Kunst en cultuur van de middeleeuwen

c81d7329a756bd77dbddf1345ba9f268.jpg

- Welkom op deze club over de middeleeuwen - 

ff4ed65097cf6febccbfc81e2132384eead5fb8d

ehrenritter.gifIn deze club volgen we het nieuws over de middeleeuwen en discuteren we er over op het forum of blog: nieuwe inzichten en analyses, boeken en internetberichten, tentoonstellingen, films en TV-series, strips, levende geschiedenis en re-enactment en last but not least, de reisverslagen van onze clubleden. Kortom elk evenement dat ook maar een link heeft met de middeleeuwen krijgt een plaats op deze club. Het kan dus ook een persoonlijke belevenis of ervaring zijn van een clublid of gast, daarvoor dient vooral het 'Forum'. Op de blogberichten kan je ook je reacties kwijt. Naast het vele nieuws heb je ook nog de talrijke videoclips die je vindt in 'Videoalbums' en enkele links. Kortom, ben je in geschiedenis geïnteresseerd en meer bepaald in de periode van de middeleuwen, maak je kosteloos lid en doe mee of geniet.

5_1.pngD
e naam van de club verwijst naar het boek De Kathedralenbouwers van de franse historicus G. Duby: de middeleeuwers waren immers bij uitstek kathedralenbouwers. Dit boek heeft mij begeesterd en het middeleeuwse vuur wakkerde voor eeuwig aan door "De naam van de Roos" van de erudiete Umberto Eco.

Je vindt "Kathedralenbouwers" ook op Scoop.it!.  Plaatjes over de middeleeuwen vind je op Pinterest - middeleeuwen.

De periode voor de middeleeuwen, namelijk de Prehistorie en de Oudheid, wordt behandeld in de club
"Van Prehistorie tot Middeleeuwen".

Ben je een toevallige gast?
Wordt gratis lid, of laat iets horen op het forum of mail de eigenaar van deze club op calamandja@yahoo.com.

eric-enide-e1391725330308.jpg

Reeds sedert 2008 organiseert de club Kathedralenbouwers jaarlijks een clubbijeenkomst. 
Na Utrecht (2008), Brugge (2009), Delft (2010), Zutphen (2011), 
Kortrijk (2012), is de zesde clubdag in 2014 doorgegaan in Bergen op Zoom. Hieronder vind je het verslag van deze laatste clubdag.

d805d02c6f11d40dad0eb62a322d6aaf.jpg

Met een vertraging van een jaar was het 24 mei eindelijk weer zover: de Kathedralenbouwers zouden elkaar weer in levende lijve ontmoeten. De locatie stond natuurlijk al lang vast: Bergen op Zoom, ideaal gelegen aan de grens van België en Nederland. Het zou zelfs bijna een thuiswedstrijd worden voor Maerlant, die zich al jaren ophoudt in het Vlaamse Meetjesland. Helaas werd hij een week tevoren verrast door een vervelend gezondheidsprobleem en moesten de overige clubleden het zonder hem en zijn partner stellen. Maerlant werd echter niet vergeten en inmiddels heeft hij vast het kaartje ontvangen, dat we vanuit Bergen op Zoom naar hem hebben verstuurd. 

c62184160a5833e99da39759ae4f449f.jpg

Tussen 10 en 11 uur werd verzameld in Grand Café de Bourgondiër, gelegen aan de pittoreske Grote Markt. Dit plein werd overigens geheel in beslag genomen door een podium en extra terrassen vanwege het culinair evenement ‘Proef Mei’. Gezien de reisafstand hadden Marjoke en Antonius gekozen voor een overnachting (of zelfs 2) in Bergen op Zoom. Calamandja en Bernard maakten er een dagtrip van. Na de eerste koffie moest het ‘time team’ meteen aan de slag: om 11 uur stond onze afspraak gepland met de stadsarcheoloog. Zijn depot ligt verscholen in de kelders van een oud politiebureau. Het was geweldig interessant om eens te mogen dwalen door een archeologisch rovershol, met deskundige uitleg natuurlijk. Het werd al snel duidelijk dat Bergen op Zoom een rijk verleden als aardewerkcentrum heeft gekend. Er zijn diverse middeleeuwse pottenbakkersateliers gevonden in de binnenstad. De aanwezigheid van een kwalitatieve kleilaag en genoeg brandstof (turf en hout uit het achterland), zorgde voor een gestage productiestroom. In veel ZW-Nederlandse steden is Bergens aardewerk aangetroffen. De keramische geschiedenis van Bergen op Zoom werd ineens met 1000 jaar verlengd, toen men in het jaar 2002 de resten van een Romeinse offerplaats vond achter de Gertrudiskerk. Het betrof mini-amfoortjes die waarschijnlijk als offer in een vennetje werden gegooid. Men vermoedt dat er ook een tempeltje heeft gestaan, maar daarvan zijn geen resten gevonden. Archeologen vermoeden ook, dat een bepaald soort Karolingisch aardewerk uit BoZ stamt, maar er zijn nog geen werkplaatsen uit die periode aangetroffen. Binnenkort starten opgravingen in een ‘kansrijk’ gebied en de stadsarcheoloog kijkt daar handenwrijvend naar uit. Hij behoort tot de ‘gravende’ soort en is niet zo gesteld op ondergrondse conservering. Over conservering gesproken: we kregen ook een kijkje in 2 klimaatruimtes, waarin gevoelig materiaal kan worden bewaard. Voorlopig was die voorraad enigszins beperkt, maar daar komt vast verandering in… Aan de hand van een uitgebreide powerpoint-presentatie kregen we een goed beeld van de stedelijke ontwikkeling van BoZ en natuurlijk kwamen diverse archeologische opgravingen aan bod. Het was een interessante kennismaking met de praktijk van een stadsarcheoloog.

0bd9c1c3b1c2ec29e3a9f7582d56be45.jpg

We namen om 12.30 uur afscheid om ons weer naar de Grote Markt te begeven. Daar moest natuurlijk geluncht worden. Natuurlijk ook een ideaal moment om bij te praten over historische en andere onderwerpen. Marjoke had gezorgd voor een uitgebreide leesvoorraad over Bergen op Zoom. Zo vliegt een lunch wel voorbij. Onze volgende halte was de Gertrudiskerk. Hoewel haar toren niet zo hoog is, vormt deze kerk toch het onbetwiste middelpunt van de stad. Haar omvang is nog steeds indrukwekkend, maar ooit was ze nog veel groter. Oorlogsgeweld en stadsbranden eisten echter hun tol. Een zeer deskundige gids vertelde ons over de middeleeuwse geschiedenis van de kerk, hoewel zij toch afentoe de spelregels overtrad en andere periodes besprak. Dat kan natuurlijk ook niet anders. Of de Gertrudis daadwerkelijk een stichting is vanuit de Abdij van Nijvel weet men niet, maar de banden waren wel oud. De kerk laat ook de diverse stijlperiodes van de Gotiek zien. De heren en bestuurders van Bergen op Zoom bespaarden kosten nog moeite om mee te doen in de middeleeuwse bouwwoede. Expertise werd ingehuurd vanuit Antwerpen (Evert Spoorwater) of Mechelen (de Keldermansen).

8b7749ad527381647920709c0f68171f.jpg

Na de kerk werd ook nog de Gevangenpoort aan een uitwendig onderzoek onderworpen, maar daarna was het toch tijd voor een terrasmoment. De stad was inmiddels overspoelt met bezoekers van het culinair festival, dus er was sprake van een gezellige drukte. We streken neer op een terras tegenover het hoofddoel van onze Bouwersdag: het Markiezenhof. Met het oog op de klok moesten we de pauze kort houden, want we wilden voldoende tijd hebben voor dit schitterende stadspaleis. Het is in de loop van de 15/16de eeuw gebouwd door de heren en markiezen van Bergen en is eigenlijk het enige overgebleven paleis uit die periode, met een publieke functie. Op 24 mei ging het er zelfs extra ‘publiek’ aan toe, want de binnenplaatsen van het paleis werden ook in beslag genomen door het culinaire evenement. De historisch purist zou daar niet blij van worden, maar tegelijkertijd zorgde het voor een levendigheid die er ook in de middeleeuwen zal hebben geheerst. Bijvoorbeeld bij bezoeken van Maximiliaan I of Karel V. De heren van Bergen op Zoom toeterden namelijk hun partijtje mee in het bestuur van de Nederlanden. In het paleis werd natuurlijk ook getoeterd door Jacob Obrecht die al vaker is besproken op deze club. Het Markiezenhof geeft een goed beeld van de geschiedenis van Bergen op Zoom, haar burgers en haar bestuurders. Haar bloeiperiode lag in de late middeleeuwen vanwege de succesvolle jaarmarkten en de bemoeienis van het geslacht Glymes, oorspronkelijk afkomstig uit Zuidelijk Brabant.

11cdfb9a1094174a2de4766e03a569e4.jpg

De collectie is nergens groots en meeslepend en de ware hoofdrol blijkt uiteindelijk weggelegd voor het stadspaleis zelf. De stijlkamers, trappenhuizen, binnenplaatsen, zuilengalerijen, schoorstenen en de sierlijke uitkijktoren maken het een bijna sprookjesachtig ensemble. Na haar bloeiperiode, bleef Bergen op Zoom haar aantrekkingskracht behouden. Daaraan lag echter een heel andere reden ten grondslag: vanwege haar geografische ligging werd BoZ een geduchte vestingstad, die pas in 1747 moest buigen (en barsten) voor de Franse troepen. Een grote maquette toont de uiteindelijke omvang van de Bergense vestingwerken.

da3fefd62216be72919c9ab8079035c6.jpg 

Rond de klok van 5 verlieten de Bouwers het Markiezenhof om meteen weer op het terras te belanden. Het was nu echt tijd voor een biertje. Het diner werd genoten in restaurant Hemmingway, onderdeel van ‘De Draak’, de oudste herberg van de Nederlanden. De keuken was perfect, maar ‘de processen’ verliepen wat traag, mede door een enigszins gestoorde ober. De Kathedralenbouwers lieten zich daardoor niet uit het veld slaan en kletsten gewoon gezellig de avond vol. Toen de duisternis inviel, was het tijd voor het afscheid. Antonius en Marjoke bleven met hun aanhang binnen de poorten. Calamandja en Bernard stapten weer in hun postkoets en verlieten de veilige vesting. Het was weer een bijzonder samenzijn. Wat een geweldige traditie!

Getekend: clublid bernard-de-clairvaux.

art_border_motif_01.jpgart_border_motif_01.jpgart_border_motif_01.jpg

Foto van de clubleden op de vijfde clubbijeenkomst in Kortrijk (2012):

IMG_0001.JPG

Foto van de clubleden op de vierde clubbijeenkomst in Zutphen (2011):

club2.jpg

Foto van de clubleden op de derde clubbijeenkomst in Delft (2010):

Clubleden Kathedralenbouwers in Delft

Foto van de aanwezige clubleden op de tweede clubbijeenkomst van de Kathedralenbouwers te Brugge op 18 april 2009.

cluppersbrugge(1).jpg

art_border_motif_01.jpgart_border_motif_01.jpgart_border_motif_01.jpg

documents.gif Scoop+it_online+curating_scoop+it+versusbanner+2link+be.jpg 46a0f6cd59ecc242f3e84fbf00fabaa2.jpg

9200000028615976.jpg

De beeldvorming over de Middeleeuwen is vaak weinig positief. Over het algemeen worden de jaren 500-1500 nog steeds gezien als een donkere tijd van oorlogen en pest, achterlijkheid, stilstand, religieus fanatisme en ander ongemak.

In de prachtige bundel Cultuurgeschiedenis van de Middeleeuwen (WBooks, 2015) nuanceren universitair docenten en hoogleraren dit beeld aan de hand van vijftien thema’s. Maar dat is niet het enige: het boek trekt frisse conclusies en doet interessante voorstellen voor andere benaderingen van de jaren 500 tot 1500. Het boek is er gekomen op initiatief van de Open Universiteit, als tekstboek voor de gelijknamige cursus, die onderdeel is van de postpropedeuse van de wo-bachelor Algemene cultuurwetenschappen van deze universiteit.

Twee doelen

In de inleiding leggen de redacteuren Rob Meens en Carine van Rhijn, beide docenten aan de Universiteit Utrecht, uit wat de hoofddoelen van de uitgave zijn. Ten eerste willen de redacteuren laten zien dat veel denkbeelden over de Middeleeuwen niet meer kloppen. Binnen de mediëvistiek, dat is de discipline die de Middeleeuwen onderzoekt, zijn de afgelopen eeuw veel ontdekkingen gedaan die tot nieuwe inzichten hebben geleid over de jaren 500 tot 1500. Het tweede doel van Cultuurgeschiedenis van de Middeleeuwen is om te laten zien hoe de incorrecte denkbeelden over dit tijdvak zijn ontstaan en hoe ze het publieke discours nog steeds richting geven.

Centraal in het boek staat vooral de middeleeuwse geschiedenis van West-Europa:

“Het kiezen van bestaande beelden als uitgangspunt, heeft als consequentie dat dit boek vooral over West-Europa gaat. De traditionele beeldvorming is immers grotendeels gebaseerd op de eurocentrische geschiedvorsing in de negentiende en twintigste eeuw. In de huidige geschiedwetenschap zien we een groeiende belangstelling voor de geschiedenis van Byzantium en de wereld van de islam.” (11)

Vijftien thema’s

De vijftien thema’s die aan de orde komen, zijn stuk voor stuk relevant en typerend voor het tijdvak van de Middeleeuwen. Zo komen onder meer aan de orde: de klassieke maar discutabele periodisering van de Middeleeuwen, het al dan niet barbaarse karakter van de volksverhuizingen, het christendom, feodalisme, analfabetisme, het imago van ridders, gotische kerken en de algemene hygiëne (of het gebrek daaraan).

Ieder artikel is voorzien van prachtig illustratiemateriaal, voetnoten, literatuursuggesties om verder te lezen en ten slotte een handige begrippenlijst die de kernwoorden uit de bijdrage samenvat. Prachtige kaarten, de literatuurlijst aan het einde van de bundel en de geografische index maken het boek af.

Periodisering Middeleeuwen: 1000 tot 1800

Peter Raedts opent met een mooie bijdrage over de vraag ‘Wat is middeleeuws?’ Hij toont aan de hand van onderzoek van mediëvisten en andere historici aan dat de traditionele periodisering van de Middeleeuwen, circa 500 tot 1500, ter discussie gesteld kan, of beter gezegd: moet worden. Niet alleen omdat de volksverhuizingen en val van Rome een minder grote breuk zijn dan vaak is verondersteld (er was veel continuïteit tussen de late oudheid en vroege Middeleeuwen), maar ook omdat veel ontwikkelingen die tegenwoordig in de moderne tijd gesitueerd worden, feitelijk al begonnen in de Middeleeuwen. Daarbij wordt de renaissancetijd volgens veel historici ernstig overschat als breukpunt in de westerse geschiedenis.

Al met al komt Raedts tot de volgende slotsom:

“Zelf beschouw ik de tijd rond 1800 als de grootste breuk in de Europese geschiedenis. De moderne westerse samenleving is een kind van revolutie en verlichting. De industrialisering die toen op gang kwam, betekende het einde van de agrarische samenleving. (…) De nationale staat is een vrucht van de Franse Revolutie. Kerk en staat werden voor het eerst gescheiden en ieder kon kiezen of hij gelovig wilde zijn en welk geloof hij wilde aanhangen. (…) De tweede grote breuk in de Europese geschiedenis is naar mijn mening de tijd rond 1000. De enorme groei van de bevolking die toen begon, maakt duidelijk dat er toen een agrarische revolutie plaatsvond, waardoor de landbouwproductie omhoogschoot. Pas in de elfde eeuw werden de verschillende christelijke kerken samengevoegd tot één hiërarchische en gecentraliseerde institutie rond de paus in Rome (…) In feite zou het beter zijn de periode van 1000 tot 1800 te beschouwen als de Middeleeuwen, de tijd waarin veel is ontstaan dat voor onze tijd nog steeds waardevol is.” (25-27)

Onderzoek naar kettervervolgingen

Boeiend is, naast veel andere artikelen, de bijdrage van Bram van den Hoven van Genderen over kettervervolging en inquisitie. De golven van massale heksenvervolgingen dateren van ná de Middeleeuwen, namelijk in bepaalde delen van Europa in de zestiende en zeventiende eeuw. In de Middeleeuwen werden wel eens mensen veroordeeld voor tovenarij, maar dit was incidenteel. Het ontstaan van een min of meer systematische vervolging van ‘ketters’ (katharen) maakte daarentegen wel deel uit van de middeleeuwse cultuur.

Een belangrijke instelling die deze vervolging op touw zette, was de pauselijke inquisitie, die beslag kreeg in de jaren 1231-1234. In het onderzoek naar kettervervolgingen zijn drie benaderingen te onderscheiden, waarvan de laatste vrij recent tot ontwikkeling is gekomen. Van den Hoven van Genderen schrijft hierover:

“De eerste betrof pogingen om de katharen te zien als de opvolgers of overblijvers van de oude manicheeërs, een dualistische (met twee opperwezens, een Goede én een slechte God) groepering uit de oudheid. In een tweede benadering stonden de bronnen centraal, eerst om zoveel mogelijk kennis daaruit te verwerven, over wat ketters geloofden; de laatste decennia met name om te laten zien hoe machthebbers voor deze teksten verantwoordelijk zijn en ze gebruiken. We kijken dus niet door de ogen van de katharen zelf en we horen hen niet praten (…) De laatste jaren is daar een derde benadering bijgekomen doordat sommige onderzoekers dit nog scherper hebben geformuleerd: er bestonden geen duidelijk gedefinieerde groepen ketters, met eigen, vaste, van de christelijke leer afwijkende ideeën. Kerkelijke en wereldlijke machthebbers hebben in plaats daarvan lieden vervolgd die volgens hen een bedreiging voor de bestaande orde vormden. Ketters werden dus gemaakt, ketterij ‘uitgevonden’, een ketters denkkader geconstrueerd.” (213,214)

Vervolgens gaat de auteur in op de vraag of er überhaupt katharenkerken hebben bestaan, of dat het om heterogene, los van elkaar opererende groepen ging. Daarna volgt een relaas over de aard en het karakter van de inquisitie. De feiten hieromtrent zijn dat martelen en verbranden van ketters (dit laatste gebeurde in 6-10% van de gevallen) eerder uitzondering dan regel waren. Als er mensen op de brandstapel gezet werden, betrof dit veelal de leiders van een kettergroep of personen die al eerder veroordeeld waren. Er bestond ook niet zoiets als dé Inquisitie, maar de inquisitiecultuur verschilde van plaats tot plaats.

Bron: Enne Koops, Historiek.net

Ridderboscover.png

De Vlaamse Primitieven spreken tot de verbeelding. De schilderijen van de Meester van Flémalle,  Jan Van Eyck, Rogier van der Weyden, Dirk Bouts, Hugo van der Goes en andere meesters hangen in musea over de hele wereld en worden gezien als het hoogtepunt van de laatmiddeleeuwse kunst.

Dit kunstboek gaat verder dan de vele andere studies over deze meesterwerken en bespreekt niet enkel het artistieke karakter van de schilderijen, maar ook de cultuurhistorische context waarbinnen ze gemaakt werden.

Wie waren de opdrachtgevers van de Vlaamse Primitieven en waarom lieten ze bepaalde voorstellingen schilderen? Welke sociale, politieke, economische en devotionele factoren beïnvloedden de artistieke productie? Welke symbolische betekenissen zitten er in de schilderijen? Hoe werden de werken in de eigen tijd ontvangen en gewaardeerd?

Schilderkunst in de Bourgondische Nederlanden kijkt op een geheel nieuwe manier naar de schilderkunst van de Vlaamse Primitieven. Boordevol schitterende afbeeldingen is dit een prachtig lees- en kijkboek over de belangrijkste schilderijen uit de geschiedenis van de Bourgondische Nederlanden.

Oudnederlandse schilderkunst

Aan het woord is Bernhard Ridderbos, docent middeleeuwse kunstgeschiedenis. De man is expert genoeg om te weten dat het kunst- en cultuurleven in de Nederlanden van de late middeleeuwen al zo vaak vanuit dezelfde invalshoeken werd herkneed. Daarom wilde hij de Oudnederlandse schilders en hun werken eens op een verrassende manier in de spotlichten plaatsen. Alle groten passeren de revue, van de gebroeders Van Eyck tot de meester van Flémalle, weliswaar met hun bekendste werken. Het lezenswaardige zit hem in de opbouw van het verhaal en het samenspel van allerhande gegevens en details die in een klassiek kunstboek gewoonlijk ontbreken.

Dialoog

Ridderbos catalogeert Van der Weyden, Memling en de anderen bewust als “Oudnederlandse schilders” (in het Engels is doorgaans enkel sprake van “Early Netherlandisch painting” en in het Duits van “Altniederländische Malerei”) en niet als “Vlaamse primitieven”. Die laatste term spruit voort uit het dedain waarmee men de schilders uit de Bourgondische tijd lang bejegende. De begrippen middeleeuws en gotisch stonden veel te lang synoniem voor duister en primitivistisch. Uiteindelijk zou daar in de 19de eeuw, tijdens de romantiek, verandering in komen. Daarom knutselde de auteur uit het wetenschappelijke debat dat zich vanaf ongeveer 1840 rond de zogenaamde “primitieven” ontspon, een raam waarin hij zijn keurige detailstudies naderhand kon inpassen. De veelheid aan meningen en inzichten over Van Eyck en co is misschien een logisch gevolg van het feit dat de Oudnederlandse stroming in bloei kwam op het moment dat twee grote tijdvakken (middeleeuwen en renaissance) in elkaar overvloeiden. Hoewel uiterlijk nog op en top middeleeuws effende de beeldende kunst van de jaren 1400 qua inhoud mee het pad voor de nieuwe tijd. Ridderbos laat meerdere kunstminnaars en vorsers uit lang en minder lang vervlogen tijden hierover in dialoog treden. De lezer wordt uitgenodigd om, geholpen door de vele kleurrijke afbeeldingen, zelf tot een synthese te komen.

Huizinga

Eén wetenschapper steekt volgens Ridderbos met kop en schouders boven alle anderen uit. De Nederlandse historicus Johan Huizinga (1872-1945) oogst alle lof, meer bepaald omwille van zijn baanbrekende “Herfsttij der middeleeuwen” (1919), waarin hij de laatmiddeleeuwse maatschappij in de Nederlanden en het leven aan het hertogelijke hof met opzichtige literaire zwier ontsluiert. Ridderbos wenst in de geest van Huizinga’s referentiewerk verder te werken. Niettegenstaande het magistrale van het genoemde boek, blijft Ridderbos in zekere zin toch op zijn honger zitten. Huizinga verzuimde namelijk dieper in te gaan op de toenmalige schilderkunst als opperste afspiegeling van de vijftiende-eeuwse tijdsgeest. Die lacune poogt Ridderbos met “Schilderkunst in de Bourgondische Nederlanden” op te vullen. De geselecteerde werken worden ingekapseld in de culturele context waarin ze ontstonden. We treden naar goede Huizinga-traditie binnen in de leefwereld van opdrachtgevers, zoals Joos Vijd (Lam Gods), en geportretteerden, zoals de zakenman Arnolfini (cf. het bekende portret door Van Eyck). Volgend in hun voetsporen beleeft men de wording van een aantal heerlijke doeken van naderbij.

De obligate ontboezemingen over symboliek en religieuze achtergronden kan men elders lezen. Niettemin biedt dit werk een vernieuwende kijk op een veelvuldig verkend thema. Deze keg is het stille bewijs dat er ook op ogenschijnlijk platgetreden paden nog heel wat te beleven valt.

Bron: Tom, pallieterke.net

Titel: “Schilderkunst in de Bourgondische Nederlanden”

Auteur: Bernhard Ridderbos

Uitgeverij: Davidsfonds

Jaar: 2014 - Bladzijden: 327

Prijs: 64,95 euro - ISBN: 9789059085435

9789085425731.jpg

Michael Pye schreef met 'Aan de rand van de wereld' een fascinerende ‘contrageschiedenis’ van de donkere Middeleeuwen in noordelijk Europa.

In de eerste eeuw na Christus belandde Plinius de Oudere als commandant van het Romeinse leger aan de Noordzeekust, ergens ter hoogte van de huidige grens tussen Nederland en België. En, blijkt uit wat hij er in zijn encyclopedische Naturalis historia over schreef, hij was niet erg onder de indruk van wat hij daar aantrof. Op heuveltjes gebouwde huizen, als scheepswrakken in het moeraslandschap. Lagunes en moeilijk doordringbare veengebieden die de kuststrook waarop de inheemse watermensen woonden van het vasteland scheidden.

‘Plinius,’ meldt de Britse schrijver/historicus Michael Pye, ‘dacht na over de watermensen en kwam tot de conclusie dat het niet de moeite loonde om het gebied te veroveren. Vis, schreef hij, was het enige dat ze hadden.’

Zeven eeuwen later sprak de bisschop van Utrecht al niet veel respectvoller over de Friezen die het gebied bevolkten, ‘als vissen in het water leefden en vrijwel uitsluitend per boot reisden’. Grof en barbaars, vond hij ze. ‘Zompige provincialen’.

Het zijn maar twee stemmen uit de geschiedenis, natuurlijk. Maar je kunt zonder veel overdrijven zeggen dat ze een visie op noordelijk Europa vertolken die eeuwenlang dominant bleef. Met name, al is dat gezien het tijdperk waarin de sprekers leefden nogal anachronistisch, op het noordelijk Europa van de spreekwoordelijk donkere Middeleeuwen.

Sprookjesachtige verhalen over jonkvrouwen, kastelen en dappere ridders genoeg, maar simplistisch samengevat kwam het beeld van deze streken op het volgende neer: bij de val van het Romeinse Rijk ging het licht uit, om pas weer aan te gaan toen de verworvenheden van de Renaissance vanuit het zuiden, de bakermat van de klassieke beschaving, de barbarij verdreven.

Tussendoor trokken de Vikingen rovend en moordend rond en vochten koningen elkaar de tent uit, terwijl horige boeren nog net niet in berenvellen op het land ploeterden. En, o ja, in kloosters werkten monniken, afgesneden van de profane wereld, aan die prachtig verluchte manuscripten, wachtend op betere tijden of de zondvloed.

  

Woeste leegte

Het is uiteraard onzin om te beweren dat er niet eerder historici waren die die woeste leegte probeerden in te vullen en nuanceren. Maar evengoed is het nieuwe boek van Michael Pye, een oud-journalist die als romancier naam maakte met Gestolen levens (1999) en Stukken uit Berlijn (2002), en met Maximum City (2010) een biografie van de stad New York schreef, een fascinerende contrageschiedenis. Of, beter misschien: een parallelle geschiedenis. In Aan de rand van de wereld toont hij namelijk op overtuigende wijze aan dat de moderne wereld zoals we die nu kennen minstens zo schatplichtig is aan de ontwikkelingen die zich tussen ruwweg 700 en 1700 rondom de Noordzee voordeden als aan de erflaters van het oude Rome en Athene. Ontwikkelingen die vaak rechtstreeks zijn terug te voeren op het feit dat de volkeren daar, als watermensen, ‘uitsluitend per boot reisden’.

Die zompige provincialen, de Friezen, legt hij in het eerste hoofdstuk uit, (her)ontdekten om te beginnen de vaarroutes over de Noordzee – daarvoor lang gezien als het onbegaanbare, van monsters vergeven eind van de wereld – naar het huidige Denemarken, Groot-Brittannië, Jutland en verder. Ze stichtten steden die al opbloeiden terwijl het oude Keizerrijk in verval raakte, en dreven overal waar ze kwamen handel. Wat hen er later, uit praktische overwegingen, toe bracht een in onbruik geraakt ruilmiddel nieuw leven in te blazen: muntgeld.

Geld en het vervoer over water van goederen: mensen en ideeën blijken al gauw de twee voornaamste pijlers onder de verhalen die Pye in 400 pagina’s te vertellen heeft over Noormannen en Vikingen, Ierse monniken en Vlaamse begijnen. Verhalen die hij opdiepte uit een indrukwekkende berg aan historische werken, informatie uit archeologische opgravingen en jarenlang archiefwerk.De grote lijnen die hij in de thematisch opgezette hoofdstukken uiteenzet, raken soms wat verward door de niet altijd heldere chronologie, maar boeiend zijn ze beslist. Van die zilveren munten en koopmansgeest van de Friezen komt hij via de eerste handelsbeurs ter wereld, in Vlaanderen, uit bij de rudimenten van ons idee van een kapitalistische samenleving. (Waarbij hij en passant laat zien dat het abstracte denken waartoe werken met geld dwingt de wiskunde en wetenschap stimuleerde.) Hij beschrijft hoe internationale handelscontacten leidden tot de behoefte aan een op feiten en bewijs gebaseerde rechtspraak om disputen te beslechten. Hoe mode zich verspreidde en de status quo in gevaar bracht. Of hoe angst voor de pest de betekenis van grenzen en de macht van staten in korte tijd vergrootte.

   

Verre plek

Maar de kracht van Aan de rand van de wereld schuilt toch vooral in hoe Pye middels smakelijk vertelde anekdotes onderbelichte historische figuren en episodes tot leven wekt. Hij laat je kennis maken met de dertiende-eeuwse bisschop en wetenschapper Robert Grosseteste of de Vlaamse schrijver/spion Richard Verstegen. En je valt regelmatig van de ene verbazing in de andere.

Wie wist, om maar wat te noemen, dat interpunctie een uitvinding van Ierse monniken was? Wie had gedacht dat een boer in Stockholm in de zesde eeuw een boeddhabeeldje in zijn bezit kon hebben? Of dat Vikingen volgens verschillende sagen vanuit Groenland naar een verre plek reisden die niet anders dan Amerika kan zijn? Let wel: zes eeuwen voor de eerste Engelse kolonisten in Virginia neerstreken.

Vanuit een bruggenhoofd op Newfoundland, waar resten van hun expeditie werden teruggevonden, voerden ze zeker drie jaar lang verkenningstochten uit. Dat ze zich er nooit vestigden is waarschijnlijk te wijten aan interne conflicten en de kennismaking met inheemse stammen: ‘Het waren korte donkere mannen, met woeste haardossen, brede jukbeenderen en gelaatstrekken die de Noren bedreigend vonden, zoals de grote ogen waarmee ze de nieuwkomers bekeken.’

Het gebied en de tijdsspanne die Aan de rand van de wereld wil omvatten, is misschien te groot om altijd even coherent te zijn. En er zijn ongetwijfeld genoeg omissies in aan te wijzen. Maar op zijn beste momenten is dat wat Michael Pye je laat doen: met grote, verbaasde ogen kijken naar het verre verleden, waarin je glimpen van het hier en nu opvangt.   

  

Lees hier een leesfragment.

Bron: Dirk-Jan Arensman, VPRO boeken.

Michael Pye: 'Aan de rand van de wereld. Hoe de Noordzee ons vormde' 
(oorspr. The Edge of the World, vertaling Arthur Smet, Pon Ruiter en Frits van de Waa), verschenen bij uitgeverij De Bezige Bij, november 2014

9200000015466698.jpg

De Frankische vorst Karel de Grote, die regeerde van 768 tot 814, lijkt op de een of andere manier altijd terug van weggeweest. Zowel in kronieken, heiligenverhalen als miniaturen was Karel in de eeuwen na zijn dood terug te vinden. Toch is het beeld van Karel de Grote altijd eenzijdig politiek en daardoor diffuus gebleven.

 

In Franse epische gedichten, zoals het twaalfde-eeuwse Roelandslied of in het vroeg dertiende-eeuwse Karel en de Elegast, zien we Karel de Grote opduiken. En tegenwoordig dragen nog talloze steden – zoals Aken, Parijs, Zürich en Luik – zijn beeltenis of een van de helden uit zijn entourage. ‘Als een tijdloze leeft Karel de Grote onder ons verder’, aldus zijn historicus Raoul Bauer, die een prachtige, lijvige biografie over Karel de Grote schreef: Karel de Grote. Op de grens tussen twee werelden.

Scharnierpunt

Ondanks de blijvende betekenis van Karel de Grote, blijft zijn persoon echter diffuus, aldus Bauer. De rechtvaardiging voor het schrijven van een nieuw levensverhaal legt Bauer bij het feit dat in de bestaande historiografie vooral Karels politieke betekenis breed uitgemeten is: zijn manier van bestuur en de betekenis van het Frankische Rijk.

Anders dan eerdere historici beschrijft Bauer zijn subject dan ook hoofdzakelijk vanuit een cultuurhistorisch perspectief, met de bedoeling om hem te begrijpen als een scharnierpunt tussen de antieke wereld en de middeleeuwse cultuur. De aandacht in het boek gaat dan ook vooral uit naar kunst, filosofie en het religieuze denken van Karel de Grote.

Sacre_de_Charlemagne.jpg

Kroning van Karel de Grote

Keizer in St. Pietersbasiliek

Het boek begint met een goed geschreven historiografische inleiding, gevolgd door een chronologisch relaas van enkele hoofdstukken dat begint met de Val van het Romeinse Rijk. Aan bod komen daarna het Frankische Rijk onder Clovis, de Merovingers (6e eeuw) en de Pepiniden (6e eeuw).

Het voorgeslacht van Karel de Grote krijgt de nodige aandacht in hoofdstuk twee, uitlopend op de kroning van Karel tot keizer op 25 december 800. Veel aandacht besteedt Bauer aan het historiografische debat over de vraag wat Karel de Grote van de waarschijnlijk onverwachte kroning vond. Wist Karel dat hij tijdens Kerstmis door de paus tot keizer zou worden gekroond, of kwam de kroning uit de lucht vallen? Bauer toont hier aan dat de gang van zaken Karel nogal tegenstond. Een hoofdthema dat in het tweede hoofdstuk verder uitgelicht wordt is Karel de Grote in zijn rol als vader. Karel de Grote is minstens vier keer getrouwd geweest en hield er ook diverse maîtresses op na. Karel kreeg ruim 30 kinderen en kleinkinderen. Vervolgens gaat het derde hoofdstuk in op de religieuze uitgangspunten en visies van de vorst.

Charlemagne_and_Pope_Adrian_I.jpg

Paus Adrianus I vraagt hulp aan Karel de Grote

De ‘mythische’ Karel

Waar in de eerste drie hoofdstukken de historische Karel de Grote aan bod komt, staat in het vierde hoofdstuk de ‘mythische’ Karel centraal en dan met name het beeld dat middeleeuwse literatuur en verhalen van hem gecreëerd hebben. Brauer bediscussieerd in dit verband drie onderwerpen. Ten eerste Karels contacten met islamitische oosterlingen. Karel maakte enkele reizen naar het Oosten, die in de overlevering algauw werden voorgesteld als ‘heldhaftig en succesvol’. Het tweede onderwerp is de zogenoemde Karolingische renaissance, waardoor de Frankische keizer het symbool werd van voorspoed en geluk. Ten slotte nuanceert Bauer het imago van Karel als ‘eindkeizer’ van het christelijke Frankische Rijk. In de Middeleeuwen dachten veel invloedrijke christelijke opiniemakers dat na Karel de Grote de antichrist zou worden losgelaten.

  Charlemagne_et_Louis_le_Pieux.jpg

Karel de Grote geeft instructies aan Lodewijk de Vrome

‘Vader van Europa’ of cultuurdrager?

Rond 800 noemden tijdgenoten Karel de Grote steevast ‘Vader van Europa’ en dat is hij nog steeds, aldus Raoul Bauer. Echter, we moeten er niet voor terugdeinsden dit beeld te relativeren, zo concludeert de biograaf. De betekenis van Karel de Grote ligt nog sterker in de mede door hem bewerkstelligde continuering van het Frankische Rijk ‘als actieve bewaarengel van de klassieke en vroegchristelijke cultuur’.

Voorts was Karel de Grote in cultureel opzicht vooral belangrijk door het accent dat hij legde op correct geschreven teksten via klooster- en overschrijfinstanties, zijn waardering voor het onderwijs en het belang dat hij toekende aan bibliotheken. Karel was dan ook een van de ‘voornaamste erflaters van het huidige Europa’.

435px-Karl_der_gro%C3%9Fe.jpg

Slot

De biografie van Karel de Grote is vlot geschreven en voorzien van voortreffelijke illustraties, foto’s en kaarten. Leerzaam is dat Bauer gedurende het betoog meermalen het debat aangaat met eerdere historici, waardoor zich een veelzijdig beeld evolueert van de persoon Karel de Grote, met een klemtoon op de cultuurhistorische aspecten. Voor wie zich nog verder in de Frankische vorst en keizer wil verdiepen, biedt het notenmateriaal en/of de beknopte literatuurlijst een goede richtinggever.

   

Bron: Enne Koops; Historiek.net

Karl_der_Gro%C3%9Fe_in_der_Chronik_des_E 

 Afbeelding van Karel de Grote in de Kroniek van Ekkehard van Aura (ca. 1112/1114)

Karel de Grote - Raoul Bauer

Een keizer op de grens tussen twee werelden

ISBN: 9789066307070

Uitgever: WBOOKS

Hardcover, 320 pagina’s

Prijs: € 62,50

280_99999_5332_9789087044107.pcovr.Veldh

Het was een populaire wijsheid in de middeleeuwen: je kon meestal maar beter je mond houden. "Spreken es dicke zere berouwen ender ter grooter scaden comen," zegt het vroeg veertiende-eeuwse wijsgerige Boec van Sidrac, "ende swigen es selden berouwen." Van spreken kwam weinig goeds, en volgens sommigen vormden de 'zonden van de tong' — onder andere vleien, kwaadspreken, liegen, schelden, vloeken en uit je nek kletsen — een apart hoofdstuk in het boek der zonden.

De onlangs in Utrecht gepromoveerde Martine Veldhuizen heeft het originele idee gehad om de middeleeuwse opvattingen over slechte taal voor haar proefschrift De ongetemde tong te bestuderen aan de hand van twintigste-eeuwse taalfilosofen als John Searle, J.L. Austin en Paul Grice en taalkundigen als Dell Hymes. Zij beschreven taalgebruik als handelen, als een manier om iets te veranderen in de wereld; samen noem ik ze hieronder voor het gemak pragmatici (dat komt van het Griekse woord voor 'handelen').

Wanneer ik jullie bijvoorbeeld met de dood bedreig, is de wereld nooit meer wat hij is geweest; maar datzelfde geldt als ik jullie mededeel dat de aarde plat is.

Vanaf dat moment beschikken ineens honderden mensen over informatie die ze eerder niet hadden: dat ik geloof dat de aarde plat is.

Woorden morsen

Die visie op taalgebruik pas natuurlijk goed op het beeld dat het Boec van Sidrac schetst. Zoals ook het beeld van bijvoorbeeld Grice een goed begrippenapparaat blijkt te bieden om sommige middeleeuwse taalopvattingen te beschrijven. Volgens Grice gaan sprekers en luisteraars er in een gesprek van uit dat hun gesprekspartner zijn best doet om een zinnige bijdrage te bieden. Dat hij geen onwaarheid spreekt, bijvoorbeeld, en niet onnodig met woorden morst.

Veldhuizen bespreekt drie verschillende contexten waarin middeleeuwers nadachten over verkeerd taalgebruik: godsdienst, niet-godsdienstige ethiek, en het recht. Uit alle drie de domeinen haalt ze een aantal voorbeelden aan en laat ze zien hoe ze in het taalkundig-filosofisch begrippenpaar passen. Interessant zijn natuurlijk vooral de verschillen, de plaatsen waar het niet lukt. Ik zie er daarvan in totaal ook al drie.

Morele orde

Het eerste is dat al die pragmatici niet bezig waren met moraal, en ook niet met recht. Grice bedoelde bijvoorbeeld niet zozeer dat het verderfelijk is om te liegen, maar dat mensen er normaal gesproken vanuit gaan dat de ander niet liegt. Veldhuizen bespreekt een korte passage waarin Grice zegt dat het slechter is om te liegen dan om te uitvoerig te zijn. Maar ook dat bedoelde hij geloof ik vooral als een beschrijving van hoe mensen in elkaar zitten.

Door het wél in die context te plaatsen, krijgen de beschrijvingen een andere lading. Anderzijds is het mogelijk veelzeggend dat er pas sinds enkele decennia mensen zijn die zulke zaken als onwaarheid spreken kunnen beschouwen zonder er normen bij te betrekken. Ervoor is het nodig dat je de mens op zichzelf, en buiten de morele orde, kunt bekijken. Dat konden (of wilden) mensen in de middeleeuwen kennelijk niet.

Vuige praatjes

Het tweede verschil is een aanvulling die Veldhuizen maakt op het werk van de pragmatici. Zij gaan er meestal vanuit dat er twee personen bij een gesprek betrokken zijn: de spreker en de hoorder. Veldhuizen wijst erop dat in ieder geval voor de middeleeuwer ook anderen geschaad kunnen worden: de besprokene (bijvoorbeeld in het geval van laster) en het publiek (die zich laten meeslepen door vuige praatjes; ik vermoed overigens dat voor veel pragmatici die toehoorders alleen een bijzonder soort luisteraars zijn.)

Voor een deel heeft ook dit verschil te maken met de morele context waarin Veldhuizens discussie zich begeeft. Voor het begrip van hoe alledaags taalgebruik in elkaar zit is het vermoedelijk om het even of er over blokken hout voor de en haard of over mensen gesproken wordt. Juridisch ligt dat anders. Voor de middeleeuwers was er bovendien één heel speciale Toehoorder. Door Hem te schaden met je achteloze tong kon je de orde der dingen geheel en al verstoren.

Op zijn kop door een vloek

Dat is nog eens een taalhandeling! Hij past inderdaad in de schema's van Austin en Searle, waarin geen plaats is voor metafysische consequenties van het gezegde: bij de door hen geanalyseerde werkwoorden gaan die consequenties niet verder dan de spreker en de hoorder, en hun onderlinge relatie. Zij beoogden hiermee natuurlijk (en misschien terecht) om alleen objectief vaststelbare veranderingen weer te geven, maar het voorbeeld van godslastering laat zien dat hun werk daarmee toch minstens voor een deel cultureel bepaald was.

(Je zou het kunnen proberen te repareren door te zeggen dat er iets aan spreker of hoorder verandert door de godslastering, namelijk dat ze geloven dat ze nu verdoemd zijn. Maar een echte gelovige leeft in een wereld die geheel op zijn kop gezet wordt door een vloek. Dat is misschien subjectief, maar dan is menen dat je getrouwd bent omdat een ambtenaar gezegd heeft 'ik verklaar u man en vrouw' óók subjectief.)

Ongetemde tong

Het derde verschil tussen middeleeuwers en pragmatici houdt óók verband met een groot verschil in wereldbeeld. Voor middeleeuwers was het verschil tussen lichaam en geest veel groter dan voor ons. Ja, het was absoluut. Dat betekende dat een lichaamsdeel als de tong bijna een eigen leven kon leiden. Het was zaak om die tong in bedwang te houden. 'Die sine tonghe dwingt vander haest / dat hi Gode es alder naest' zegt de Dietsche doctrinale. Met de enorme stroom boeken van sociaalpsychologen over het onderbewuste (zoals Daniel Kahn) lijkt me de losse tong weer helemaal terug, trouwens.

Voor pragmatici die Veldhuizen gebruikt lijkt het me noodzakelijk dat de spreker wil zeggen wat hij zegt. Wanneer iemand dingen zegt omdat zijn tong machtiger was dan hijzelf, kunnen Austin, Searle en Grice wel inpakken.

Helaas heeft Veldhuizen uiteindelijk vooral een medioneerlandistische blik. Ze heeft niet veel meer gelezen dan de klassiekers op het gebied van de pragmatiek, en ook haar aanbevelingen voor verder onderzoek gaan allemaal over de mediëvistiek. Dat kun je haar natuurlijk niet kwalijk nemen, want De ongetemde tong moet een enorme kloof dichten. Ik hoop dat er veel over dit boek gesproken zal worden en weinig gezwegen,

Martine Veldhuizen. De ongetemde tong. Opvattingen over zondige, onvertogen en misdadige woorden in het Middelnederlands 1300-1550. Hilversum: Verloren, 2014.

 

Bron: Marc van Oostendorp; http://nederl.blogspot.nl.

jeanne-d-arc-proces.jpgJeanne d'Arc verscheen in 1431 in Rouen voor de inquisitie (kerkelijke rechtbank). Ze werd onder meer beschuldigd van het weglopen van huis, niet erkennen van kerkelijke autoriteit en het dragen van mannenkleren. Op 30 mei 1431 belandde de Franse boerendochter op een brandstapel in Rouen. Bij uitgeverij Nieuw Amsterdam verschijnt later deze maand voor het eerst een Nederlandse vertaling van het proces dat in 1431 tegen Jeanne d'Arc werd gevoerd. Hieronder enkele fragmenten uit dat bijzondere boek.  

       

Verslag van het proces

  

Woensdag 2 mei (1431)

Toen haar werd verteld over de strijdende Kerk en haar werd aangeraden het artikel ‘Eén heilige katholieke en apostolische Kerk’ te geloven en aanvaarden, en zich aan de strijdende Kerk te onderwerpen, antwoordde ze: ‘Zeker geloof ik in de Kerk op aarde; maar zoals ik eerder zei, hoop en vertrouw ik voor mijn woorden en daden op God.’ En verder: ‘Ik geloof zeker dat de strijdende Kerk niet kan dwalen of tekortschieten, maar mijn woorden en daden leg ik aan God voor en vertrouw ik aan Hem toe, want Hij heeft me alles opgedragen wat ik heb gedaan.’ Ze zegt opnieuw dat ze zich onderwerpt aan God, haar Schepper, die haar deze dingen opdroeg; ze vertrouwt op Hem en op Zijn persoon. 

Op de vraag of ze bedoelt dat ze op aarde geen rechter heeft en dat onze Heilige Vader de paus niet haar rechter is, antwoordde ze: ‘Ik heb u niets meer te zeggen. Ik heb een goede meester, God, en ik vertrouw volledig op Hem en op geen ander.’ Toen haar werd gezegd dat ze een kett er is als ze niet gelooft in de Kerk en in het artikel ‘Eén heilige katholieke en apostolische Kerk’ en dat ze door andere rechters met het vuur gestraft zou worden, antwoordde ze: ‘Ik heb u niets meer te zeggen. Als ik het vuur zag, zou ik zeggen wat ik u nu zeg en niets anders.’ [...] 

jehanne.jpgOp de vraag of ze zich zou onderwerpen aan de paus, antwoordde ze: ‘Breng me voor hem en ik zal hem antwoord geven.’ Meer wilde ze niet zeggen. [...] 

Tot slot werd Jeanne nogmaals uitvoerig in algemene bewoordingen aangemaand om zich aan de Kerk te onderwerpen, op straffe van excommunicatie. Als de Kerk haar zou uitstoten, zouden haar lichaam en ziel groot gevaar lopen: haar ziel om in het eeuwige vuur, haar lichaam om in het vuur van deze wereld te branden, op vonnis van andere rechters. Ze antwoordde: ‘Als u me behandelt zoals u zegt, zullen uw lichaam en ziel door boze geesten worden bezocht.’ 

Als u me behandelt zoals u zegt, zullen uw lichaam en ziel door boze geesten worden bezocht.

Op de vraag naar één enkele reden waarom ze niet toegeeft aan de Kerk, weigerde ze opnieuw te antwoorden. Vervolgens hebben vele doctoren en deskundigen van uiteenlopende rang en faculteiten haar aangemaand, welwillend tot haar gesproken en erop aangedrongen dat ze zich aan de universele strijdende Kerk, de paus en het algemene concilie zou onderwerpen. Ze hebben uitgelegd door welke gevaren haar lichaam en ziel werden bedreigd als ze zichzelf en haar daden niet aan de strijdende Kerk zou onderwerpen. 

Ze bleef bij haar antwoorden.

    

Woensdag 9 mei 1431 

  

jeanne-d-arc 1505.jpgIn hetzelfde jaar, op woensdag 9 mei, is Jeanne aan ons, rechters, voorgeleid in de grote toren van het kasteel van Rouen. [...] Jeanne werd verzocht en aangeraden de waarheid te vertellen over vele uiteenlopende zaken in haar proces die ze eerder had ontkend of waarover ze had gelogen, aangezien positieve gegevens, bewijsmiddelen en zwaarwegende vermoedens voorhanden waren. Veel daarvan werden aan haar voorgelezen en uitgelegd, en haar werd gezegd dat ze gemarteld zou worden als ze de waarheid niet zou bekennen. De martelwerktuigen in de toren werden haar getoond. Er waren ook beulen aanwezig die haar op ons bevel konden martelen, om haar terug te voeren naar de weg en de kennis van de waarheid en zodoende haar lichaam en ziel te verlossen, die ze door haar leugenachtige verhalen aan ernstige gevaren had blootgesteld. 

Jeanne antwoordde:

Eerlijk gezegd, zelfs als u mijn ledematen uit elkaar rukt en mijn lichaam van mijn ziel scheidt, zal ik u nog steeds niets anders vertellen. En als ik u iets vertel, zal ik later zeggen dat u me hebt gedwongen.

Ze zei dat ze op het laatste feest van de Kruisvinding steun had gevonden bij de heilige Gabriël, en ze gelooft dat het de heilige Gabriël was en weet dat dankzij haar stemmen. Ze zegt dat ze haar stemmen om advies heeft gevraagd over de kwestie of ze zich aan de Kerk moest onderwerpen, aangezien de geestelijken daar zeer op aandrongen, en dat de stemmen haar hebben gezegd dat ze voor al haar daden op God moet vertrouwen als ze wil dat God haar helpt. 

Ze zegt dat ze heel goed weet dat God steeds al haar handelingen bepaalde en dat de duivel er nooit macht over had. Verder zegt ze dat ze haar stemmen heeft gevraagd of ze op de brandstapel zou terechtkomen, en dat ze haar hebben gezegd op de Heer te vertrouwen, die haar zou helpen. [...] Toen we merkten hoezeer haar gemoed verhard was en op welke toon ze antwoordde, vreesden wij, rechters, dat ze weinig baat zou hebben bij de martelwerktuigen en we besloten ze niet toe te passen totdat we nader advies hadden ingewonnen. 

jeanne+d%27arc+3.jpg       

Jeanne d'Arc. Het proces - Daniel Hobbins.
Uitgeverij Nieuw Amsterdam.
296 pagina's - 19,95 euro.
http://www.nieuwamsterdam.nl

Daniel Hobbins is associate professor geschiedenis aan de University of Notre Dame. Zijn specialisatie is de Franse Middeleeuwen, met name de tijd waarin Jeanne d'Arc leefde. Hij heeft verschillende boeken en artikelen op zijn naam staan, en werd onderscheiden met een flink aantal belangrijke prijzen voor zijn werken. 

     

Waardering

jeranne-d-arc-brandstapel.jpg

Het leven van Jeanne d'Arc is vaak beschreven. Maar de belangrijkste bron van informatie, namelijk het in 1431 tegen haar gevoerde proces, verscheen niet eerder in onze taal. Dat wordt nu 600 jaar na haar geboortejaar goedgemaakt met een vertaling van de woorden die gesproken werden tijdens deze rechtszaak, die leidde tot de brandstapel. Zo kunnen wij Jeanne zelf horen spreken. Jeanne d'Arc. Het proces onthult fascinerende aspecten van haar leven, haar karakter, haar visioenen en motieven. Daniel Hobbins oogstte met dit boek, dat een gedetailleerd beeld geeft van het leven van een middeleeuwse vrouw, veel lof. Hij geeft Jeanne's woorden voortreffelijk weer en biedt in zijn veelgeprezen inleiding een goed inzicht in de tijd waarin zij leefde.

Jeanne d’Arc is geen legende of mythe. Ze heeft echt bestaan. En van haar maandenlange proces in 1431 zijn uitvoerige processtukken bewaard gebleven. Origineel geschreven in het Frans en in het Latijn. In 2005 werden ze vertaald door Professor Daniël Hobbins en nu in 2012 naar het Nederlands. Het boek bevat de nodige achtergrondinformatie en dat is voor het volgen van het verloop van de geschiedenis prettig. Zo is er een landkaart ten tijde van de Engelse bezetting van Noord Frankrijk, een lijst van hoofdpersonen rondom het proces, waarvan het is aan te raden is, deze eerst te lezen. De officiële ten laste legging en de vele vragen aan en antwoorden aan en van Jeanne zelf.

Uit het boek komt een schets naar voren van een onverschrokken, psychotische jonge vrouw, die in mannenkleren (destijds zeer ongepast!) tegen de Engelsen ten strijde trekt. Met een godsdienstwaanzinnig vertrouwen in haar religie. Ze heeft aanvankelijk militaire successen geboekt. Maar haar opmars staakte met haar gevangenneming voor de muren van Compiègne op 23 mei 1430. Uit haar officiële ondervraging blijkt hoe angstig en gebiologeerd haar aanklagers waren omdat Jeanne claimde stemmen van heiligen en engelen te horen. De Franse inquisitie veroordeelde haar uiteindelijk tot de brandstapel. Het tragische procesverslag is minitieus vastgelegd om een eerlijk proces te veinzen, omdat zij immens populair was aan diverse Europese hoven in de Middeleeuwen. Een bijzonder boek over een ongelofelijk sterke vrouw in een bijzondere tijd. Een moeilijk leesbaar boek door de vele voetnoten en hoofdpersonen, maar een aanrader voor de liefhebber, die het in een ruk zal uitlezen.

Welkom bij Clubs!

Kijk gerust verder op deze club en doe mee.

Wat is dit?


Of maak zelf een Clubs account aan:


Aanbevelingen door leden:

bernard-de-clairvaux starstarstarstarstar

Een geweldige community over de middeleeuwen in al haar facetten. Boeken, tentoonstellingen, steden en discussies met diepgang en humor. Een Vlaams-Nederlandse samenwerking van historisch niveau!