Kunst en cultuur van de middeleeuwen

- Welkom op deze club over de middeleeuwen -

ff4ed65097cf6febccbfc81e2132384eead5fb8d

ehrenritter.gifIn deze club volgen we het nieuws over de middeleeuwen en discuteren we er over op het forum of blog: nieuwe inzichten en analyses, boeken en internetberichten, tentoonstellingen, films en TV-series, strips, levende geschiedenis en re-enactment en last but not least, de reisverslagen van onze clubleden. Kortom elk evenement dat ook maar een link heeft met de middeleeuwen krijgt een plaats op deze club. Het kan dus ook een persoonlijke belevenis of ervaring zijn van een clublid of gast, daarvoor dient vooral het 'Forum'. Op de blogberichten kan je ook je reacties kwijt. Naast het vele nieuws heb je ook nog de talrijke videoclips die je vindt in 'Videoalbums' en enkele links. Kortom, ben je in geschiedenis geïnteresseerd en meer bepaald in de periode van de middeleuwen, maak je kosteloos lid en doe mee of geniet.

5_1.pngD
e naam van de club verwijst naar het boek De Kathedralenbouwers van de franse historicus G. Duby: de middeleeuwers waren immers bij uitstek kathedralenbouwers. Dit boek heeft mij begeesterd en het middeleeuwse vuur wakkerde voor eeuwig aan door "De naam van de Roos" van de erudiete Umberto Eco.

Je vindt "Kathedralenbouwers" ook op Scoop.it!.  Plaatjes over de middeleeuwen vind je op Pinterest - middeleeuwen.

De periode voor de middeleeuwen, namelijk de Prehistorie en de Oudheid, wordt behandeld in de club
"Van Prehistorie tot Middeleeuwen".

Ben je een toevallige gast?
Wordt gratis lid, of laat iets horen op het forum of mail de eigenaar van deze club op calamandja@yahoo.com.

eric-enide-e1391725330308.jpg

Reeds sedert 2008 organiseert de club Kathedralenbouwers jaarlijks een clubbijeenkomst. 
Na Utrecht (2008), Brugge (2009), Delft (2010), Zutphen (2011), Kortrijk (2012), Bergen op Zoom (2014), Mechelen (2015), Deventer (2017) is de negende clubdag in 2018 doorgegaan in Tongeren. Hieronder vind je het verslag van deze laatste clubdag, opgesteld door clublid Antonius.

Bouwersdag Tongeren 2018.

Zaterdag 29 september 2018, Weeronline meldt  voor Tongeren: "Lekker weer vandaag". De ochtend en middag verlopen zonnig en droog. Het komende uur wordt het 4 graden, vanmiddag 16 en vanavond 9, met een weercijfer van 9 !
 
Atuatuca Tungrorum is het kader voor de 9e Bouwersdag en vangt aan met een samenkomst om 10:00 uur in Brasserie De Lido aan de Grote Markt . Na een stevige tas koffie en familie- uitwisselingen volgen we het program dat de Voorman heeft voorzien. Het eerste bezoek geldt het 1.100 kg wegende standbeeld van Ambiorix, dat sinds 1866 de Grote Markt zijn deftig statige statuur geeft.

De route leidt  naar het standbeeld van Flavius Claudius Julianus (331-363) - een Romein zoals een Romein uitziet - en het voormalige kanunnikenhuis aan Maastrichterstraat 10 met het Praetorium en het aan deze straat gelegen Dommershausen. 
 
De Bouwers zijn klaar voor het grote werk: het Teseum met zijn schatkamer, maar vooral ook de toegang tot de wereld  beneden maaiveld van de basiliek, waarin de fasen van de basiliek: Romeinse basilica, Karolingische kerk, Ottoonse kerk en Gotische kerk nog aanwijsbaar aanwezig zijn. Als bijvangst binnen Teseum een expo: De Kopten, een ander Egypte.
Pas na 12:30 uur schuiven de Bouwers aan, aan hun lunch in Bazilik.

In de namiddag is de eerste stap naar het Gallo-Romeins Museum:  een bizonder exclusief museum, waarin kosten noch moeite gespaard zijn om er echt iets heel moois van te maken:  de verbeelding van de mens(-heid) over wel  500.000 jaar, met ook de nodige aandacht voor de laatste 2.000 jaar (= 0,004%) en de bijzondere plek van Tongeren in dit tijdsgewricht.
Aansluitend is er tijd voor de Onze-Lieve Vrouwe basiliek (bovengronds).
 
Rondom de klok van 15:00 uur worden de Bouwers uitgenodigd door de zonnestralen op het terras van Markt4 en haar speciaalbieren van ’t vat.
De Bouwers hebben het begijnenkwartier nog op het program:  een mini-stadje dat – terecht - geldt als Unesco-werelderfgoed. In de fraaie Ursulakapel is de expo “A moment”, met de wervende slogan: “Dat moment in Tongeren had ik de TIJD van m’n leven”.
 
De voeten gaan terug de berg op naar de Grote Markt; de zon verleidt de Bouwers voor een terras bij Intermezzo. Nu zijn Afflighem en Tungri blond favoriet.
Om 18:00 vinden de Bouwers zich weer terug bij Bazilik voor een culinair onthaal. De gesprekken raken nu ook de gewone binnenroerselen van de mens. 
Om 20:00 uur breken de Bouwers op. Klaar voor de volgende editie van de Bouwersdag.

art_border_motif_01.jpgart_border_motif_01.jpgart_border_motif_01.jpg

Foto van de clubleden op de achtste clubdag in Deventer (2017):

Foto van de clubleden op de zevende clubdag in Mechelen (2015):

Foto van de clubleden op de zesde clubdag in Bergen op Zoom (2014):

Foto van de clubleden op de vijfde clubbijeenkomst in Kortrijk (2012):

IMG_0001.JPG

Foto van de clubleden op de vierde clubbijeenkomst in Zutphen (2011):

club2.jpg

Foto van de clubleden op de derde clubbijeenkomst in Delft (2010):

Clubleden Kathedralenbouwers in Delft

Foto van de aanwezige clubleden op de tweede clubbijeenkomst van de Kathedralenbouwers te Brugge op 18 april 2009.

cluppersbrugge(1).jpg

art_border_motif_01.jpgart_border_motif_01.jpgart_border_motif_01.jpg

documents.gif 46a0f6cd59ecc242f3e84fbf00fabaa2.jpg

Free counters!

BART VAN LOO 
De Bourgondiërs. Aartsvaders van de Lage Landen. 
  De Bezige Bij, 608 blz., 34,99 €.  

Bart Van Loo is terug. Met een turf over de Bourgondiërs die in de late middeleeuwen de Lage Landen vorm gaven. Zet je schrap voor straffe verhalen vol bloed, zweet en tranen.

Schrijver en conferencier Bart Van Loo (45) begint zijn nieuwe boek met een captatio benevolentiae die vele (oudere Vlaamse) lezers persoonlijk zal aanspreken. Hij geraakte als jonge snaak gefascineerd door een ongewone, lugubere prent uit ’s Lands Glorie, de naoorlogse prentenboekenreeks over de ‘Belgische’ geschiedenis, een romantisch-patriottisch werk dat je met bonnetjes van de kruidenier bij elkaar moest verzamelen. Prent 182, met het verhakkelde lijk van Karel de Stoute op een besneeuwde vlakte bij ­Nancy in 1477, liet Van Loo niet los. Die geschiedenis zou hij ooit schrijven en ze is nu klaar: het werd meer dan het verhaal van ­Karel alleen; het werd "De Bourgondiërs. Aartsvaders van de Lage Landen".

Dat wij nog steeds bourgondiërs genoemd worden, komt gewoon doordat we een hang naar lekker eten en drinken delen met de gelijknamige inwoners van de Franse landstreek, maar ooit wáren wij Bourgondiërs, zou je wat kort door de bocht kunnen stellen. De Lage Landen zijn een ‘uitvinding’ van de Bourgondische hertogen die in de vijftiende eeuw geduldig hun gebied uitbreidden en finaal over onze contreien heersten. Dat is de positie die Van Loo met verve verdedigt.

Bart Van Loo kennen we van zijn originele thematische Frankrijk-boeken en zijn biografie van Napoleon. Deze keer is zijn opzet nog grootser. Hij ontpopt zich opnieuw tot rasverteller. Hij neemt zijn lezer bij de hand – eigenlijk op een vrij ouderwetse schoolmeestersmanier, maar met kennis van de recentste stand van het historisch onderzoek.

De Bourgondiërs leefden in een uitermate boeiende tijd. We nemen deel aan bloedige veldslagen, zitten aan bij theatrale huwelijksbanketten, beleven spannende steekspelen en stappen op in indrukwekkende begrafenisstoeten. Het is een cliché, maar het is ‘alsof we erbij zijn’. We mengen ons tussen opstandige Gentenaren, zijn getuige van wrede wraakacties en afrekeningen onder verwante edellieden, bewonderen de kunst van Sluter in Dijon en van Van Eyck in Gent, we horen de stadspoorten van Brugge achter ons dichtvallen, ontmoeten de Van Arteveldes, Van Maerlant en Erasmus, raken verstrikt in een Honderdjarige Oorlog met ­Engeland en in de twist tussen Hoeken en Kabeljauwen. Zelfs de laatste mode in harnassen krijgen we uitgelegd.

Bornholm

Het verhaal van Filips de Stoute en Margaretha van Male en hun opvolgers, van het einde van de veertiende tot het begin van de zestiende eeuw, is er een van macht, passie, verraad, moed, praal, overspel en bloedvergieten, van successen en stommiteiten. Deze geschiedenis heeft alles om zo meeslepend te zijn als Dallasof Thuis, inclusief ongeloofwaardige wendingen en larger than life personages. Van Loo haalt veel van zijn mosterd bij de ‘journalisten’ van die tijd, de alomtegenwoordige kroniekschrijvers, en bij de zouteloze boekhouders die alles wat de Bourgondische hertogen uitspookten inventariseerden. Zo kan hij zijn relaas verrijken met sprekende details, zoals een rouwmantel van tweehonderd eekhoornvellen. Het doet er niet toe, maar het is mooi.

Hij verdeelt zijn boek in vijf delen die een spel spelen met de tijd: duizend jaar, honderd jaar, tien jaar, één jaar en één dag. De lange aanloop, ‘Het vergeten millennium (406-1369)’, is een noodzakelijk kwaad voor een beter begrip van het vervolg. Om de opkomst van de Bourgondiërs te begrijpen moet je hun voorgeschiedenis kennen – dat zij (en hun naam) verrassend genoeg van het Oostzee-eiland Bornholm komen, bijvoorbeeld. Met het deel over ‘De Bourgondische eeuw (1369-1467)’ barst het feest los; hier veroveren de Bourgondische hertogen land, status en macht. Vlaanderen en Holland vallen de Bourgondische hertogen te beurt. In ‘Het fatale decennium (1467-1477)’ gaat het over de rise and fall van Karel de Stoute en in ‘Een beslissend jaar (1482)’ over Maria van Bourgondië die verongelukt. ‘Een gedenkwaardige dag (20 oktober 1496)’ concentreert zich op het huwelijk van Filips de Schone met Johanna van Castilië. Met ‘De laatste Bourgondiër’ wordt in de epiloog keizer Karel V bedoeld.

Houwdegen en strijdros

Bart Van Loo neemt zijn lezer bij de hand – eigenlijk op een vrij ouderwetse schoolmeestersmanier, maar met kennis van de recentste stand van het historisch onderzoek

Je moet er het hoofd bijhouden, bij al die Filipsen en Karels, Johanna’s en Margaretha’s. Van Loo helpt met praktische extra’s: niet alleen een index en een bibliografie, maar ook stambomen, een tijdlijn en illustraties. De schrijver is dus gul, ook met weetjes en à-côtésover de etymologie van woorden als copain en maarschalk en over de herkomst van uitdrukkingen. Zo zet hij en passant ‘Wat Walsch is, valsch is’ opnieuw in zijn juiste context, die niets met flamingantisme te maken heeft. Bart Van Loo is de perfecte gids door het verleden, maar hij vergeet niet in welke tijd we leven. Hij is dus extra gevoelig voor de rol van vrouwen in deze geschiedenis die door mannen wordt beheerst. Jeanne d’Arc en Jacoba van Beieren krijgen glansrollen.

Het enige wat de lezer soms kan storen, is de stijl. Dat Van Loo woorden zoals houwdegen en strijdros zonder ironische bijbedoelingen van onder het stof haalt, is geen probleem. Dat zijn taal duidelijk Vlaams getypeerd is, is een verdedigbare keuze. Maar in de beeldspraak gaat het soms mis. Er worden wat te vaak mensen in de pan gehakt, of dingen opgehoest; de geest wordt nogal gemakkelijk gegeven. En soms kraken de zinnen onder de barok en neigen ze naar kitsch. Wat moet je denken van een beschrijving als ‘Het machtig knetteren van de gigantische haardvuren toverde de Kamerijkse keukens om tot ovens op mensenmaat, vanwaar dienaren in livrei de gerechten zwetend naar de eetzaal brachten’? Maar Van Loo lijkt er steeds mee weg te komen.

De auteur haalt zoals steeds alles uit de kast om zijn huzarenstuk onder de aandacht te brengen. Met de Bourgondische coalitie die zopas in Antwerpen is aangetreden, kreeg hij van de actualiteit onverwachts een mooi cadeautje – ook al staat die term in de politiek banaal voor de kleuren van de partijen. In een indrukwekkende blurb verwijst professor Frits van Oostrom, dé Nederlandse specialist in de middeleeuwse letteren, op het achterplat van het boek naarHerfsttij der middeleeuwen. Vergeleken worden met de Nobelfähige Johan Huizinga is heel wat voor een snaak die zijn inspiratie opdeed in ’s Lands Glorie.
 
Bron: Peter Jacobs, De Standaard (standaard.be)

Recensie van Marc van Oostendorp op Neerlandistiek.nl 

“Wat een diepgang,” schrijft de Brusselse mediëvist Jozef Janssens over Beatrijs in zijn nieuwe boek Vreemd vertrouwd, “wat een schoonheid”.

Met die woorden karakteriseert Janssens zijn houding tegenover de middelnederlandse literatuur in het algemeen, geloof ik. Hij ziet haar als een kunstvorm, die subtiel is, en waarvan je kunt genieten.

Tegelijkertijd wil hij in Vreemd vertrouwd, dat hij zo te zien schreef bij zijn emeritaat, vooral iets anders laten zien. De ondertitel van het boek is ‘de middeleeuwse mens en zijn ideeënwereld’, en die ideeënwereld is ons volgens Janssens tegelijkertijd vreemd en vertrouwd. Dat vreemde en vertrouwde worden duidelijk gemaakt in een afbeelding op de voorkant: een tekening van een naakte vrouw die een penis berijdt als was het een paard. Die afbeelding is ons vreemd – wie had gedacht dat de preutse middeleeuwen zoiets schokkends konden voortbrengen – en tegelijkertijd zijn alle afgebeelde onderdelen natuurlijk iedereen die weleens verder kijkt op internet dan op Neerlandistiek, vertrouwd.

Reconstructies

Feitelijk gaan slechts twee van de zes hoofdstukken in Vreemd vertrouwd over het vreemde en het vertrouwde van die ideeënwereld. Dan laat Janssens bijvoorbeeld zien wat een wonderlijke kleurencode middeleeuwers er vanuit ons oogpunt op na hielden (geel beduidde de onbetrouwbaarheid van het aards bestaan, als bleke benadering van het goud), of hoe modern men eigenlijk was in de scepsis over de houdbaarheid van hoofse idealen – was niet iedereen uiteindelijk geneigd tot corruptie en aardse geneugten?

De andere hoofdstukken geven een veel breder beeld van Janssens vak. Vreemd vertrouwd lijkt daarmee meer op een proeve van inhoudelijke memoires, waarin de auteur terugblikt op de ontwikkelingen die de studie van de middelnederlandse literatuur de afgelopen decennia heeft doorgemaakt, alsmede van de manier waarop niet-wetenschappers in Vlaanderen die middeleeuwen zijn gaan beleven, bijvoorbeeld door in nauwkeurige reconstructies het leven uit die tijd na te spelen.

Franstalig

Het nadeel van dit alles is wel dat van de lezer een even diverse belangstelling wordt verwacht als de auteur kennelijk heeft: én de recente geschiedenis van zijn vak én de hedendaagse volkscultuur én de betekenis van kleuren in de middeleeuwen. Daar komt bij dat de schrijver ons soms wel erg nadrukkelijk toespreekt vanachter zijn leestafel. Af en toe wordt de argeloze lezer vertrouwd gemaakt met allerlei vakdiscussies waar hij in zijn argeloosheid geen deel aan heeft en misschien ook niet zo veel mee kan.

Het mooist vind ik de twee hoofdstukken die gaan over het lezenvan middelnederlandse literatuur. Janssens ontpopt zich als een nogal eigenzinnige lezer die dus diepgangen schoonheid zoekt. Middelnederlandse teksten zijn volgens hem niet zozeer charmante vertellingen uit naïeve tijden, maar hun schrijvers wisten wat ze deden, speelden subtiel met vertelperspectief – in Karel ende Elegast doet Karel heel stoer over zijn inbrekerstechniek, maar hij maakt daarbij een paar domme fouten zodat de lezer volgens Janssens wel beter wist – of met verwijzingen naar andere literatuur – Vanden Vos Reynaerdewerd waarschijnlijk gelezen door een publiek dat ook bekend was met bepaalde verhalen uit de Franstalige literatuur over de vos.

Welkom

Ik neem aan dat deze techniek niet oncontroversieel is. Janssens wijst er zelf op dat een bezwaar tegen deze methode is dat de meeste lezers luisteraars waren die ondertussen bijvoorbeeld aan het eten waren en het de vraag is of ze dan de tijd hadden voor allerlei subtiele verwijzingen. Anderzijds, denk ik dan, zijn er nu allerlei tv-series die ook allerlei subtiliteiten bevatten en die nauwelijks geconcentreerder gevolgd zullen worden.

Ik had kortom graag een heel boek over willen lezen over deze manier van lezen! Al is het maar om te zien wat de grenzen er precies van zijn. Een gids in het lezen van middelnederlandse literatuur voor mensen die de middelbare school verlaten hebben! Wat zou dat welkom zijn.

Hooglied

In het allerlaatste hoofdstuk past Janssens die techniek toe op Beatrijs.Hij laat dan zien dat de minnaar die Beatrijs verleidt uit het klooster te treden en met hem een gezin te beginnen, niet zo’n losbol is als er vaak van hem wordt gemaakt, maar dat hij Beatrijs heel schroomvallig en galant benadert, met duidelijke kennis van de hoofse codes en mogelijk een verwijzing naar het Hooglied. Uiteindelijk komt er van al die hoofse idealen natuurlijk niets terecht.

Hoe houdbaar die interpretatie is, moeten de collega’s van Janssens maar uitmaken, maar mij als eenvoudige lezer van de middelnederlandse literatuur geeft dat toch weer een nieuw venstertje op zo’n middelbareschooltekst: je ziet er, inderdaad, de diepgang en de schoonheid, van in.

Jozef Janssens.
Vreemd vertrouwd. De middeleeuwse mens en zijn ideeënwereld.
Amsterdam University Press, 2018 - 256 pagina's - € 39,99

DE DAGERAAD VAN HOLLAND
De geschiedenis van het graafschap 1100-1300
Henk 't Jong

Recensie van Jonas Lendering op zijn blog Mainzer Beobachter:  
 
Ik weet niet meer hoe ik Henk ’t Jong heb leren kennen – online, ongetwijfeld – maar ik weet wel dat we elkaar voor het eerst hebben ontmoet in een restaurant op een bovenverdieping van het Groot Handelsgebouw in Rotterdam, genietend van het uitzicht op het station en de prachtige wolkenkrabbers. We ontdekten dat we het redelijk eens waren maar toch niet dezelfde visie hebben op geschiedenis. Dat doet er ook niet zoveel toe. Ik mag die ouwe brompot wel.
 
Hij weet namelijk waar hij het over heeft en is niet bang een impopulair standpunt in te nemen. Een historicus moet immers onbevangen, integer en onafhankelijk zijn en een trog een trog en een vijg een vijg noemen. Zoals op zijn blog Apud Thuredrech, waarin ’t Jong hier het standpunt weerlegt dat geschiedenis vooral een verhaal zou zijn. Wat het wel is:

“Geschiedschrijving is het beschrijven van gebeurtenissen uit het verleden, hun oorzaken en gevolgen, gebaseerd op bronnen- en literatuuronderzoek, zonder de lege plekken op te vullen met fantasie of romantische verklaringen.”

Ik licht deze zin eruit omdat dit precies is hoe ’t Jong te werk gaat in het eerste boek dat ik van hem lees, zijn pas verschenen "De dageraad van Holland".
 
De dageraad van Holland is, na Luit van der Tuuks boek over De Friezen en Strijd om West-Frisia van Kees Nieuwenhuijsen, in feite het derde deel in een reeks over het westelijk kustgebied van Nederland. ’t Jong behandelt daarin de twee eeuwen tussen 1100 tot 1300, ofwel de periode van Floris de Vette tot even na de moord op Floris V. En zoals gezegd: ’t Jong beschrijft wat er is gebeurd, weigert lege plekken op te vullen en presenteert bronnen- en literatuuronderzoek.
 
Negen graven passeren zo de revue en je merkt aan alles dat ’t Jong steeds opnieuw heeft geverifieerd wat er feitelijk in de bronnen staat. Geen oorkonde lijkt hij ongelezen te hebben gelaten, geen stadskeur lijkt onvermeld. Hoe groot zijn focus op de bronnen is, blijkt wel uit het feit dat de lezers precies verneemt tot waar de Annalen van Egmond verslag doen en welke auteur aan het woord is. Soms bevestigt ’t Jong zo een traditioneel verhaal, soms spreekt hij het tegen, soms laat hij merken dat hij domweg niet genoeg informatie heeft om vast te stellen wat hij zou willen weten. Dan laat hij de lege plek maar onopgevuld:

“Er zijn in de Nederlandse bronnen geen andere meldingen over Schotse connecties bewaard gebleven, behalve dan dat Willem naar zijn oom, Ada’s broer koning William, is vernoemd.”

Ik bleef achter met de indruk dat het boek in elk geval buitengewoon compleet is. Daarnaast is het fijn geschreven. Het hoofdstuk over de Loonse Oorlog vond ik heel boeiend en de beschrijving van de moord op Floris V was de prachtige ontknoping. Enkele personages, zoals Willem II, Floris de Voogd, Floris V en vooral Willem I, komen mooi uit de verf. Ook heeft ’t Jong soms fijne zinnen in de pen, zoals wanneer hij ingaat op de discussie, gevoerd door enkele lokaalpatriotten, of Dordrecht of Geertruidenberg de oudste stad van Holland is:

“Dat steden niet ontstonden omdat ze een stadskeur kregen, maar dat ze keuren kregen omdat ze stedelijke trekken begonnen te vertonen, is soms nog steeds niet doorgedrongen tot de nogal fanatieke ruziemakers.”

Ik had wat moeite met het derde kwart van het boek. De dageraad van Holland kent nogal wat tekstkaders en in het hoofdstuk over Floris IV werden dat er wel heel veel. In feite gaat de lezer van kader naar kader, slechts onderbroken door af en toe een brokje van de eigenlijke tekst. Ik denk – en dit is een constatering, geen kritiek – dat het samenhangt met ’t Jongs visie op geschiedenis. Wat hij niet noemt in zijn definitie van het vak, zijn de grote maatschappelijke processen, die je niet bestudeert via bronnen maar via de sociale wetenschappen. In dit geval: urbanisatie. Eén hoofdstuk over de voortgaande verstedelijking van Holland, met een paragraaf over verstedelijking als sociologisch verschijnsel en aparte paragrafen over de diverse steden, zou de helft van de tekstkaders hebben kunnen verwijderen uit de hoofdtekst.
 
Sprekend over steden: een van de leuke trekken van De dageraad van Holland is dat alle steden een keurig plattegrondje krijgen. Er staat niets te veel op, niets te weinig, en ze zijn ook nog allemaal getekend in dezelfde stijl. Ik kan moeiteloos boeken noemen waar de samenstellers maar even wat rechtenvrije kaartjes uit andere boek hebben overgenomen, kaartjes waarop andere dingen staan dan de gebruiker van het boek nodig heeft, zodat deze moeilijker tot begrip van het gebodene. ’t Jong houdt wél rekening met de informatiebehoefte van de lezer.
 
Dat brengt me op de rest van de illustraties. Niets is ranziger dan het gebruik van die flauwe rechtenvrije negentiende-eeuwse plaatjes of die belachelijke gravures uit de zeventiende of achttiende eeuw. Ze voegen niets toe en zijn zelfs schadelijk omdat ze een verouderd beeld geven van het verleden. Als ik slechts één aspect van De dageraad van Holland mocht prijzen, dan was het dat het beeldmateriaal gewoon stamt uit de beschreven periode en dat het de tekst verheldert. Gelukkig hoef ik me bij mijn lof niet tot één aspect te beperken: dit is over de gehele linie gewoon een goed vormgegeven, didactisch goed opgebouwd en vooral boeiend boek dat ik u van harte kan aanbevelen.
 
De eerste baldzijden van het boek kunnen op Google books worden gelezen. 

Maria van Gelre - J. Oosterman 

Marie d’Harcourt, beter bekend als hertogin Maria van Gelre, liet in 1415 een gebedenboek maken dat beschouwd wordt als het belangrijkste in Nederland gemaakte verluchte handschrift uit de vroege vijftiende eeuw. Het gebedenboek is vaak onderwerp van onderzoek geweest, maar over de vrouw die het liet maken is eigenlijk vrij weinig bekend. In het recent verschenen werk Maria van Gelre (1380-1429) – Sporen in het landschap probeert hoogleraar Oudere Nederlandse letterkunde Johan Oosterman het verhaal van Maria letterlijk en figuurlijk in beeld te krijgen.

Maria van Gelre zag het levenslicht op 24 februari 1380. Haar vader stamde uit een belangrijk Normandisch adelgeslacht en een zus van haar moeder was koningin van Frankrijk. Bekend is dat Maria vanaf haar negende in Parijs verbleef, waar ze onder meer enige tijd hofdame was van Valentina Visconti, de vrouw van Louis d’Orléans, broer van Karel VI (de Waanzinnige). In deze periode maakte Maria kennis met de hoogste cultuur en ontmoette ze belangrijke geleerden en schrijvers.
 
Gulik en Gelre
 
In 1405 werd Maria uitgehuwelijkt aan Reinald IV, de hertog van Gulik en Gelre. Zijn hertogdom was toen nog relatief jong. Aanvankelijk waren Gulik en Gelre graafschappen in het Duitse keizerrijk. De Duitse keizer bevorderde het graafschap Gelre in 1339 tot hertogdom en Gulik in 1356. De twee nieuwe hertogdommen raakten in de decennia hierna steeds meer met elkaar verbonden en vanaf 1393 vormden ze gezamenlijk een personele unie. Vanwege het uitgestrekte en strategisch gelegen territorium van het hertogdom, probeerden verschillende Europese grootmachten het hertogdom Gulik en Gelre onder de eigen invloedssfeer te brengen. Het huwelijk van Reinald en de Franse Maria moet in dat licht gezien worden. Maria van Gelre liet zich in onze contreien kennen als een zelfbewuste en ambitieuze edelvrouw. Johan Oosterman over de periode na 1405:

“Maria leerde de taal van haar nieuwe gebieden snel kennen en speelde waar mogelijk een bestuurlijke rol. Ze was goed geschoold en zelfverzekerd. Toch was haar voornaamste taak het baren van een kind, zodat hertog Reinald een wettig erfgenaam zou hebben.”

En daar ging het politiek gezien ‘mis’. Het huwelijk bleef kinderloos en dat had grote politieke gevolgen.

“Steden en ridders van Gelre wilden invloed op de opvolging. In de lastige verhoudingen die ontstonden, speelde Maria een grote rol als gesprekspartner van de Gelderse Staten. Toen Reinald op 25 juni 1423 inderdaad zonder erfgenaam stierf, kozen de steden en ridders een nieuwe hertog. Maria was niet meer welkom.”

In de jaren hierna raakte Maria van Gelre steeds verder uit beeld. Ze overleed in 1429, maar waar ze ligt begraven is niet eens bekend. Het meest tastbare dat van haar bewaard is gebleven, is haar gebedenboek, dat in 1415 werd gemaakt en tien jaar later werd uitgebreid door verluchters uit de omgeving van Nijmegen en Utrecht.
 
Sporen in het landschap
 
Johan Oosterman was enkele jaren geleden initiator van een crowdfundingsactie voor de restauratie van het gebedenboek. Daarnaast werkte hij mee aan de digitalisatie van het middeleeuwse werk, dat hierdoor sinds enige tijd online voor iedereen te bekijken is. Tijdens deze projecten werd nog eens extra duidelijk hoe weinig men eigenlijk wist van de vrouw die het beroemde gebedenboek ‘hait laissen scriven’.

Na contact met de stichting Geldersch Landschap en Kasteelen dat de wens had om het verhaal van het gebedenboek te verbinden met relevante locaties, ontstond het project Sporen in het landschap. Oosterman’s boek is daar het uiteindelijke resultaat van. In twaalf hoofdstukken worden hierin twaalf plaatsen beschreven die een rol speelden in het leven van de hertogin. Van de resten van een slotgracht tot de bron bij het klooster waar het gebedenboek is geschreven.

Een van de beschreven locaties is Rosendael, waar nog altijd de toren is te zien van de burcht waar Maria geregeld verbleef. Oosterman beschrijft de geschiedenis van dit kasteel, dat ooit begon als jachtslot, maar later uitgroeide tot verdedigingswerk en een lusthof waar de hertogin van Gelre geregeld resideerde en feestvierde. De godvrezende Maria gebruikte de burcht ook als uitvalsbasis voor haar bedevaarten naar kloosters in bijvoorbeeld Renkum, Monnikhuizen en Mariënborn.
 
Nijmegen, een moeizame relatie
 
Interessant is ook de bijdrage van Jan Kuys over de moeizame relatie van het hertogelijk paar met de stad Nijmegen. Met ruim 10.000 inwoners was dit destijds veruit de grootste stad in Gelre en Gulik. Maria en haar man kwamen er vrijwel ieder jaar wel een paar keer, maar heel veel zin lijken ze daar meestal niet in gehad te hebben. Ze bleven nooit langer dan een paar dagen. De hertog en de hertogin lijken zich in Nijmegen niet helemaal op hun gemak te hebben gevoeld. Volgens Kuys had dat alles te maken met de macht van de stad en de bijzondere burcht, de grootste en belangrijkste in beide hertogdommen:

“Deze burcht, met zijn machtige Barbarossatoren, was de belichaming van het keizerlijk gezag in Nijmegen en omgeving. Er was onder meer het heikele punt dat de Valkhofburcht binnen de verdedigingsgordel van de Nijmeegse stadsmuren lag, waardoor hertog en stad elkaar militair naar het leven konden staan.”

Daarnaast sudderde er voortdurend een kwestie over de status van Nijmegen. Was het een rijksstad of een hertogelijke Gelderse stad? De stad zelf beriep zich meerdere keren op haar onafhankelijke status als rijksstad, omdat zij al voor de verpanding aan Gelre, in 1230 stadsrechten had ontvangen. Met name onder de hertogen na Reinald IV liepen de spanningen geregeld hoog op. Maar ook in de tijd van Maria lijkt de kwestie al invloed te hebben gehad.

“In elk geval is duidelijk dat Nijmegen nooit voor langere tijd de residentie van de hertog en de hertogin is geweest. De Valkhofburcht was duidelijk niet hun favoriete verblijfplaats.”
 
Onderhandelen
 
Doordat het huwelijk van Maria en Reinald kinderloos bleef, ontstonden er vanaf 1418 conflicten met de steden en ridders. Deze betwistten het recht van de hertog om zijn eigen opvolger aan te wijzen. Als belangrijkste stad van het hertogdom nam Nijmegen vaak het voortouw bij dit verzet. Noodgedwongen reisde Maria hierdoor in deze periode vaker naar Nijmegen dan haar vermoedelijk lief was. Haar man had namelijk geen zin in de onderhandelingen. Kuys:

“Reinald liet de onderhandelingen na mei 1418 geheel over aan hertogin Maria. Zij voerde van augustus tot oktober 1419 namens haar echtgenoot diverse gesprekken met vertegenwoordigers van de steden en ridderschap. De meeste daarvan vonden plaats in Nijmegen.”

 
Slot
 
Voor wie meer wil weten over de vrouw achter het beroemde gebedenboek is Sporen in het landschap een uitkomst. Dat het boek is geschreven door dé Maria-kenner bij uitstek is natuurlijk een pre. Gekscherend noemt de hoogleraar zichzelf wel eens “de man van Maria”, omdat hij al zo lang onderzoek doet naar de hertogin. Hoewel er nog altijd niet heel veel over de hertogin bekend is, geven de beschreven sporen gezamenlijk toch een completer beter beeld van Maria en haar entourage.
Een boek over deze hertogin moet natuurlijk mooi opgemaakt worden. En dat is in dit geval ook gebeurd. Naast foto’s van de ‘sporen in het landschap’ bevat het boek afbeeldingen uit het gebedenboek en foto’s van historische objecten die gelieerd zijn aan de hertogin. Bekijk de video hieronder voor een impressie.


 
Johan Oosterman
Maria van Gelre (1380-1429) – Sporen in het landschap
Prijs: € 14.50 -  132 pagina’s

 
Bron: Yuri Visser, Historiek.net

De Katharen - John van Schaik
€ 24,99

Ons beeld van de katharen berust voornamelijk op negentiende-eeuwse verzinsels. Dat betoogt historicus en theoloog John van Schaik in zijn nieuwe boek "De katharen. Tussen werkelijkheid en fictie". ‘Mensen worden soms boos als ik historische feiten aandraag die niet passen bij hun eigen beeld.’
 
Nog een boek over de katharen? Is alles hierover dan nog niet geschreven? Ja en nee. Vooral vanuit (pseudo)esoterische hoek wordt veel over dit onderwerp gepubliceerd, maar vaak kan dat de historische toets der kritiek niet doorstaan. Een gesprek met de auteur, John van Schaik...
 
Wie waren de katharen en wat geloofden zij?
‘De katharen waren christenen die in de twaalfde en dertiende eeuw in Vlaanderen, Occitanië, het Rijnland en Noord-Italië leefden. Hun geloof week op twee belangrijke punten af van de leer van de katholieke kerk. Ten eerste waren de katharen dualisten. Ze geloofden dat het kwaad niet van de goede god kan komen en dat er dus nog een tweede, kwade god was: Jaweh, uit het Oude Testament. Hij zou tevens de schepper zijn. De goede god was de god uit het Nieuwe Testament.
 
De katharen geloofden dat de schepping van de kwade god kwam en dus slecht was. Het menselijk lichaam zagen zij ook als iets slechts en uit die visie kwam het idee voort dat Jezus nooit zowel de goede god als mens – een schepping van de kwade god – geweest kan zijn. Christus had een soort schijnlichaam aangenomen in Jezus, geloofden ze.’
  
Hoe beleden de katharen hun geloof in de praktijk?
‘Daar is weinig over bekend. Het geloof van de katharen was een echte wereldvluchtreligie: erg gericht op de hemel en het hiernamaals en ernaar strevend om zo min mogelijk verbonden te zijn met de aarde. Ze deden erg veel aan ascese. Verder waren er veel overeenkomsten tussen een kathaar en Franciscus van Assisi: hij was net zo uitgemergeld en vond zijn lichaam ook maar vies. Beiden moesten niets hebben van lekker eten en drinken.
 
De katharen zagen die dikke, rijke geestelijken en dachten dat Jezus het zo toch niet bedoeld kon hebben. Net als Franciscus probeerden ze Jezus’ armoede te imiteren. Ze grepen terug naar de oorsprong van het geloof – met een heel eigen visie op die oorsprong.’
 
U schrijft dat er over de katharen allerlei mythes bestaan waarvoor geen wetenschappelijke basis is. Waar komen die verhalen vandaan?
‘In de negentiende eeuw had de katholieke een sterke greep op de maatschappij en ook de evolutietheorie was in opkomst. Als reactie hierop zochten sommigen antwoorden bij mystieke spirituele groeperingen als de katharen, over wie zo allerlei romantische verhalen ontstonden.
 
De katharen zouden allerlei geheimzinnige inwijdingsrituelen houden, maar hierover is in hun eigen bronnen niets terug te vinden. Ook is er een verhaal dat de katharen een speciale band hadden met de tempeliers: een ridderorde die de kerk verdedigde tijdens de kruistochten, zo katholiek als maar zijn kon. Maar uit de bronnen blijkt alleen dat er in Occitanië her en der familieverbanden waren tussen tempeliers en katharen. Die connectie mag dus ook verwezen worden naar het rijk der fabelen.

Ik geef cursussen en lezingen over de katharen, waarop mensen afkomen die zich bezighouden met esoterisch gedachtegoed. Sommigen worden boos als ik historische feiten op tafel leg die niet passen bij hun eigen beeld van de katharen. Daar moet ik subtiel mee omgaan, want wat zij geloven is zeker waardevol. Het heeft alleen niets te maken met de historische katharen.’
 
Hoe kwam de vervolging van de katharen tot stand?
‘De kerk maakte zich in het begin oprecht zorgen om het zielenheil van de katharen, die zij zag als afvallige ketters. Er werd veel gepreekt om ze terug te krijgen. De problemen begonnen pas toen de pauselijke inquisitie werd opgericht omdat het katharisme in Occitanië zo hard groeide. In deze regio waren katharen aanvankelijk vrij om hun geloof te belijden. Dat was wel anders in Vlaanderen bijvoorbeeld, waar de graaf en de bisschop de boel flink onder controle hielden.
  
Een aantal katharen vermoordde de eerste inquisiteurs – ze waren heus niet allemaal vredelievend. Als gevolg daarvan riep de paus op tot een kruistocht, waaraan veel Franse edellieden gehoor gaven. Een reis naar de eigen achtertuin was natuurlijk een stuk laagdrempeliger dan zo’n expeditie naar Jeruzalem. Het liep verschrikkelijk uit de hand. Door de vervolgingen gingen de katharen ondergronds – voordat ze onderdrukt werden preekten ze op dorpspleinen, waar iedereen kon komen luisteren – en een aantal kathaarse priesters zochten een schuilplaats in het bos.
 
De uitroeiing van de katharen was de enige keer in de geschiedenis van de katholieke kerk dat andersgelovigen puur en alleen om hun geloof werden vermoord. Motieven als macht en geld speelden in alle andere gevallen een rol, maar niet bij de katharen.’ 
 
Is het beroemde verhaal over de katharen in de burcht van Montségur ook een negentiende-eeuws verzinsel?
‘Nee, dit is waar gebeurd. In 1244 werd dit kathaarse kasteel onderworpen door de kruisvaarders. De katharen kregen de keuze: zich bekeren tot het katholicisme of de brandstapel. Zo’n tweehonderd van hen kozen het laatste.’
 
Bron: Anna Burgers, ‘De katholieke kerk maakte zich oprecht zorgen om het zieleheil van de katharen’, historischnieuwsblad.nl, 
 

Recensie:
Over de katharen wordt de laatste decennia zeer veel geschreven, vaak op een eenzijdige en sensationele manier. Van Schaik wil in zijn boek op wetenschappelijk-kritische wijze schetsen wat het middeleeuwse katharisme precies inhield. De katharen vormen een gnostische, dualistische en docetische 'sekte'. Dualistisch omdat men geloofde dat er naast de grote goede God ook een kwade scheppingsmacht bestond. Docetisch omdat men de materie afschreef en niet kon aanvaarden dat Jezus 'waarlijk vlees' geworden was. De auteur gaat op deze twee aspecten uitvoerig in, evenals op de praxis en de inwijding en op de idee van reincarnatie (niet dominerend aanwezig). De auteur geeft ook een overzicht van de kathaarse teksten, schetst de geschiedenis en de wortels van deze beweging en gaat duidelijk in tegen de moderne misvattingen (zoals omtrent de graal en de tempeliers). Een kort overzicht van het esoterisch christendom sluit het boek af. Een voortreffelijk boek, zorgvuldig en nauwkeurig opgesteld. Een verademing temidden van alle pulp over de katharen. Uiteraard zijn er wel kanttekeningen bij te plaatsen, maar dat neemt niet weg: onmisbaar voor iedereen die het katharisme wil bestuderen. Met eindnoten, verklarende woordenlijst, literatuuropgave en register.

Dr. R. Kranenborg

'Clovis in de schaduw van twee vrouwen' – De ultieme culturele omslag belichaamd in de eerst gedoopte vorst. Een betrouwbare gids opgetekend door Prof. Raoul Bauer

Het doopsel van Clovis op 25 december 499 was een mijlpaal in de geschiedenis. Het is meteen ook het antwoord op de courante quizvraag ‘algemene kennis’. Maar wie was die eerste christelijke koning? Welk koninkrijk wil Clovis stichten wanneer hij radicaal kiest voor de godsdienst van zijn Gallo-Romeinse onderdanen en niet voor het arianisme, de godsdienst van de toonaangevende Germaanse rijken? Welke rol speelden Clotilde en Genoveva van Parijs in zijn Leven? En hoe zit dat met de bloedwraak en de brutale moorden op mogelijke erfopvolgers?

‘Voor mij begint de geschiedenis van Frankrijk met Clovis, gekozen tot koning van Frankrijk door de stam van de Franken, die hun naam gaven aan Frankrijk. Vóór Clovis hebben we een Gallo-Romeinse en Gallische voorgeschiedenis. De beslissende factor is voor mij dat Clovis de eerste koning was die christelijk werd gedoopt. Mijn land is een christelijk land en ik begin de geschiedenis van Frankrijk te tellen vanaf het aan de macht komen van een christelijke koning die de naam draagt van de Franken.’ - Charles de Gaulle, 1965


In "Clovis in de schaduw van twee vrouwen" komen we oog in oog te staan met de confrontatie tussen verschillende wereldbeelden die elkaar raken in een kantelend tijdperk. In deze periode vol chaos en onzekerheid brengt de eigenzinnige Clovis de Franken tot eenheid en verenigt opnieuw het in stukken gevallen Gallië. En midden in die strijd om macht en land begint hij zijn bekeringsproces, dat eindigt met een betekenisvolle doopplechtigheid op 25 december van (wellicht) het jaar 499. In die ‘opdracht’ staat hij niet alleen. De sterke en later heilig verklaarde Genoveva van Parijs, die Attila trotseert, zijn soms al te passionele echtgenote Clotilde die op weg naar haar bruidegom enkele Bourgondische dorpen brandschat en op het einde van haar leven gebroken wordt door de moord op haar kleinzonen. De oude Remigius die zijn tijd overleefd heeft, maar niettemin trouw blijft aan ‘zijn’ koning Clovis…

Clovis' bekering tot het christendom, gewelddadige veroveringen en bestuur hangen met weerhaakjes vast aan de mythe die door historiografen en historici door de eeuwen heen werd opgebouwd. Voor professor Raoul Bauer is een cultuurhistorische benadering van de figuur Clovis waarin naast de maatschappelijk-politieke geschiedenis voluit ruimte wordt gegeven aan het religieuze denken, de enig mogelijke. Een hobbelige weg met onbetrouwbare wegwijzers, een echte uitdaging, maar gelukkig is de gids betrouwbaar!

Prof. Raoul Bauer, historicus en doctor in de letteren, is emeritus hoogleraar cultuurgeschiedenis in de Associatie van de KU Leuven. Bij Davidsfonds Uitgeverij publiceerde hij verschillende boeken, waaronder "Karel de Grote. Een keizer op de grens tussen twee werelden".

____________________________________________________________________
Prof. Raoul Bauer, Clovis in de schaduw van twee vrouwen
ISBN 9789059087866 | 256 blz. | € 27,50 | Paperback
Davidsfonds Uitgeverij

Welkom bij Clubs!

Kijk gerust verder op deze club en doe mee.

Wat is dit?


Of maak zelf een Clubs account aan:


Aanbevelingen door leden:

bernard-de-clairvaux starstarstarstarstar

Een geweldige community over de middeleeuwen in al haar facetten. Boeken, tentoonstellingen, steden en discussies met diepgang en humor. Een Vlaams-Nederlandse samenwerking van historisch niveau!