwachten dat God veel tekenen in Pontigny zou doen.
zelfportretMatthew Paris
Matthew Paris (ca. 1200-1259) was een van de belangrijkste geschiedschrijvers in Engeland in de middeleeuwen. De Benedictijner monnik was vanaf 1236 de officiële kroniekschrijver van het klooster van St. Albans.
Het belangrijkste geschrift van Paris is de ”Chronica Majora”, een bewerking en uitbreiding van het werk van zijn voorganger Roger van Wendover. Hij breidde de geschiedschrijving vanaf de schepping uit met de periode 1236 tot 1259, het jaar van zijn overlijden. Paris illustreerde het werk eigenhandig.
Paris schreef ook enkele heiligenlevens, waaronder dat van Edward de Belijder. De ”Historia Minor” bevat een samenvatting van de geschiedenis tussen 1200 en 1250.http://nl.wikipedia.org/wiki/Matthew_Paris
Bron: Maarten Stolk, Reformatorisch Dagblad -
In naam van God van Jonathan Philips
05.12.2009 | 23:37
'Gods wil!' schreeuwde de menigte na de oproep van paus Urbanus II, en gedurende de daaropvolgende maanden vertrokken 60.000 mensen voor een voettocht van 5000 km naar een onbekend land.
Bloed, wapengekletter, wreedheid, de strijd tussen christendom en islam, dat is waar de meeste mensen aan denken bij het woord kruistochten.
In naam van God laat zien dat de werkelijkheid complexer en boeiender is. Phillips vertelt het complete verhaal van de opkomst, de expansie, de neergang en het einde van de kruistochten, en wijst op de echo ervan in onze tijd met de grimmige werkelijkheid van Al-Qaida.
Extreem-religieuze vurigheid is tegenwoordig synoniem met het fanatisme van minderheden, maar tussen 1095 en 1291 was de kruistocht een door iedereen geaccepteerde en ondersteunde activiteit; keizers en koningen, bisschoppen en hertogen, boeren en hoeren namen eraan deel.
Jonathan Phillips vertelt op levendige wijze het grote verhaal en belicht in close-up specifieke episodes en personages. In naam van God werpt een nieuw licht op de geschiedenis van de kruistochten.
’In naam van God - Een nieuwe geschiedenis van de Kruistochten’ van Jonathan Phillips is een bijzonder lezenswaardig boek. Phillips doceert de geschiedenis van de kruistochten aan de University of London. Hij heeft reeds meerdere boeken over de kruistochten geschreven.
De auteur werpt een nieuw verhelderend licht op de geschiedenis en de culturele, politieke en religieuze betekenis van de kruistochten. Hij vertelt niet enkel het verhaal van de opkomst, de expansie, de neergang en het einde van de kruistochten maar wijst ook op de echo ervan in onze tijd, de grimmige werkelijkheid van Al- Qaida. Phillips beschrijft het kruistochten- gebeuren erg levendig.
Godsdienst was niet de enige drijfveer voor de kruisvaarders. Het fascinerende van het tijdperk van de kruistochten is de constatering dat andere factoren zoals de verlokkingen van land en geld, eer en familietraditie, een verlangen naar avontuur en de plicht tot dienstbaarheid, naast de godsdienst een rol speelden en die soms verdrongen.
Jonathan Phillips, In naam van God - Een nieuwe geschiedenis van de kruistochten; Nieuw Amsterdam Uitgevers / Lannoo, Tielt; 464 blz.; 27,50 euro -
Nieuw boek van Raoul Bauer: De ontvoering van God
27.09.2009 | 21:21

Al eeuwenlang domineren de middeleeuwse kathedralen onze horizon en bepalen ze het uitzicht van onze steden. Stuk voor stuk zijn zij uitingen van gotische bouwkunst, die nog altijd een grote culturele en religieuze aantrekkingskracht uitoefent op mensen.
In De ontvoering van God reist Raoul Bauer terug naar de twaalfde eeuw, de periode waarin de eerste gotische constructies het licht zagen. Hij onderzoekt de omstandigheden die aan de basis lagen van de overgang van de romaanse naar de gotische kerkarchitectuur. Eén van de belangrijkste redenen voor de stijlwissel was de veranderende tijdgeest, gedreven door een andere kijk op God, de mens en de wereld.
Een interpretatie van de Saint-Philibertkerk in Tournus, de Maria Magdalenabasiliek in Vézelay, de cistrerciënzerkerken in Fontenay en Pontigny en de gotische kathedralen van Laon en Amiens, illustreren deze voor onze westerse geschiedenis zo belangrijke ontwikkeling. Sprekende foto's ondersteunen deze benadering.
Prof. Raoul Bauer, historicus en doctor in de letteren, is em. hoogleraar cultuurgeschiedenis. In dit boek geeft hij via een bespreking van de middeleeuwse religieuze architectuur een boeiende en fascinerende inkijk op hoe binnen hetzelfde tijdsbestek verschillende visies op God leefden.
De ontvoering van God.
De betekenis van de gotische kerkarchitectuur
Raoul Bauer
Uitgeverij Davidsfonds; Leuven
Prijs: EUR 27.50
ISBN 978 90 5826 656 9
Verschijningsdatum: 30 september 2009
-






