Kunst en cultuur van de middeleeuwen

- Welkom op deze club over de middeleeuwen -

ff4ed65097cf6febccbfc81e2132384eead5fb8d

ehrenritter.gifIn deze club volgen we het nieuws over de middeleeuwen en discuteren we er over op het forum of blog: nieuwe inzichten en analyses, boeken en internetberichten, tentoonstellingen, films en TV-series, strips, levende geschiedenis en re-enactment en last but not least, de reisverslagen van onze clubleden. Kortom elk evenement dat ook maar een link heeft met de middeleeuwen krijgt een plaats op deze club. Het kan dus ook een persoonlijke belevenis of ervaring zijn van een clublid of gast, daarvoor dient vooral het 'Forum'. Op de blogberichten kan je ook je reacties kwijt. Naast het vele nieuws heb je ook nog de talrijke videoclips die je vindt in 'Videoalbums' en enkele links. Kortom, ben je in geschiedenis geïnteresseerd en meer bepaald in de periode van de middeleuwen, maak je kosteloos lid en doe mee of geniet.

5_1.pngD
e naam van de club verwijst naar het boek De Kathedralenbouwers van de franse historicus G. Duby: de middeleeuwers waren immers bij uitstek kathedralenbouwers. Dit boek heeft mij begeesterd en het middeleeuwse vuur wakkerde voor eeuwig aan door "De naam van de Roos" van de erudiete Umberto Eco.

Je vindt "Kathedralenbouwers" ook op Scoop.it!.  Plaatjes over de middeleeuwen vind je op Pinterest - middeleeuwen.

De periode voor de middeleeuwen, namelijk de Prehistorie en de Oudheid, wordt behandeld in de club
"Van Prehistorie tot Middeleeuwen".

Ben je een toevallige gast?
Wordt gratis lid, of laat iets horen op het forum of mail de eigenaar van deze club op calamandja@yahoo.com.

eric-enide-e1391725330308.jpg

Reeds sedert 2008 organiseert de club Kathedralenbouwers jaarlijks een clubbijeenkomst. 
Na Utrecht (2008), Brugge (2009), Delft (2010), Zutphen (2011), Kortrijk (2012), Bergen op Zoom (2014), Mechelen (2015, is de achtste clubdag in 2017 doorgegaan in Deventer. Hieronder vind je het verslag van deze laatste clubdag, opgesteld door clublid Antonius.

Bouwersdag 2017: Deventer.
De Abt had een programma  voor de achtste Bouwersdag  op zaterdag 24 juni 2017 met als begin het samentreffen  in Cafe Sjampetter aan de Brink 81 voor koffie en een stuk Deventer koek. 
Rond 11:00 uur wandelen de Bouwers over  de Brink - waar de geur van de jaarmarkten uit de veertiende eeuw nog voor het opsnuiven ligt - naar het middeleeuwse Bergkwartier. We bezoeken de  in 1206 ingewijde St. Nicolaaskerk, beter bekend als Bergkerk en  letterlijk het hoogtepunt van het middeleeuwse Bergkwartier met zijn hellende straatjes en trappen. De lopende tentoonstelling Roofkunst, voor-tijdens en na  WO II brengt de Bouwers terug in de 20e en 21e eeuw: het hele verhaal van roof en teruggave wordt getoond aan de hand van een groot aantal oude meesters. Centraal staan de joodse kunsthandelaars en particulieren van wie kunstwerken in Duitse handen terecht waren gekomen. Het geeft een gemakkelijk gevoel af en toe naar boven te kunnen kijken, het gebouw in….naar  de fresco’s van vroegere tijd.

Lunch is er in het monumentale BOUWERSHUIS aan de Brink, tot voor kort  in gebruik als (kanton-) gerecht met in de kelder heuse  gevangeniscellen met  dubbele deuren en zo’n kijkluikje (brrr…) en blauwe stenen in het straattrottoir die de steunpunten van het vroegere schavot markeren.
De tijdas van de stad  wordt getoond in Museum De Waag, gebouwd in 1528, met bijzonder jaar 768, wanneer Lebuinus op de zandduinen  aan de oostelijke oever van de IJssel  het eerste kerkje bouwt.
Voor de theepauze  zijn we in De Waagschaal aan de Brink 77.

De Abt neemt ons op wandeltour naar de voormalige Mariakerk, waarvan alleen nog pijlers, scheibogen en een deel van het opgaand muurwerk zichtbaar zijn. Door de Noorderbergstraat gaat het naar Het Klooster met de daaraan gelegen Athenumbibliotheek; TIJD om in te gaan op de betekenis van de Moderne Devotie. In de Sandrasteeg  stonden we recht tegenover  de Proosdij, het oudste (1133) stenen gebouw van Nederland.
Rondom de klok van 16:00 uur gaan de deuren van de Lebuinuskerk voor ons open; de kerk was in de 9e eeuw zetel van de (uitgeweken) Utrechtse bisschop. Zes pilaren dragen de crypte, die al deel uitmaakte van de romaanse kerk uit 1040.

Bij de klok van over vijven zitten de Bouwers aan het bier in Grandcafe De Dikke Van Dale; persoonlijke roerselen gaan mee doen in de gesprekken en dringen Deventer wat naar de achtergrond. Tijdens het  afsluitend diner in Engel en Bengel  vertellen de Bouwers over hun eigen eerste stappen in het tijdvak van 500-1500 dat zich meer en meer laat ontsluiten.
Over negenen gaat elke Bouwer weer zijn eigen weg, gevoed en gelaafd met inspiratie voor nieuw te lezen boeken, te bezoeken steden en gebouwen voor  de komende zomervakantie.  Het was een dag om mee te maken.

art_border_motif_01.jpgart_border_motif_01.jpgart_border_motif_01.jpg

 

Foto van de clubleden op de zevende clubdag in Mechelen (2015):

Foto van de clubleden op de zesde clubdag in Bergen op Zoom (2014):

Foto van de clubleden op de vijfde clubbijeenkomst in Kortrijk (2012):

IMG_0001.JPG

Foto van de clubleden op de vierde clubbijeenkomst in Zutphen (2011):

club2.jpg

Foto van de clubleden op de derde clubbijeenkomst in Delft (2010):

Clubleden Kathedralenbouwers in Delft

Foto van de aanwezige clubleden op de tweede clubbijeenkomst van de Kathedralenbouwers te Brugge op 18 april 2009.

cluppersbrugge(1).jpg

art_border_motif_01.jpgart_border_motif_01.jpgart_border_motif_01.jpg

documents.gif 46a0f6cd59ecc242f3e84fbf00fabaa2.jpg

Free counters!

De Katharen - John van Schaik
€ 24,99

Ons beeld van de katharen berust voornamelijk op negentiende-eeuwse verzinsels. Dat betoogt historicus en theoloog John van Schaik in zijn nieuwe boek "De katharen. Tussen werkelijkheid en fictie". ‘Mensen worden soms boos als ik historische feiten aandraag die niet passen bij hun eigen beeld.’
 
Nog een boek over de katharen? Is alles hierover dan nog niet geschreven? Ja en nee. Vooral vanuit (pseudo)esoterische hoek wordt veel over dit onderwerp gepubliceerd, maar vaak kan dat de historische toets der kritiek niet doorstaan. Een gesprek met de auteur, John van Schaik...
 
Wie waren de katharen en wat geloofden zij?
‘De katharen waren christenen die in de twaalfde en dertiende eeuw in Vlaanderen, Occitanië, het Rijnland en Noord-Italië leefden. Hun geloof week op twee belangrijke punten af van de leer van de katholieke kerk. Ten eerste waren de katharen dualisten. Ze geloofden dat het kwaad niet van de goede god kan komen en dat er dus nog een tweede, kwade god was: Jaweh, uit het Oude Testament. Hij zou tevens de schepper zijn. De goede god was de god uit het Nieuwe Testament.
 
De katharen geloofden dat de schepping van de kwade god kwam en dus slecht was. Het menselijk lichaam zagen zij ook als iets slechts en uit die visie kwam het idee voort dat Jezus nooit zowel de goede god als mens – een schepping van de kwade god – geweest kan zijn. Christus had een soort schijnlichaam aangenomen in Jezus, geloofden ze.’
  
Hoe beleden de katharen hun geloof in de praktijk?
‘Daar is weinig over bekend. Het geloof van de katharen was een echte wereldvluchtreligie: erg gericht op de hemel en het hiernamaals en ernaar strevend om zo min mogelijk verbonden te zijn met de aarde. Ze deden erg veel aan ascese. Verder waren er veel overeenkomsten tussen een kathaar en Franciscus van Assisi: hij was net zo uitgemergeld en vond zijn lichaam ook maar vies. Beiden moesten niets hebben van lekker eten en drinken.
 
De katharen zagen die dikke, rijke geestelijken en dachten dat Jezus het zo toch niet bedoeld kon hebben. Net als Franciscus probeerden ze Jezus’ armoede te imiteren. Ze grepen terug naar de oorsprong van het geloof – met een heel eigen visie op die oorsprong.’
 
U schrijft dat er over de katharen allerlei mythes bestaan waarvoor geen wetenschappelijke basis is. Waar komen die verhalen vandaan?
‘In de negentiende eeuw had de katholieke een sterke greep op de maatschappij en ook de evolutietheorie was in opkomst. Als reactie hierop zochten sommigen antwoorden bij mystieke spirituele groeperingen als de katharen, over wie zo allerlei romantische verhalen ontstonden.
 
De katharen zouden allerlei geheimzinnige inwijdingsrituelen houden, maar hierover is in hun eigen bronnen niets terug te vinden. Ook is er een verhaal dat de katharen een speciale band hadden met de tempeliers: een ridderorde die de kerk verdedigde tijdens de kruistochten, zo katholiek als maar zijn kon. Maar uit de bronnen blijkt alleen dat er in Occitanië her en der familieverbanden waren tussen tempeliers en katharen. Die connectie mag dus ook verwezen worden naar het rijk der fabelen.

Ik geef cursussen en lezingen over de katharen, waarop mensen afkomen die zich bezighouden met esoterisch gedachtegoed. Sommigen worden boos als ik historische feiten op tafel leg die niet passen bij hun eigen beeld van de katharen. Daar moet ik subtiel mee omgaan, want wat zij geloven is zeker waardevol. Het heeft alleen niets te maken met de historische katharen.’
 
Hoe kwam de vervolging van de katharen tot stand?
‘De kerk maakte zich in het begin oprecht zorgen om het zielenheil van de katharen, die zij zag als afvallige ketters. Er werd veel gepreekt om ze terug te krijgen. De problemen begonnen pas toen de pauselijke inquisitie werd opgericht omdat het katharisme in Occitanië zo hard groeide. In deze regio waren katharen aanvankelijk vrij om hun geloof te belijden. Dat was wel anders in Vlaanderen bijvoorbeeld, waar de graaf en de bisschop de boel flink onder controle hielden.
  
Een aantal katharen vermoordde de eerste inquisiteurs – ze waren heus niet allemaal vredelievend. Als gevolg daarvan riep de paus op tot een kruistocht, waaraan veel Franse edellieden gehoor gaven. Een reis naar de eigen achtertuin was natuurlijk een stuk laagdrempeliger dan zo’n expeditie naar Jeruzalem. Het liep verschrikkelijk uit de hand. Door de vervolgingen gingen de katharen ondergronds – voordat ze onderdrukt werden preekten ze op dorpspleinen, waar iedereen kon komen luisteren – en een aantal kathaarse priesters zochten een schuilplaats in het bos.
 
De uitroeiing van de katharen was de enige keer in de geschiedenis van de katholieke kerk dat andersgelovigen puur en alleen om hun geloof werden vermoord. Motieven als macht en geld speelden in alle andere gevallen een rol, maar niet bij de katharen.’ 
 
Is het beroemde verhaal over de katharen in de burcht van Montségur ook een negentiende-eeuws verzinsel?
‘Nee, dit is waar gebeurd. In 1244 werd dit kathaarse kasteel onderworpen door de kruisvaarders. De katharen kregen de keuze: zich bekeren tot het katholicisme of de brandstapel. Zo’n tweehonderd van hen kozen het laatste.’
 
Bron: Anna Burgers, ‘De katholieke kerk maakte zich oprecht zorgen om het zieleheil van de katharen’, historischnieuwsblad.nl, 
 

Recensie:
Over de katharen wordt de laatste decennia zeer veel geschreven, vaak op een eenzijdige en sensationele manier. Van Schaik wil in zijn boek op wetenschappelijk-kritische wijze schetsen wat het middeleeuwse katharisme precies inhield. De katharen vormen een gnostische, dualistische en docetische 'sekte'. Dualistisch omdat men geloofde dat er naast de grote goede God ook een kwade scheppingsmacht bestond. Docetisch omdat men de materie afschreef en niet kon aanvaarden dat Jezus 'waarlijk vlees' geworden was. De auteur gaat op deze twee aspecten uitvoerig in, evenals op de praxis en de inwijding en op de idee van reincarnatie (niet dominerend aanwezig). De auteur geeft ook een overzicht van de kathaarse teksten, schetst de geschiedenis en de wortels van deze beweging en gaat duidelijk in tegen de moderne misvattingen (zoals omtrent de graal en de tempeliers). Een kort overzicht van het esoterisch christendom sluit het boek af. Een voortreffelijk boek, zorgvuldig en nauwkeurig opgesteld. Een verademing temidden van alle pulp over de katharen. Uiteraard zijn er wel kanttekeningen bij te plaatsen, maar dat neemt niet weg: onmisbaar voor iedereen die het katharisme wil bestuderen. Met eindnoten, verklarende woordenlijst, literatuuropgave en register.

Dr. R. Kranenborg

 

In De Franken en het christendom duikt Trouillez de vroege Middeleeuwen in, die helemaal niet zo donker waren als vaak beweerd wordt. Het verhaal begint bij de doop van de heidense koning Clovis, wiens Merovingerse dynastie aanvankelijk de resten van het ingestorte Romeinse rijk nog niet eens zo beroerd bestuurde en het Frankische territorium zelfs flink naar het oosten wist uit te breiden.

Toen hun koningen vadsig werden, namen hun Karolingische hofmeiers de macht en vervolgens de kroon over. Onder hen beroemde namen, zoals Karel Martel (hij versloeg in 732 bij Poitiers de Moren) en zijn legendarische kleinzoon en ‘vader van Europa’, keizer Karel de Grote. Hij had zijn macht en reputatie niet in de laatste plaats te danken aan zijn innige samenwerking met paus Leo III. Karel beschermde Rome tegen Longobarden en Byzantium, kerstende (soms met zeer grof geweld) de Saksen en bemoeide zich op concilies ongeremd met zowel kerkbestuurlijke als theologische kwesties.

Ook als het ging om onderwijs, armenzorg, kloosterregels en het goede gedrag van clerus en bevolking, wisten Karel en kerk elkaar te vinden. En hoewel de keizer zelf nauwelijks kon schrijven, was hij was wel zo slim om de knapste koppen van Europa naar zijn hof in Aken te lokken, waaronder Alcuïnus.

“Rond 700 waren de Kerk en het christendom in het Frankische Rijk op grote schaal aanwezig, alleen kon men bedenkingen hebben bij de wijze waarop. Meer dan eens zou een vreemde bezoeker moeite hebben gehad om christelijke van heidense elementen te onderscheiden, zowel in de opvattingen als in het gedrag. Ook zou hij zich hebben afgevraagd waarom zoveel geestelijke leiders zich allerminst om het geestelijke leven van de mensen bekommerden.”

Met die woorden maakt de Vlaamse professor kerkgeschiedenis Pierre Trouillez de balans op in De Franken en het christendom (550-850), Een rechte lijn. Het jaar 700 markeert het midden van de periode van zijn onderzoek. De jaren van de kennismaking met het christendom zijn voorbij maar de kerstening is nog lang niet afgerond. Het wemelt nog van de heidense elementen en de kerkleiders waren niet alleen met het zielenheil van hun volk bezig.
 
Bonifatius
 
Toch is er juist in de zevende eeuw veel werk verzet om de organisatie van de Frankische Kerk op poten te zetten. Wie speelde daarin een centrale rol? Juist, Bonifatius. Daarom kiest ook Trouillez ervoor om deze Angelsaksische missionaris de hoofdrol te laten spelen in de eerste hoofdstukken van zijn boek. Anders dan Nederlandse auteurs die zich op Bonifatius’ missionaire optreden in het Kromme Rijngebied en in Friesland concentreren (zoals in Bonifatius in Dorestad), heeft Trouillez juist oog voor zijn werk in het huidige Duitsland. Tijdens dit werk in gebieden die veelal al eerder gekerstend waren, nam de missionaris de stand van zaken op:

“Net als tijdens zijn eerste verblijf werd Bonifatius in Thüringen geconfronteerd met het bedroevend lage peil van veel priesters en met christenen die probleemloos van de christelijke God naar de heidense goden zapten.”

Minder bekend is dat deze van oorsprong Engelse missionaris de basis heeft gelegd voor de Frankische kerk; hij heeft bijvoorbeeld Karels vader, Pepijn de Korte, met oudtestamentisch ceremonieel tot koning gezalfd.  Bonifatius begon “duchtige uitzuiveringsoperaties” waarbij hij niet schroomde om op gevoelige Frankische geestelijke tenen te staan. Voorbeeld: “Bonifatius werkte zich uit de naad om bisschop Aldebert op non-actief te zetten.” Trouillez acht het overigens waarschijnlijk dat Bonifatius’ moord een uit de hand gelopen beroving was in plaats van een wraakactie van getergde heidense Friezen op een fanatieke zendeling. 
  
Geestelijk kader voor Europa
 
Uit de citaten blijkt al dat Trouillez zich rijkelijk bediend van beeldtaal. De auteur gebruikt een verhalende schrijfstijl. Franken en het christendom is dan ook een informatief boek dat je makkelijk leest., Dat ondanks de vele vroegmiddeleeuwse personen die de revu passeren. Hij gaat namelijk niet alleen Bonifatius’ gangen na, maar ook die van tal van missionarissen en pausen, Frankische hofmeiers en koningen, onder wie ook Karel de Grote. In het hoofdstuk ‘Verkenningen in het kerkelijke leven’ is zijn vizier gericht op “de velen die in de kronieken geen plaats hebben gekregen”: dat gaat onder meer over de lagere geestelijke stand, over de riten die zij ondergingen en hoe zij met heiligen en relieken omgingen.

Over onder Karel de Grote hoe de strijd tegen heidens bijgeloof georganiseerd werd: “Nadat de missionaris het fundament van de kerstening had gelegd, was het de beurt aan de populi paedagogus, de opvoeder van het volk, om de christelijke geloofsbeleving van het parasiterende heidendom te ontdoen. Deze volkspedagoog was liefst met een flinke portie geduld en doorzettingsvermogen begiftigd. Als men weet dat zelfs iemand als Karel de Grote bleef geloven in de kracht van het kruid ‘baard van Jupiter’ tegen de bliksem, kan men zich voorstellen hoe sterk het oude bijgeloof de gewone mens in zijn greep bleef houden.”

 

Net als in zijn eerdere boek 'De Germanen en het christendom' laat de auteur zich niet storen door huidige landsgrenzen. Uit de conclusie van De Franken en het christendom blijkt waarom. Hij ziet de Kerk, zijn Kerk, als de organisatie die een geestelijk kader voor Europa aan heeft gebracht. In Een rechte lijn tot de Hoge Middeleeuwen. Of tot nu?  In Karel de Grote en de monnik Benedictus van Nursia ziet hij in ieder geval de vaders van Europa, maar hij wijst vooral een belangrijke stabiliserende en vorming werking toe aan de pausen waardoor “Europa op weg was om het concept van het Imperium Romanum te vervangen”.

Trouillez weet indrukwekkend veel; val gerust om van de 1301 noten bij zijn tekst, vol verwijzingen naar oorspronkelijk (kerk)Latijns materiaal. Ook heeft hij een prettig oog voor de anekdotische kanten van zijn verder toch zo serieuze onderwerp; het royale hoofdstuk over Karels richtlijnen voor gepast priesterlijk gedrag is een heerlijk hoogtepunt van zijn boek.

Verrassend is verder hoe hartstochtelijk er zeven eeuwen voor de Reformatie al werd getheologiseerd over kinderdoop, hostie en beeldenverering. Nee, die sombere Middeleeuwen begonnen pas toen ook het Frankische rijk in 880 ineen was gestort, zoveel maakt Trouillez glashelder.

Met notenapparaat, kaarten, bibliografie en register.

Pierre Trouillez - De Franken en het christendom (550-850)
Davidsfonds Uitgeverij - 351 p. - € 24.99
 
   
Priester Pierre Trouillez (1946) is emeritus-docent kerkgeschiedenis aan het Johannes XXIII-seminarie in Leuven en redacteur bij Collationes, een Vlaams tijdschrift voor theologie en pastoraal. Hij schreef al drie andere boeken over de eerste eeuwen van het christendom: Van Petrus tot Constantijn. De eerste christenen (2002), Bevrijd en gebonden. De Kerk van Constantijn (2006) en De Germanen en het christendom’(2010), dat de vijfde tot en met zevende eeuw bestrijkt.
 
Bronnen: Leon Mijderwijk, historien.nl & Marijke Laurense, Trouw.

Weinig figuren spreken zo tot de verbeelding als koning Arthur, de koning die eens was, en zal zijn. Dat is des te opmerkelijker wanneer je bedenkt dat het lang niet zeker is dat er überhaupt ooit een koning, of zelfs maar krijgsheer Arthur bestaan heeft. De literaire figuur koning Arthur is in de loop van de geschiedenis groter geworden dan welk historisch personage waarop hij misschien ooit gebaseerd was dan ook. De studie naar Arthur is een vak apart geworden. Niet alleen omdat de historische wortels van de legendarische koning in het Brittannië van de vijfde eeuw schimmig zijn en het bronmateriaal uiterst fragmentarisch, maar ook vanwege de latere rijk uitgewaaierde literatuur over de koning en zijn ridders van de Ronde Tafel. Arthur- en Graalromans werden door heel West-Europa geschreven. Bronnen over de literaire Arthur uit de Hoge en Late Middeleeuwen zijn er dan ook legio. Je zou er een leven lang onderzoek naar kunnen doen.

Dat is wat emeritus professor Jozef Janssens min of meer gedaan heeft. Als specialist in het onderzoek naar middeleeuwse literatuur heeft hij altijd een bijzondere fascinatie voor koning Arthur gehad. In Koning Artur in meervoud probeert hij de vele gedaanten in kaart te brengen die de mythische koning in de loop der eeuwen heeft aangemeten gekregen. Daarbij gaat hij uiteraard in op de mogelijke historische Arthur, maar ook op de vele Arthur- en Graalromans uit latere tijd. Tevens slaat Janssens een brug van de Late Middeleeuwen naar onze tijd, Arthur vormt immers ook in de eenentwintigste eeuw nog een bron van inspiratie voor onder andere boeken, computerspellen en films. De auteur spreekt overigens over Artur, zonder h, omdat in Middelnederlandse teksten de naam zo geschreven wordt. Ik kies voor de gangbaarder vorm met h, die ook in de bakermat van de Arthurlegenden, Wales, gebruikelijk is.

Aan het begin van zijn boek gaat Janssens op zoek naar de historische wortels van Arthur. Hij gebruikt daarbij de bekende literaire bronnen van Gildas en Nennius waarin de eerste verwijzingen naar een mogelijke legeraanvoerder, warlord, staan die tegen de Saksen vocht die Brittannië binnendrongen. Het heldendicht Y Gododdin komt aan bod, evenals de verhalen uit de Mabinogion en de geschiedschrijver Willem van Malmesbury, die in de twaalfde eeuw over Arthur schreef. Vandaar volgt Janssens de meanderende stroom van literatuur die ontsproot uit de vele verhalen die over Arthur de ronde deden. Een belangrijke instigator van het Arthurgenre was Galfridus van Monmouth, met zijn werk Geschiedenis van de koningen van Brittannië, uit circa 1138. Hij schreef eigenlijk de eerste echte biografie van Arthur.

Van de mogelijke historiciteit van Arthur maakt de auteur geleidelijk de overstap naar de literaire Arthur, en hij vertelt hoe talloze details die we nu kennen als typisch ‘arthuriaans’ in de loop der eeuwen door verschillende auteurs aan de mythen rond de man zijn toegevoegd. Voorbeelden zijn de Ronde Tafel, het zwaard dat uit de steen moet worden getrokken en de rol van Merlijn als adviseur en leermeester van de vorst. Natuurlijk wordt de rol van Chrétien de Troyes als vader aller Arthurromans uitvoerig belicht. Naast aandacht voor de Franse verhalen rond Arthur richt de auteur zijn pijlen vooral op de Middelnederlandse traditie van Arthur- en Graalliteratuur. Op die manier vormt het boek eigenlijk een tweeluik, enerzijds wordt de historische Arthur onderzocht en wordt gewikt en gewogen in hoeverre het waarschijnlijk is dat hij echt heeft bestaan, en als dat het geval is, in welke hoedanigheid. Anderzijds geeft Janssens een inleidend overzicht van de ontwikkeling van de Arthurliteratuur, met het zwaartepunt op het Nederlandse taalgebied.

Met de opmerking dat de studie van deze Arthurliteratuur soms net het ‘woud zonder genade’ is uit de Arthurroman de Ridder metter mouwen heeft Janssens in zijn inleiding niets teveel gezegd. Koning Arthur en zijn Tafelronderidders waren in heel West-Europa in de Late Middeleeuwen een geliefd onderwerp voor schrijvers, en de kruisbestuivingen tussen de verschillende romans zijn legio. Toch slaagt de auteur er goed in om de lezer op een toegankelijke manier door dit genadeloze woud van literaire juweeltjes heen te loodsen. Daarbij is het boek fantastische geïllustreerd. De vele prachtige kleurenillustraties van de middeleeuwse teksten en miniaturen geven het boek absoluut een geweldige uitstraling. Ik kan het dan ook ten volle aan iedere Arthurliefhebber aanraden!

Koning Artur in meervoud. De mythe ontrafeld.
Jozef Janssens

Davidsfonds Uitgeverij / Amsterdam University Press, Antwerpen / Amsterdam 2017
Hardcover, rijk geïllustreerd in kleur, met bibliografie, eindnoten en register
256 pagina’s - € 39,99 - ISBN: 978 90 5908 8627

Bron: Wouter van Dijk, hereditasnexus.com

Het leven van Jan van Brederode is als een onwaarschijnlijk spannende roman. De middeleeuwse ridder komt tot leven in het nieuwe boek van spoorzoeker neerlandicus Frits van Oostrom.
 
Hij was een complete mislukkeling: Jan, de zevende heer van het trotse, hoogadellijke Hollandse geslacht Brederode (ca. 1372-1415). Een loser, maar niet zielig, veeleer intens tragisch. Als tweede geborene volgde hij zijn vader op; zijn oudere broer Dirk werd kartuizer monnik. Hij was geliefd bij de opeenvolgende landsheren, graaf Albrecht van Beieren en Willem VI. Hij trouwde met Johanna van Abcoude, een prachtige partij die niet enkel een uitgestrekt gebied aan de grens van Holland en het Utrechtse Sticht meebracht, maar ook de heerlijkheid Gaasbeek in Brabant. Hij was redelijk succesvol in de oorlog met de Friezen, ‘een veertiende-eeuws Vietnam’, en in de onophoudelijke twisten tussen de Hoeken en de Kabeljauwen, in de Honderdjarige Oorlog de Hollandse variant van de Rozenoorlog.
 
Maar er zaten barstjes in Brederodes toekomstdromen. Hun familiewapen vertoonde een barensteel, een breuk, wat volgens sommigen op afkomst uit bastaardij wees. De Brederodes probeerden dit heraldisch eigenaardigheidje te verdoezelen. Erger was de onverantwoorde ‘koopsom’ voor zijn droomhuwelijk; zijn schoonvader zat hem onbarmhartig op de hielen voor zijn nog uitstaande schuld en bracht hem op de rand van het faillissement. Bovendien bleef het veelbelovende huwelijk kinderloos. Een pelgrimstocht naar het Ierse Lough Dergh nabij Limerick, waar een nauwe krocht de hellevaart van Sint Patrick suggereerde, mocht niet baten. Jan hield aan zijn dagenlang eenzaam verblijf en vasten in de grot een obsessieve angst voor duivels over.
   
De kap over de haag
 
De familiesituatie bleek onhoudbaar en Jan kwam met een lumineus plan op de proppen: hij en zijn vrouw zouden in het klooster treden zonder formeel te scheiden. De opvolging kwam in handen van zijn jongere broer Walraven, die verlost van de schoonvaderlijke schuld het geslacht Brederode nieuwe kansen zou schenken. Het echtpaar kon in het klooster de dood van de lastige schoonvader afwachten en hopen op de erfenis van Abcoude. Zo geschiedde eind 1401. Johanna trad in bij de dominicanessen in Wijk bij Duurstede; Jan zocht het verder van huis in de chartreuse Sint-Jansberg in Zelem bij Diest. Hier werkte hij als lekenbroeder en vertaalde er in bewonderenswaardig proza een Frans moraliserend traktaat: Des coninx summe. Maar het plannetje draaide verkeerd uit. Walraven werd gevangen genomen en zadelde de familie op met een gigantisch losgeld. Tot overmaat van ramp: toen Johanna’s vader stierf, dook Jacob van Gaasbeek als erfgenaam voor Abcoude op.
 
Om zijn erfrechten te verdedigen gooide Jan na zes jaar kloosterleven zijn kap over de haag. In een wanhoopspoging om de erfenis alsnog binnen te halen ontvoerde hij op 9 april 1410 zijn vrouw uit het klooster in Wijk. De bisschop van Utrecht arresteerde hem. Het schandaal zou Jan, ook na twee jaar gevangenschap, blijven achtervolgen. Hij bood zijn diensten aan de Engelse koning aan, die de uitgetreden monnik evenwel smadelijk de laan uitstuurde. Jan koos voor de tegenpartij en sneuvelde in de Franse gelederen bij de slag van Azincourt in 1415. Daarmee kwam een einde aan ‘het onwaarschijnlijke maar waargebeurde verhaal van ridder Jan van Brederode’, de ondertitel van het nieuwste werk van de Utrechtse neerlandicus Frits van Oostrom, 
  
Meesterlijk puzzelen
 
Van Oostrom houdt van dubbelzinnige titels, denk maar aan Het woord van eer (1987). Ook de titel van zijn jongste boek is ambigu. Ridderlijk streven, ja, maar met een niet te onderschatten koopmanskant, waarvan men bar weinig merkt in de idealiserende ridderromans. Het vaak stuitende materialisme van die tijd gebruikt ironisch genoeg als munteenheid ‘de nobel’…
Van Oostrom heeft op voorbeeldige wijze oud bronnenmateriaal geanalyseerd en heel wat nieuwe documenten gevonden. Als een meester-puzzelaar past hij de overvloedige gegevens in elkaar tot een coherente biografie. Knap is zijn zoektocht door ‘een struikgewas aan teksten’, waarna hij het verhaal van een zekere Olandyne (Hollander) in Southampton met Jan van Brederode kan verbinden. Nog straffer vind ik zijn analyse van Le bourbier d’Azincourt (2006), waarin de Franse schrijver Pierre Naudin de lotgevallen van Jan van Brederode romaniseerde zonder het zelf te beseffen.
 
Nobel streven helpt de onzekerheid over het auteurschap van Des coninx summe definitief uit de wereld. Een merkwaardige bijvangst van dit onderzoek is zijn nieuwe visie op het Hulthemse handschrift, een vlaggenschip van de Middelnederlandse letterkunde. Het zou niet in Brussel, maar in het Utrechtse zijn ontstaan met Jacob van Gaasbeek als meest plausibele opdrachtgever. Dat is niet geringe winst voor de literatuurgeschiedenis. Maar toch kan ik me niet van de indruk ontdoen dat het literaire dreigt weg te zinken in het moeras van familieverwikkelingen, gebiedsverschuivingen en oorlogen. Het is wachten tot bladzijde 62 vooraleer de Middelnederlandse letterkunde aan bod komt. De neerlandicus is duidelijk iets meer opgeschoven in de richting van de historicus. Dat blijkt ook uit de illustraties: iets minder dan de helft zijn ambtelijke documenten. Waarom geen foto van de indrukwekkende ruïne van het kasteel Brederode bij Santpoort, of van de pelgrimsdrukte nu in Lough Dergh, of van de resten van de chartreuse in Zelem?
 
Dankzij de heldere en beeldende taal blijft deze grensverleggende studie genietbaar. Vooral de vele significante details maken de lectuur aangenaam. Vitamientjes werden voor de zieke gravenzoon Willem van Oostervant aangevoerd in de vorm van ‘appelen van garnaten ende van aryangen’ (granaatappels en sinaasappels). Jan verzette zich tegen het geloof in ‘beelwitten’, toverkollen die op bezemstelen door de schoorsteen zouden vliegen. Zo krijgt de lezer een fascinerend beeld van de bewogen tijd rond 1400.

Lezers die meer willen weten kunnen voor aantekeningen, bibliografie, aanvullingen, correcties en heel wat extra’s terecht op de mooie, begeleidende website www.nobelstreven.nl.
 
FRITS VAN OOSTROM - NOBEL STREVEN.
Het onwaarschijnlijke maar waargebeurde verhaal van ridder Jan van Brederode.
Prometheus, 384 blz., 24,99 €.

 
Bron: Jozef Janssens, "Een tragische loser", De Standaard, 3 november 2017

HERMAN PLEIJ - GELUK!? 
Van hemelse gave tot hebbeding. 
- - CPNB, 64 blz., 3,50 € - -

Geluk is nooit gewoon geweest. 
 
Geluk is een glibberig begrip. Vandaag hebben we een heuse geluksindustrie, maar hoe keken mensen daar in vroeger tijden tegenaan? Herman Pleij over gelukzoekers aller tijden.  

VEERLE VANDEN BOSCH, De Standaard, 29 september 2017
  
‘Gelukkig zijn, daarvoor wil ik alles geven’, zingt Raymond van het Groenewoud. Dachten de middeleeuwers er ook zo over? In zijn essay Geluk!? gaat literatuurhistoricus Herman Pleij op zoek naar de betekenis van geluk door de eeuwen heen.
 
Eeuwenlang bestond geluk bij gratie van het ongeluk. Het kwaad fungeerde als contraststof voor het goede, en moest, schrijft u, zorgvuldig worden beheerd door de overheid.
‘Dat heeft Augustinus moervast in de kerk verankerd, hij heeft de ideologie van het christendom vastgelegd. Hij zegt dat het kwaad noodzakelijk is, dat God het zo bedoeld heeft, anders kun je het goede en het geluk niet kennen. Mensen in de hemel zijn hun aardse leven niet vergeten, ze weten wat ongeluk is, anders zou dat eeuwige hemelse geluk niets voorstellen. Maar de kerk moet proberen dat kwaad zo veel mogelijk zelf te beheren, zodat de duivel, die sinds de zondeval de baas is op aarde, niet meer kwaad kan stichten dan nodig is. Net zoals er in een paleis latrines zijn waar mensen hun behoefte doen, zegt hij, zo moet het kwaad ook gelokaliseerd worden en onder toezicht staan. Anders gaat het hele paleis stinken, want dan doet iedereen overal zijn behoefte. Zo kwam het dat stedelijke en kerkelijke instanties in de middeleeuwen bordelen exploiteerden, met Augustinus als rechtvaardiging, maar tegelijk bleek het hier en daar een grote bron van inkomsten te zijn, dus dat had ook wel iets hypocriets.’
  
Maar het ware geluk kwam pas na de dood.
‘Ja, mensen hadden het geluk verspeeld met de zondeval. Adam en Eva wisten in het paradijs niet wat geluk was, omdat het absoluut was. Pas toen ze daar verdreven werden, ontdekten ze dat ongeluk bestond. Geluk kon volgens de kerk dus niet meer bestaan op aarde, maar je kon het wel terugverdienen in de hemel, als je je maar gedroeg en genoeg boete deed. Die leer werd in de praktijk gebracht door verstervingsidealen, mensen die hun lichaam tuchtigden en zo. Een beweging die aan kracht won naarmate ook de levenslust steeds meer de kop opstak. Mensen probeerden geluk te beleven in hun dagelijkse leven en dat vervolgens ook te rechtvaardigen. Want in de Bijbel staat op verschillende plaatsen: er moet blijdschap heersen in het huis van de heer.’
   
Maar met die blijdschap had de kerk het moeilijk. Ze was ook tegen lachen in het openbaar
‘Tot in de 20ste eeuw stonden er in reglementen van vrouwenkloosters strenge straffen op lachen met elkaar. Dat kwam doordat de middeleeuwse opvatting nog doordenderde dat vrouwen wankelbaar zijn en gemakkelijk te beïnvloeden. Dat is, opnieuw, de erfenis van de zondeval. Satan richt zich tot Eva omdat hij weet dat hij haar zo omgeluld krijgt, en dat zij Adam zal overtuigen. Vrouwen zijn minderwaardig geschapen, dat achtte men in de middeleeuwen bewezen: ze zijn koud en uit minderwaardig materiaal gemaakt – een rib. En ze hebben ontzettend geraffineerde trucs en listen om aan die ondergeschikte positie te ontkomen. Vandaar dat de literatuur aan het eind van de middeleeuwen barst van de verhalen over pantoffelhelden die zich door vrouwen laten bedonderen, dat is allemaal waarschuwend bedoeld. Die listen en trucs zijn de reden waarom de kerk vrouwen voor controleverlies wil behoeden, en ze dus verbiedt te lachen. Het tegengewicht is die prachtige glimlach die je bij Maria en andere vrouwelijke heiligen ziet, een glimlach die opperste controle uitstraalt. Op een expo die ik vorig jaar mocht cureren in het Catharijneconvent in Utrecht heb ik een laatmiddeleeuws Mariabeeld uit Brabant uitgeroepen tot de Mona Lisa van het Catharijneconvent. Het is diezelfde glimlach – waarmee Leonardo da Vinci in zijn schilderij een beetje spot, volgens mij.’
   
Die controledrang geldt zeker voor alles wat naar seksualiteit zweemt.
‘De kerk heeft enorm veel moeite met seks en erotiek en reguleert op eindeloos veel manieren: seks mocht enkel tussen getrouwde echtparen met het oog op voortplanting, maar zo gauw je daar genot bij ervoer, was het een teken dat de duivel bezit van je nam. Het mocht ook niet op vrijdag, op zon- en feestdagen, tijdens vastenperiodes en onvruchtbare dagen, of de geboorte- of sterfdag van de heiligen, tijdens de menstruatie, rond de communie … Een bioloog heeft een keer uitgerekend dat als mensen zich daaraan hadden gehouden de Europeanen tegen de Verlichting waren uitgestorven. Dat is het interessante aan die middeleeuwen: de enorme kloof tussen de ideologische normen en de praktijk. Mensen hanteerden die normen wel als een soort geweten, maar het stond hen niet in de weg om te leven. De kerk probeerde dat te veroordelen als ketterij, maar de stroom was veel te sterk. Dat is de reden waarom ik als literatuurhistoricus zo’n bijzondere invalshoek meen te hebben: omdat literatuur en beeldende kunst een experimenteerveld zijn. Die geven niet rechttoe, rechtaan hoe het moet of hoe het zit, maar ze spelen rollen, voeren personages op, je kunt er experimenteren en gedurfde posities innemen. Een heel uitzonderlijke tekst in dat opzicht is de Roman de la rose, die enorm aansloeg in Europa vanaf de 14de eeuw en in alle talen werd bewerkt. Daarin worden alle hoeken en gaten van het aardse genot uitgebuit en bediscussieerd. Dat gaf een storm aan polemieken in Europa.’
  
Die houding van weten en niet doen ontstond in hofkringen, maar raakte in de 14de eeuw breder verspreid. Hoe is dat in zijn werk gegaan?
‘Er is een soort dialectiek. Het ene roept het andere op en dat versterkt elkaar ook. Op een gegeven moment geven mensen duidelijk blijk van de overtuiging dat je ook van de natuur kunt genieten na de zondeval. Over Jacoba van Beieren, vrouw van de graaf van Holland, wordt bijvoorbeeld gemeld dat ze in 1416 met haar jonkvrouwen gaat baden in zee bij Scheveningen. Dat was tamelijk ongehoord gedrag, want mensen gingen niet zwemmen in zee. De natuur was besmettelijk, door de duivel beheerst. Ook water was gevaarlijk, des duivels, je kreeg er allerlei besmettingen van. De rentmeester geeft haar geld, knarsetandend, zeker als hij hoort dat ze daarna ook nog eens naar de kermis gaan. Jacoba en haar jonkvrouwen genieten dus heel openlijk van wat de wereld te bieden heeft. En tegelijk heb je die sterke verstervingscultuur, met extreme verhalen van mensen die zich alles ontzeggen en excelleren in allerlei zelfkwellingen. Die scherpe tegenstelling: dat zijn die rare late middeleeuwen. Dat extreme genieten heeft iets van laisser aller – een sterk geloof in het lot. Fortuna was heel populair in de literatuur, verchristelijkt als een instrument van god: hij legt zijn wilsbesluiten, die voor de mens vaak ondoorgrondelijk zijn, in haar handen. Maar het is natuurlijk de antieke godin die aan het rad draait: het lot, het toeval, wat zul je je druk maken? Wij hebben daar geen invloed op. Dus laten we leven – die houding vind je vaak verwoord en uitgebeeld.’
  
U staat ook uitgebreid stil bij de levenslustige Maria van Bourgondië.
‘Een enige vrouw. Ze was heel populair, een soort Máxima, denk ik. Dat hele conflict van beheersing, controle, anti-natuur versus levenslust en blijdschap op aarde is samengebald in haar korte leven. Dat ze gek was op sport komt in allerlei bronnen in positieve vorm naar voren. Er is een heerlijk verhaal uit een Brugse stadskroniek over een schaatspartij: ze schaatste de hele dag, en ze was er ook heel goed in. Ze wervelt rond, op een bepaald moment schaatst ze zelfs enkele lakeien omver. Bij het vallen van de avond wil ze nog één rondje doen. Ze valt, kneust enkele ribben en moet het bed houden. En dan schiet de moraaltheologie meteen toe: je geeft je over aan aards genot en daar ga je veel te ver in. Dit is een waarschuwing van God. Een jaar later wordt ze verpletterd door haar paard bij een sprong over een heg. Na haar dood gaat er een golf door het land, een volkswoede tegen de dood. In die periode is de dood niet langer de grijsaard met de zandloper die je naar het hiernamaals brengt, waar het echte leven begint. In de tweede helft van de 15de eeuw wordt de dood een vijand, een half ontvleesd geraamte met een speer in de hand en een afgrijselijke grimas. Dat zie je ook bij de dood van Maria van Bourgondië: “Ach dood, dood wat heb je nu bedreven?” klinkt het – echt een woedend lied dat in verschillende versies is bewaard. En dan heb je weer het commentaar van de predikers: ze was gewaarschuwd, wie blijft persisteren in het genot van de natuur zal er uiteindelijk aan bezwijken. Dat is de kern van het debat. Aan de ene kant: het is ook gods wil dat we genieten op aarde, we hebben er recht op. En hoe harder die roep klinkt, hoe harder ook de verstervingspolitiek wordt: nee, de aarde blijft een mijnenveld. In de 16de eeuw zie je dat het begrip voor genieten op aarde toeneemt. Daarom vind ik de late middeleeuwen zo interessant. Dat is het strijdtoneel: de periode waarin het geluk werd verboden en opnieuw werd uitgevonden.’
   
Het streven naar geluk neemt daarna een hoge vlucht. In 1776 wordt ‘the pursuit of happiness’ opgenomen in de Amerikaanse Declaration of Independence.
‘Dat gebeurt een beetje in het voetspoor van Rousseau. De positieve kijk op de natuur, die al in de middeleeuwen begint te spelen, wordt bij hem volkomen uitvergroot: de natuur is de habitat van de mens. Dat wordt politiek vertaald in the pursuit of happiness. In Nederland is dat niet gebeurd, men vond het een te vaag begrip. Joan Derk van der Capellen schakelde in zijn pamflet Aan het volk van Nederland uit 1781 de staat uit en vond dat in een samenleving de burger de plicht heeft de andere burger gelukkig te maken. Dat is heel pragmatisch.’
  
U suggereert even een verband tussen het streven naar het geluk van weleer en de Brexit.
‘Er is een vals soort nostalgie, die een soort sprookjeswereld creëert in het verleden, een wereld die geperverteerd, bedorven is. Dat is een erg vals spoor. Mensen gaan zich dan afschermen, sluiten een heleboel anderen uit en creëren een fictieve gouden tijd. De brexiteers hebben het over “good old England”, wat impliceert: een Engeland zonder nieuwkomers. Trump heeft het over “Make America great again”. Die feestelijke voorstelling van het verleden is een idiote creatie, en ze is ontzettend gevaarlijk. In Nederland hadden we een heel populaire serie: Toen geluk nog heel gewoon was. Ze speelde zich af in het Rotterdam van de jaren 50 en ging over eenvoudige gezinnen. Het was slim gemaakt, met gevoel voor humor, maar creëerde een illusionaire wereld die nooit bestaan heeft. Maar mensen droomden erin weg.’
  
Wat vindt u van de hedendaagse benadering van geluk?
‘Wat versta je onder geluk? Het is een containerbegrip geworden. In Nederland hebben de gemeenten geluksambtenaren in dienst. Wat idioot. Een staat kan zorgen voor welzijn en welbevinden, dat is haar taak. Maar als ze collectief gaat bepalen wat geluk is voor de onderdanen, dan krijg je een dictatuur. Maar ik heb evengoed moeite met de geluksindustrie, die van geluk een commercieel artikel maakt. En ze heeft zich verzekerd van de wetenschap. Er zijn geluksprofessoren, masterclasses, tips, cursussen. De wetenschap toont aan: de mens heeft voor vijftig procent zijn geluk in de hand. Ik wil wel eens zien hoe je dat aantoont. Het kwalijke is dat je meteen gedevalueerd wordt: als je dat niet voor elkaar krijgt, ben je een loser. Want het kan heel simpel, tegen een redelijke vergoeding uiteraard. Onlangs kwam het blad Happinez met honderd tips om gelukkig te worden, je moest er zes uitkiezen. Die tips waren van een stupiditeit waar je niet goed van werd. Eén ervan was: niet nadenken. Waar ze wellicht mee bedoelden: niet tobben. Dat is weer dat verzet tegen geleerdheid. Deep down is het de zondeval: Adam en Eva snoepen van de boom van kennis van goed en kwaad. Dat heeft kennis en wetenschap in de hele middeleeuwen verdacht gemaakt – dat is van de duivel. Dat echoot nog eindeloos door: wetenschap, kennis perverteert - niet nadenken. En dat wordt dan met groot gezag gebracht. Dat vind ik heel eng.’
‘Ik pleit ervoor om geluk weer exclusiever te maken: voor mij zijn het kortstondige momenten, een paar keer per jaar, dat ineens alles op zijn plaats valt en alles klopt, iets heel persoonlijks dus.’
  
Herman Pleij
Geluk!? Van hemelse gave tot hebbeding.
CPNB, 64 blz., 3,50 € (verkrijgbaar in Nederlandse boekhandels vanaf 1/10).

www.maandvandegeschiedenis.nl

 

De Amerikaanse historicus David Nicholas bijt zich reeds enkele decennia vast in het middeleeuwse Vlaanderen. In het bijzonder nam hij de geschiedenis van de stad Gent onder de loep. In 1992 schreef Nicholas het boek Medieval Flanders dat in 2014 terug werd uitgegeven. Dit werk geldt in de Angelsaksische wereld als hét referentiewerk over de geschiedenis van Vlaanderen. Nu verschijnt voor het eerst een Nederlandse vertaling onder de titel Vlaanderen in de middeleeuwen.

In dit werk geeft de auteur een indrukwekkend overzicht van de historische ontwikkeling van Vlaanderen tussen de Romeinse overheersing en het einde van de vijftiende eeuw. Hierbij wordt voornamelijk een chronologische lijn gevolgd waarbij de politieke en socio-economische aspecten centraal staan.

Het verhaal begint met een beschrijving van Vlaanderen onder het Romeinse gezag en de vorming van het graafschap. De eerste graven bouwen stelselmatig hun macht en territorium uit. Het hoogtepunt van het middeleeuwse graafschap situeert zich in de periode 1071-1206. Tegelijk onderging Vlaanderen een economische revolutie. Rond 1200 was de regio het meest verstedelijkte gebied van Europa. Vlaanderen was een leen van Frankrijk maar was economisch afhankelijk van de wol uit Engeland. Deze twee landen waren onderling evenwel geen goede vrienden wat de nodige problemen opleverde. Maar ook binnen Vlaanderen was er strijd tussen de verschillende steden. Binnen de steden waren er spanningen tussen de patriciërs en ambachtslui. Een zeer complexe en explosieve cocktail. Tot de Bourgondische periode kent Vlaanderen een moeilijke tijd waarna het gebied wordt ingekapseld in het Habsburgse rijk op het einde van de vijftiende eeuw.

Nicholas heeft met dit werk heel wat hooi op zijn vork genomen. Een aantal aspecten zijn evenwel duidelijk minder gedetailleerd en onvolledig uitgewerkt. Dit is vooral het geval op het vlak van cultuur en religie. In het werk duiken verder af en toe algemene beweringen op die de wenkbrauwen doen fronsen. Zo stelt de auteur in zijn (korte) inleiding dat hij er rekening heeft mee moeten houden dat de “hedendaagse Belgische studies vaak even ideologisch gekleurd als wetenschappelijk zijn.” Wat hij hiermee precies bedoelt, preciseert Nicholas niet verder. In hoofdstuk tien (periode 1315 – 1384) noteren we dat de seksuele moraal in Vlaanderen ongekende dieptepunten bereikte t.o.v. de rest van Europa. De vrouwen waren even onkuis als de mannen, stelt de auteur. Op basis van welke gegevens de auteur dit poneert voor gans Vlaanderen, is onduidelijk. In het hoofdstuk over de Bourgondische periode schrijft Nicholas wederom zonder onderbouwing: “Maar in de rest van Europa werd Vlaanderen toen beschouwd als een oord van wanorde en ontucht.” In dat verband toch even vermelden dat de Bourgondische hertog Filips de Goede – niet bepaald een geboren Vlaming – prat kon gaan op drieëndertig maîtresses en zesentwintig bastaarden.

Nicholas is een echte specialist over de ontwikkeling van de stad Gent maar is minder goed geïnformeerd over de evolutie van de stad Brugge. Bij zijn beschrijving van de buitenlanders in het middeleeuwse Brugge heeft hij het over de Duitsers (in die tijd de Oosterlingen genoemd), de Spanjaarden en de Engelsen. De Italianen krijgen hier geen aparte bespreking alhoewel ze hier en daar worden vermeld in de tekst. Toch hadden Genuezen, Venetianen en Florentijnen elk hun eigen natiehuis in Brugge. Ze oefenden ook een enorme invloed uit op de ontwikkeling van het bank- en beurswezen. Iets verder in het boek beweert hij dat de Hanze de laatste buitenlandse kolonie was die Brugge trouw bleef. Het zijn evenwel de Spanjaarden die nog tot 1705 in Brugge zullen blijven, lang nadat de andere naties naar Antwerpen waren uitgeweken. En waarom vermeldt hij niet dat de beurs ontstaan is in Brugge?
De stijl van Nicholas is academisch. Zijn teksten verdrinken soms in een opeenvolging van feiten, cijfers en jaartallen. Het werk is niet geïllustreerd. Achterin bevinden zich nog een omvangrijke lijst met noten alsook een zeer uitgebreide bibliografie met zelfs Nederlandstalig werk. Het origineel Engelstalig werk is geschreven in 1992 en historisch werk vanaf dan is niet opgenomen in deze bronnenlijst. Het is echt heel spijtig te moeten vaststellen dat geen index is opgemaakt! In dit werk zijn ook geen kaarten, stambomen van de Vlaamse graven of ander verduidelijkend materiaal terug te vinden.

Als besluit kan dan ook gesteld worden dat ondanks een aantal opmerkingen dit werk zeer uniek en uitzonderlijk is, omdat het een allesomvattende studie is over de geschiedenis van Vlaanderen gedurende de ganse middeleeuwen. Het volume aan gegevens en historisch materiaal dat Nicholas verwerkt heeft, is echt verbluffend. Dit werk is dan ook van onschatbare waarde voor het in beeld brengen van de rijke maar zeer complexe geschiedenis van Vlaanderen. Een aanrader voor wie sterk geïnteresseerd is in de Vlaamse politieke en socio-economische ontwikkeling tijdens de middeleeuwen.

Vlaanderen in de middeleeuwen – David Nicholas
Vertaling: Johan Op de Beeck – Uitgeverij Horizon – 478 blz.

Bron: Kris Muylle, boekenbijlage.nl

'Clovis in de schaduw van twee vrouwen' – De ultieme culturele omslag belichaamd in de eerst gedoopte vorst. Een betrouwbare gids opgetekend door Prof. Raoul Bauer

Het doopsel van Clovis op 25 december 499 was een mijlpaal in de geschiedenis. Het is meteen ook het antwoord op de courante quizvraag ‘algemene kennis’. Maar wie was die eerste christelijke koning? Welk koninkrijk wil Clovis stichten wanneer hij radicaal kiest voor de godsdienst van zijn Gallo-Romeinse onderdanen en niet voor het arianisme, de godsdienst van de toonaangevende Germaanse rijken? Welke rol speelden Clotilde en Genoveva van Parijs in zijn Leven? En hoe zit dat met de bloedwraak en de brutale moorden op mogelijke erfopvolgers?

‘Voor mij begint de geschiedenis van Frankrijk met Clovis, gekozen tot koning van Frankrijk door de stam van de Franken, die hun naam gaven aan Frankrijk. Vóór Clovis hebben we een Gallo-Romeinse en Gallische voorgeschiedenis. De beslissende factor is voor mij dat Clovis de eerste koning was die christelijk werd gedoopt. Mijn land is een christelijk land en ik begin de geschiedenis van Frankrijk te tellen vanaf het aan de macht komen van een christelijke koning die de naam draagt van de Franken.’ - Charles de Gaulle, 1965


In "Clovis in de schaduw van twee vrouwen" komen we oog in oog te staan met de confrontatie tussen verschillende wereldbeelden die elkaar raken in een kantelend tijdperk. In deze periode vol chaos en onzekerheid brengt de eigenzinnige Clovis de Franken tot eenheid en verenigt opnieuw het in stukken gevallen Gallië. En midden in die strijd om macht en land begint hij zijn bekeringsproces, dat eindigt met een betekenisvolle doopplechtigheid op 25 december van (wellicht) het jaar 499. In die ‘opdracht’ staat hij niet alleen. De sterke en later heilig verklaarde Genoveva van Parijs, die Attila trotseert, zijn soms al te passionele echtgenote Clotilde die op weg naar haar bruidegom enkele Bourgondische dorpen brandschat en op het einde van haar leven gebroken wordt door de moord op haar kleinzonen. De oude Remigius die zijn tijd overleefd heeft, maar niettemin trouw blijft aan ‘zijn’ koning Clovis…

Clovis' bekering tot het christendom, gewelddadige veroveringen en bestuur hangen met weerhaakjes vast aan de mythe die door historiografen en historici door de eeuwen heen werd opgebouwd. Voor professor Raoul Bauer is een cultuurhistorische benadering van de figuur Clovis waarin naast de maatschappelijk-politieke geschiedenis voluit ruimte wordt gegeven aan het religieuze denken, de enig mogelijke. Een hobbelige weg met onbetrouwbare wegwijzers, een echte uitdaging, maar gelukkig is de gids betrouwbaar!

Prof. Raoul Bauer, historicus en doctor in de letteren, is emeritus hoogleraar cultuurgeschiedenis in de Associatie van de KU Leuven. Bij Davidsfonds Uitgeverij publiceerde hij verschillende boeken, waaronder "Karel de Grote. Een keizer op de grens tussen twee werelden".

____________________________________________________________________
Prof. Raoul Bauer, Clovis in de schaduw van twee vrouwen
ISBN 9789059087866 | 256 blz. | € 27,50 | Paperback
Davidsfonds Uitgeverij

Welkom bij Clubs!

Kijk gerust verder op deze club en doe mee.

Wat is dit?


Of maak zelf een Clubs account aan:


Aanbevelingen door leden:

bernard-de-clairvaux starstarstarstarstar

Een geweldige community over de middeleeuwen in al haar facetten. Boeken, tentoonstellingen, steden en discussies met diepgang en humor. Een Vlaams-Nederlandse samenwerking van historisch niveau!