233 keer bekeken

Jan van Eyck is overal...

  • vrijdag 21 februari 2020 @ 21:01
    #33
    reactie op (#32) Calamandja

    Super, dank!

  • vrijdag 21 februari 2020 @ 18:53
    #32
    reactie op (#30) bernard-de-clairvaux

    Van die lezingen in Gent heb ik jammergenoeg geen handout gekregen, en de lezingen waren nogal technisch en beparkt tot het Lam Gods, een chemicus, een projectleider, dan over de nieuwe bezhuizing in de tokomst en een childer die Van Eyck trachtte te reproduceren volgens de technisken van die tijd. Ik heb het volgende technische aspecten genoteerd:

    Optische revolutie bestaat uit:

    • Glaceertechniek: verfijning van de techniek van de olieverf, via het fijner maken van de ingrediënten en het gebruik van toevoegingen werd de verf lichter en werkbaarderder en kon hij snel vele zeer fijne lagen boven elkaar schilderen wegens de snelle droogtijd
    • Observatie-empirisme, hij was iemand met veel talent die keek naar de werkelijkheid en had een ongelofelijke hand-oog combinatie, met scherpe details als gevolg.
    • Theoretische kennis van Optica: van Eyck was een geleerd kunstenaar die in kringen vertoefde van wetenschappers, hij was op de hoogte van tractaten over optica, een geleerdheid die ook in andere elementen van zijn werk voorkomt, zoals het verbinden van het oude testament met het nieuwe testament. Hij kijkt ook naar andere antieke verhalen en kunstenaars. Hij is al bezig met de oudheid zoals die later in de renaissance naar boven zal komen. 

    Als we Jan van Eyck plaatsen tegenover zijn voorgangers, dan zien we dat hij met alles experimenteert en er in slaagt om de realiteit nauwkeurig na te bootsen. Vergelijk met Jan Maelwael, de bewening van 1400 toont veel valere kleuren. Idem voor Melchior Broederlam met de Annunciatie, die ook bij de Bourgondiërs was tewerkgesteld, met weinig diepte, het is veel vlakker, wat bij van Eyck wel het geval is, je hebt de indruk dat je in het paneel kan binnenstappen. Ook het textiel is beter gedrapeerd geschilderd, hij ontwikkelt zich anders in dezelfde omgeving van het Bourgondisch hof. 

    Dat is wel technisch kort, maar exacte wetenschap is niet mijn ding... Maar Lisa Demets leerde ons dat een Van Eyck niet zomaar uit de lucht komt vallen. Zij gaf in haar cursus zeven redenen aan waarom iemand zoals Jan van Eyck in Brugge tot ontplooing kon komen. Hij heeft wel het Lam Gods afgewerkt iin Gent, in het atelier van zijn broer Hubert, maar hij heeft het niet overgenomen en heeft een eigen atelier opgericht in Brugge, in de Dageraadstraat, niet ver vandaan van waar nu zijn standbeeld staat. Hier een uittreksel uit mijn notities:

    Welke aspecten vielen samen in Brugge die ervoor zorgden dat hij een publiek heeft dat veel geld wil geven voor zijn schilderijen, we zullen aantonen dat die netwerken in Brugge allemaal samenkomen tot een zeeer creatieve omgeving.

    1. Hof, ambtenaren en adel
    2. Religieuze netwerken
    3. Steden
    4. Poorters en patriciërs
    5. Textiel en luxeproducten
    6. Buitenlandse kooplieden
    7. Vrouwen

    1. Het Bourgondisch hof

    • Een reizend hof

    Het was een reizend hof: middeleeuwse hoven zijn reizende hoven, die blijven niet op een  vaste plaats. De hertog of de graaf reist.
    De eerste Eerste hertogen zaten vaak in Parijs, Dijon, Hesdin (Artesië). Punt van discussie of uitzondering was: Filips van Charolais in Gent (1405-1419) "pour contenter son peuple par corporelle vue". 
    Als een hertog naar een stad kwam dan deed dat iets met een stad: de herbergen zitten vol met de hofhouding, er worden feesten georganiseerd en er wordenzaken bijgebouwd. Als een hertog een tijd niet was geweest, dan valt dat ook op, de inwoners merken dat wel. Men had graag dat er toch iemand van het grafelijk hof in de omgeving bleef. Filips verblijft veel in het prinsenhof van Gent, voor 15 jaar.

    Later is er een verschuiving naar het Noorden met Filips de Goede met verbouwingen en uitbreidingen van prinsenhoven in Gent en Brugge, tot kastelen of lusthoven met op het einde het Filips de Goede kasteel op de Koudenberg, Brussel werd zijn favoriete verblijfplaats.

    Er was niet overal een residentie, de verblijven zijn het liefst in de stad. Zo interageren ze met dat stedelijk netwerk. Daar wonen ook de belangrijkste mensen. Maar niet elke stad had een belangrijke residentie. Bijvoorbeeld Mechelen, daar hebben de Bourgondische hertogen zelf een residentie gebouwd. Wat uitzonderlijk is, daar huurden ze een herberg die dan werd verbouwd, zodat een groot deel van de hofhouding kon verblijven. En herbergiers waren de belangrijkste patriciërs van de stad. 

    • Hofhouding en ambtenarenkorps

    - Valet de chambre was een eretitel, een ceremoniële titel, die aanduidde dat de persoon dicht bij de hertog vertoefde.
    - Mode en trends: iedereen heeft een eigen kleurcodering, Filips de Goede loopt in het zwart, en de hofhouding dient hem na te volgen en zo loopt de hele hofhouding in het zwart. Ook het kapsel.wordt nagebootst, zie kapsel van kanselier Rolin.

    - Kanselier is de belangrijkste raadgever van de hertog, een soort eerste minister. 
    Kanselier van Vlaanderen, dit begrip of die functie bestond reeds in Vlaanderen, dat was iemand die aan het hoofd stond van de kanselarij. 
    Kanseliers:
    - Jean Canard (1350-1407) •
    - Nicolas Rolin (1376-1462)
    - Guillaume Hugonet (?-1477)

    Talentvolle nouveaux riches, zoals Pieter Bladelin die een zeer talentvolle boekhouder was, en zeer rijk wordt en een eigen stad opricht, Middelburg in Vlaanderen. Bladelin laat in Brugge het Bladelinhof bouwen. De hertog heeft oog voor talent en afkomst is niet belangrijk, dat niet van adel is, en die zo kunnen opklimmen in het hof.

    • Hofcultuur en legitimering: historiografen

    De hertog gaat de geschiedenis herschrijven, in functie van de Bourgondische hertogen om ze zo te legitimeren. Volgende historiografen werkten voor hem:

    • Edmond de Dynter (1370- 1449)
    • Jean Wauquelin (1400-1452)
    • Georges Chastellain (1405/1415-1475)
    • Olivier de La Marche (1426- 1502)
    • Jean Molinet (1435-1507)
    • De adel en de ridderorde van het Gulden Vlies

    Opgericht op 10 januari 1430 te Brugge.
    Banket van de Fazant in Rijsel op zondag 17 februari 1454, moment van de val van Constantinopel, en de vraag van de paus voor een nieuwe kruistocht en Filips laat de edelen zweren om aan een kruistocht mee te doen. Het opzet is om de edellieden samen te krijgen en de blikken in dezelfde richting te richten en niets makkelijker om de blik te richten op een zelfde vijand, de Ottomanen. 
    Filips de Goede probeert een balans te krijgen tussen de edellieden van de verschillende regio's. Heel wat Vlamingen maken carrière wegens hun tweetaligheid. Karel de Stoute houdt minder die balans in evenwicht en haalt er heel wat Bourgondiërs bij. 

    • Lodewijk van Gruuthuse (1422-1492)

    De belangrijkste vertegenwoordiger is Lodewijk van Gruuthuse (1422-1492). Hij zit tussen twee niveaus, hij was een rijke edelman maar stond in goed contact met de poorters.

    2. Religieuze netwerken

    Heel wat panelen van Jan van Eyck zijn religieus. Kanunnik van der Paele, is een voorbeeld van religieuzen die heel wat geld hebben om een werk te kunnen betalen.
    - Seculiere clerici: zijn verbonden aan kapittels van kerken en die geen strikte regels dienen te volgen
    - Reguliere clerici: dienen wel strikte regels te volgen.

    Kanunnik van der Paele was kanunnik van de Sint-Donaaskerk die vrij kon naar buiten treden en zich mengen met de politiiek. De Sint-Donaaskerk is de belangrijkste kerk van Vlaanderen en daar resideert ook de kanselarij van Vlaanderen.

    Jan Vos is een reguliere clericus, kathuizer, zoals kartuizerklooster Champmol, en is ook zeer rijk. Heel wat leden van de familie Adornes treden op het einde van hun leven nog in een strenge orde met als gevolg een grote rijkdom voor die orde.
    De Madonna, schilderij van Jan Vos, is al wat vlakker qua gezichten, op het einde van zijn leven. Jan Vos wilde zijn schilderij meenemen naar Utrecht wat niet mocht wegens de grote toeloop naar het schilderij, maar hij maakte een tweede schilderij door Petrus Christus dat dan blijft in Brugge.

    • Zielenheil en memorie

    Waarom spendeert men zoveel geld aan zo een schilderij, zoals de belangrijkste familie van Gent de familie Borluut en Joos Vijdt. Men doet dat opdat mensen zouden bidden voor het zieleheil van de overledenen.

    • Religieuze broederschappen

    Het betreft leken die zich samen organiseren in een broederschap rond een kerk meestal gelinkt aan een of andere hoedanigheid van Maria, de bemiddelaarster tussen de mens en God. Er zijn vele soorten broederschappen. De bedoeling was het zieleheil te optimaliseren.

    - Elitair: Onze Lieve Vrouw van de Drogen Boom  met duur lidgeld om lid te mogen worden
    - Toegankelijk: Onze Lieve Vrouw van de Sneeuw, waarbij armen werden vrijgesteld van lidgeld
    - Na conflict: • Onze Lieve Vrouw van de Thuyne (Ieper)  en Onze Lieve Vrouw van Rozebeke (Brugge), eerder voor rijke politici
    - Voor pelgrims: Onze Lieve Vrouw van HulsterloLekendevotie Mariacultus

    3. De stad als ruimte

    Op de website van KIK kan je in detail de stedelijke achtergrond van het Lam Gods bekijken. Dit zou een afbeelding van Gent zijn, maar dat is geen realistisch stadszicht. De navolgers van Jan van Eyck zullen wel meer realistische stadszichten schilderen.
    De kamer van de annunciatie, op de panelen aan de buitenkant, dacht men het atelier van Hubert van Eyck te herkennen. De Walpoortstraat met de verdwenen walpoort, en de vogelmarkt, hoewel dat die laatste nog niet bestond. Dus ook Hubert speelde met de realiteit. Het is geen exacte weergave van een specifieke straat doch aldus is de stad aanwezig op deze schilderij.
    In het schilderij van de heilige Barbara met haar toren als attribuut, met achter haar de kerktoren waaraan nog gebouwd wordt, zie je Van Eyck spelen met de diverse mensen, die als gemeenschap werken aan die stedelijke ruimte, later werd dat nagevolgd bij bijvoorbeeld de toren van Babel. 
    De oorspronkelijk beelden van het Brugse stadhuis waren polychroom beschilderd, waarvan twee door Jan van Eyck werden beschilderd.  Hij deed dus ook meer eenvoudige opdrachten.

    • Grafelijk en stedelijk machtsvertoon in de stad.

    Er was een grote concurrentie tussen machtscentra: het grafelijk centrum met het oude kasteel versus het stadhuis dat het grafelijke gezag vertegenwoordigt en de Sint-Donaaskerk met de kanselarij van Vlaanderen, en met het typische Vlaamse belfort als symbool van de stedelijke privilegies, een relatie dus van graaf versus het groeiende zelfbewustzijn van de burgers.

    De stedelijke elites gaan torens bouwen die wedijveren met de torens van het kerkelijk bestuur. In Brabant vind je dergelijke torens niet. Die torens vind je terug op het schilderij van Maria in de rozentuin van de Meester van de heilige Lucia. De maagd zweeft precies voor het Brugse stadszicht. Sint Nicolaas van dezelfde meester heeft ook dat Brugse stadszicht.

    4. Inwoners van de stad: poorters en partticiers

    - De stad is een sociale ruimte, met mensen die samenkomen op vrijgekomen gronden
    - Een jaar en één dag inwonen in de stad is een voorwaarde om na die periode als poorter van de stadsrechten te mogen genieten.
    - Poorters en poorters: het idee begint heel mooi, zonder ook maar een cent te betalen kon je principieel van de vrijheid genieten, doch het poorterschap of het recht op stadsrechten diende gekocht te worden en iemand anders diende borg te staan. Je hebt echte poorters die van de stad afkomstig waren, de oude elites en je had de ingekochte poorters. De patriciërs onderscheiden zich van de gewone poorters.
    - Economische migranten. De stad had geen normale aangroei, er waren te hoge sterftecijfers. De stad was afhankelijk van die economische migranten zoals ambachtslui of intelligente mensen, of andere; ook Jan van Eyck was een economische emigrant, maar hij diende het poorterschap niet te betalen. In de eerste helft van de vijftiende eeuw heb je een boom van nieuwe inwoners.

    • Het stadsbestuur

    In Gent wonen vanaf 1302 "erfachtige" lieden, dat zijn de oorspronkelijke bewoners van de stad zoals bijvoorbeeld de Borluuts.
    Brugge daarentegen is een stad van kooplieden, met reeds in 1302 een Vlaamse Hanze in Londen, tegenover Gent die een productiestad was van wevers.
    Een nieuwe elite, de ambachtselite, eist vanaf 1302 zeggenschap op in het bestuur. Het hele systeem wordt overeen gegooid. Er komt een nieuw systeem met een schepenbank en raad in Brugge, en in Gent komen er schepenen "van de Keure en van de Ghedele", waarin de elite, de ambachtsmeesters, zeggenschap opeisen en dat afsluiten voor anderen.
    Commissarissen in Brugge, aángeduid door de Graaf, stellen de Schepenbank en de raad samen. 
    Er is een sleutel die de plaatsen verdeelt tussen de ambachten maar het blijft wel een gesloten systeem van patriciers en die worden zo rijk dat ze zonder probleem kunst kunnen kopen van van Eyck. 
    In Gent had je ook twee soorten kiezers: Herekiezers vanuit de graaf en stedekiezers vanwege de stadselite. 

    • De poortersloge in Brugge

    Symbool van de rijke elite, die haar eigen gebouw heeft.

    • Het toernooigezelschap van de Witte Beer,

    in Brugge worden grote toernooien georganiseerd door de burgers. In de vijftiende eeuw zien we een cultuur van de elite die zich adelijk wilt voordoen en tonen dat ze veel geld hebben. Van belang is wie kan echt doen alsof hij van adel is, ze bootsen de adelijke levensstijl na, door een wapen te creëren en aan toernooien mee te doen. Zie Livre des tournois,van René d'Anjou door Barthélemy van Eyck. Ook Lodewijk van Gruuthuse heeft zo een Livre de Tournois (met de wapens van Breydel) 

    • Gruuthuse handschrift

    Dit handschrift is in de context van de Witte Beer ontstaan. Gedichten en liederen werden op feesten luidop gezongen. Er is een boom van de literaire cultuur van de stedelijke elite in Brugge.

    • Rederijkers

    - Jan van Hulst (1350-1433) heeft heel wat gedichten geschreven die opgenomen zijn in het Gruuthuse handschrift, hij is ook mede-oprichter van de rederijkerskamer van de Heilige Geest, de oudste rederijkerskamer van Brugge in 1428 met een grote doorbraak in 1440.
    - Organisatie van Blijde intredes en tableaux vivants (stilstaand toneel), daarin zitten verborgen politieke boodschappen waarin ze de hertog wat tips geven voor verandering. De rederijkers brengen de stadsideologie naar voor, ze kunnen goed schrijven en voeren zo de propoganda van de geidealiseerde stedelijke ideologie. 

    • Stedelijke ideologie en kronieken

    Ze gaan de geschiedenis van Vlaanderen herschrijven waarin ze in dialoog gaan met de vorst. Niettegenstaande de rijke steden hebben we niet veel geschriften over die steden. 

    • Opstand en verzet

    Filips de Stoute en Margaretha van Male erven het graafschap Vlaanderen in oorlog
    Er is veel meer aan de hand dan de klassieke prins versus stad/onderdaan tegenstelling. 
    Fenomeen van politieke, sociale en economische facties: je ziet altijd dezelfde families die verloren eigendommen en goden willen terugwinnen, en strijden van vader op zoon, en ook huwen met elkaar 

    • Opstanden in het graafschap Vlaanderen onder Bourgondisch bewind

    - Gentse oorlog (1379-1385), onder leiding van Jan Hyoens, Frans Ackerman en Filips van Artevelde
    - Na dood Filips de Stoute in 1404 en na dood Margareta van Male in 1405
    - Brugse opstand tegen Jan zonder Vrees (1407-1413)
    - Opstand volders in Gent (1432-1435)
    - Brugse opstand tegen Filips de Goede (1436-38) -
    - Gentse opstand (1449-53)
    - Gentse opstand na intrede Karel de Stoute (1467-1468)
    - Oproer in Vlaanderen, Brabant, Henegouwen en Holland in 1477
    - ‘Vlaamse opstand’ in 1482-1490/2

    • Blijde intrede Filips de Goede in Gent op 13 april 1458

    Er wordt door beiden, stad en graaf, geprobeerd de banden weer aan te halen, en het Lam Gods wordt nagespeeld door de Gentenaars, ze zijn er toen al fier op. 

    5. Textiel en luxenijverheid

    Het "Vlaams laken" is in die tijd een luxelaken
    De macht berust bij de lakenambachten in de Vlaamse steden, vooral in Gent waar de wevers en de handelaars in laken de macht hebben.
    Andere specialiteiten: bijvoorbeeld grauwwerkers en eekhoornbont (Bontverwerkers)

    • Ambachten

    Er is een tegenstelling van stad versus platteland, het ambachtelijke is iets typisch voor de stad. De kwaliteit van het laken was buiten de stad, in het Brugse vrije, van lagere kwaliteit.
    Beroepsorganisaties organiseren het werk met een duidelijke hiërarchie van dekens, meesters, gezellen, knechten en leerlingen
    Monopolisering van families: de gelden zijn zo hoog voor de promoties op de sociale ladder dat de macht in handen blijft van enkele families. Vrouwen worden ook uitgesloten, zeker uit de besturen. 
    De organisatie van de arbeid in de stad heeft als doel kwaliteitscontrole op de productie van het Vlaamse laken (want het Vlaams laken is een merk, dat dus moet goed zijn en blijven). Het ambacht heeft ook een caritatieve, sociale, culturele en religieuze functie ('sociale zekerheid'): als je lid bent van een ambacht wordt er na je dood voor je weduwe en je wezen gezorgd.

    • Luxeproducten

    in Brugge krijg je een markt aan luxeproducten, zie schilderij van Petrus Christus, Een goudsmid in zijn winkel (1449)

    6. Buitenlandse kooplieden

    De schepen kwamen via het Zwin, en de voorhavens Damme en Sluis binnen in Brugge. Zie bijvoorbeeld de Spaanse majolicategeltjes uit Spanje die we zien op de vloer in het Lam Gods. Als we kijken naar Jan van Eyck zelf dan zien we dat hij heel wat heeft gereisd. En dat kan enkel via schepen van kooplieden. 

    • Brugge als commercieel handelscentrum 

    Brugge is een handelsstad, Een stad van ‘makelaars’ en ‘hostelliers’: Brugge is een stad van makelaars, de kooplieden overnachten bij herbergiers, en die herbergiers beginnen de rol van makelaar te spelen, ze brengen de juiste mensen bij de juiste mensen, kooplieden worden zo in contact gebracht met ambachten. 
    Spelers zijn:
    - de Hanze die een kantoor had 
    - de Italiaanse kooplieden en bankiers die geld voorschieten (Venetianen, Genuezen, Luccezen ...) met ontstaan van de beurs in Brugge dicht bij de Italiaanse kooplieden. 
    - Spaanse kooplieden (zie majolicategels) en
    - Portugese kooplieden.

    Zie kaart: Kasteel bij Sluis, gebouwd door Jan zonder Vrees om de Engelsen tegen te houden en zo wordt hij enorm gehaat, want zo kunnen de kooplieden ook niet door. Als het onrustig wordt dan dreigen de Hanzes van weg te trekken naar andere oorden.

    • Dino Rapondi (1350-1416)

    Hij opende de weg voor de latere bankiersfamilies Arnolfini en Portinari (vertegenwoordiger van de Medici) en na gevlucht te zijn uit Lucca, en na Parijs, Montpellier, Avignon (waar hij geldschieter wordt van de paus) beslist hij om zijn hoofdkantoor in Brugge te vestigen en wordt zo de belangrijkste geldschieter van Jan zonder Vrees en Filips de Schone. Hij was zeer gehaat in Brugge want ze hadden veel schulden bij hem met hoge interesten. Rond 1470 verdwijnen de Rapondis uit Brugge en keren terug naar Lucca, ze trouwen geen Vlaamse vrouw, de Luccezen doen dat niet, ook niet Arnolfini.

    Zie Italiaanse versie van de Excellente Cronike van Vlaenderen met de oudste kaart van Vlaanderen 1452. Dit is de oudste kaart van Vlaanderen, in het Italiaans! In een handschrift waarin hij zeer negatief is voor Bruggelingen en Brugge, "de stad waar je sterft". 

    • De familie Adornes

    in tegenstelling tot de Luccezen vervlaamst de Italiaanse familie Adornes volledig
    Oorspronkelijk afkomstig van Genua, vestigt hij zich in Brugge in de tweede helft van de 13de eeuw.
    Één van de belangrijkste politieke families in de 15de eeuw, worden een echte Brugse politieke familie. 
    Belangrijkste figuur is Anselm Adornes (1424-1483) die begraven ligt in de Brugse Jeruzalemkapel. Ze gaan regelmatig op bedevaart naar de heilige grafzerk in Jeruzalem en maken in de Jeruzalemkerk in Brugge een soort kopie. Ze laten een boekje schrijven dat een praktische gids is voor de jeruzalembedevaarder met de beste herbergen onderweg, en praktische zalfjes, enzovoort. Wegens corruptie vertrekt hij naar Schotland en zal er daar sterven.

    7. Vrouwen in de laat-middeleeuwse samenleving

    Jan van Eyck heeft heel wat vrouwen geschilderd, zoals het verloren werkje van de badende vrouw en de vrouw van Arnolfini, en de vele Madonna's. De bewegingsvrijheid van de vrouwen in de late middeleeuwen stellen we vast via een tekst van een Italiaanse koopman, Lodovica Guicciardini.

    • De verbazing van een Italiaanse koopman

    Lodovico Guicciardini, Descrittione di tutti i Paesi Bassi, altrimenti detti Germania inferior (Antwerp: Willem Silvius, 1567), pp. 30-31:
    ‘Sono veramente sobrie & poi molto attiue, trattando non solo le cose familiari, delle quali gli huomini poco s’impacciano, ma si mescolano ancora di comprare & vendere mercantile, & beni, & di por’ mano, & bocca in tutti gli altri affari virili.’
    Vertaling: ‘De Vrouwen van desen lande [...] zijn seer sober, besich ende altijdt wat doende, beschickende niet alleenlijck huyswerck ende huyshoudinghe, daer de mans hen luttel niet becommeren: maer ondervinden haer oock met coopmanschap, int' coopen ende vercoopen, ende zijn neerstich in de weere met hant ende tonghe in hanteringhen die den mans eyghentlijck aengaen, met alsulcke behendicheyt ende vlyticheydt, dat te veel plaetsen, de mans den vrouwen alle dinghen laten beschicken.’

    In Vlaanderen is de positie van de vrouw volledig anders dan in het zuiden van Europa.

    • Factoren:

    - erfrecht: in Vlaanderen gold het Gewoonterecht, versus het Romeins recht in Italië, waarbij stadsvrouwen op gelijke voet stonden qua erfenis. In Italië bleef het Romeinse recht gelden waarbij de vrouw niet kon erven. Als er een ambacht of grote erfenis meespeelt dan kan er wel een voogd benoemd worden als haar man overlijdt. Alle ambachtsmeesters waren immers vrouwen. Andere ambachtsmeesters oefenden invloed op de vrouw opdat ze snel zou trouwen met een ambachtsman. Veel vrouwen voerden de boekhouding en beheerden de financiën terwijl de man nog leefde, en dus bij zijn overlijden konden ze de zaak gemakkelijk overnemen.

    - Gezinsstructuur: in Vlaanderen had je kleine kerngezinen met man/vrouw en gemiddeld 2 à 4 kinderen; de stadsvrouw trouwde zeer laat, rond 25 jaar. Italiaanse gezinnen waren zeer groot waarbij de man het gezin vertegenwoordigende. In Vlaanderen woonde men echt samen met het kerngezin, waardoor er meer bewegingsvrijheid was. 

    - De maatschappij is zeer commercieel economisch ingesteld, het kan niet zijn dat de vrouwen niet meedraaien. Zie bij drukker Plantyn waarbij je ziet dat de vrouw de boekhouding voert. Zie de schilderijen zoals dat met de goudweger van Quiten Metsys waarbinnen vrouw de boekhouding doet. En dat kon omdat zowel vrouwen als mannen onderwijs genoten. Zowel meisjes als jongens konden een soort basisonderwijs genieten aan kapittelscholen. Ze konnen lezen, schrijven en een beetje rekenen. De vrouwen waren als gevolg zeer aanwezig. Zie Marinus Claeszoon van Reymerswa(e)le, de geldwisselaar en zijn vrouw (1539)

    • Kunstenaressen

    De schildersambachten waren een gesloten mannelijke wereld, met 1 uitzondering van een jonge weduwe Agnes van den Bossche, en is gekend voor allerlei opdrachten die ze uitvoert voor het Gentse stadsbestuur. Ze schilderde een hele boel vaandels voor de blije intrede van Maria van Bourgondie in Gent. Vrouwen konden dus als alleenstaande in dat ambacht een positie verwerven. Nog heel wat werken of miniaturen dienen nog te worden onderzocht of ze niet aan vrouwen dienen te worden toegeschreven.

    Conclusie: Jan van Eyck kon maar excelleren in een samenleving die daar klaar voor was. 

     

    Gewijzigd op 2020-02-21 18:55:34
  • vrijdag 21 februari 2020 @ 16:55
    #31
    reactie op (#28) bernard-de-clairvaux

    Je kan alles goed zien, niettegenstaande de drukte. Soms moet je wel de volgorde niet volgen, je kan immers moeilijk met drie koppen tegelijkertijd boven een half open miniaturenboek hangen (uit de Brusselse KB notabene). En ja inderdaad Emile Claus, daar hadden we schilderijen van in de collectie van de bank, dus die heb ik regelmatig kunnen bewonderen (op de etage van de directie natuurlijk...), althans 1 schilderij van hem De communicanten, en ja hij speelt er ok met licht zoals Van Eyck: ‘De communicanten’ is één van Claus’ eerste luministische werken. Het luminisme is een enigszins fotografische stijl, met figuren van wie het silhouet als het ware in licht gehuld is en met een heerlijk zonnige natuurweergave in kleine, nerveuze toetsen van naast elkaar aangebrachte kleuren. Claus’ petekind Eva in haar witte communiejurk belichaamt de zuiverheid en de kinderlijke onschuld. Toch heeft zij ook iets ernstigs over zich. Zij is zich immers bewust van het belang van deze communiedag. Het opvallende contrast van zonlicht en schaduw in dit schilderij is een voorafbeelding van het volwassen leven van deze dorpskinderen, wanneer ook zorgen en werken een deel van hun bestaan worden. Het luminisme van Emile Claus kenmerkt zich door een idyllische visie op de natuur en de buitenmens. Zijn taferelen baden in stralend zonlicht, maar blijven realistisch.

     

  • vrijdag 21 februari 2020 @ 16:44
    #30
    reactie op (#29) bernard-de-clairvaux

    Maar hoe kan die optische revolutie nu (ineens) ontstaan. Komt het door (vraagteken):

    - verfijning van olieverftechniek

    - toenemende welvaart bij hof en burgerij dus meer opdrachten én meer specialisatie bij kunstenaars

    - meer kunst voor privégebruik, dus letterlijk dichter op de opdrachtgever en toeschouwer waardoor details belangrijker werden

    - religie: de schepping doorgronden begint met alles kunnen zien en daarover verwonderd zijn

    Heb je meer gehoord bij de colleges? Die glazen staf die je laat zien, is letterlijk een eye-opener voor mij. Natuurlijk wéét je dat je niet naar glas kijkt, maar pas in het detail zie je dat het wit (en afwezigheid van wit) het glas suggereert.

  • vrijdag 21 februari 2020 @ 16:37
    #29
    reactie op (#28) bernard-de-clairvaux

    En beterschap! In NL heerst het ook, vooral vervelende kuchjes

  • vrijdag 21 februari 2020 @ 16:35
    #28
    reactie op (#26) Calamandja

    Dank voor je verslag! Ik ga op 30 maart en eerder die dag wil ik naar STAM. Ik zal zeker optijd binnenlopen in MSK om ook de eigen collectie (weer) te zien. Ik heb echt een zwak voor die impressionisten als Emile Claus, mistflarden over de Leie. Dat soort mystiek. Je hebt het niet vermeld, dus ik ga er vanuit dat je ondanks de drukte het werk goed genoeg kan zien?

    Ik zag de docu ook op Canvas. Goed maar jammer dat het 3x een half uur is. In NL kun je geen Vrt online terugkijken, dus je moet plannen.

  • vrijdag 21 februari 2020 @ 16:31
    #27
    reactie op (#26) Calamandja

    Hier een detail dat je onmogelijk kan zien op de tentoonstelling, tenzij j eeen verrekijker meehebt... bekijk de speling van het licht doorheen de glazen staf van op de binnenkant van de hand van engel Gabriel. Daar ik dit wist, heb ik over de reling die je op afstand houdt gelegen maar niets van te merken. Pas op, de bewakers in de zal zijn zeer alert als je te dicht een schilderij benadert die niet beschermd is door een glazen voorpaneel. Dus over een reling liggen hoort er niet bij...

     

  • vrijdag 21 februari 2020 @ 16:04
    #26
    reactie op (#25) bernard-de-clairvaux

    Het loopt hier wel lekker, hoewel een hoest mij soms uit de slaap houdt. Ik was de dag van bezoek zelf driekwartier te vroeg, en gelukkig maar want 's morgens is er een drukte van de lange rij die naar beneden naar de vestiaire dient te gaan, want jassen worden niet toegelaten, en paraplus ook niet. Ik had er een ganse dag lezingen door de restaurateurs van het Lam Gods, zoals je ze nu in de TV-reeks Het Lam Gods kunt zien. 

    Het is interessant om wat vroeger aanwezig te zijn, want met je Van Eyck-ticket mag je ook de permanente collectie zien en die was groter dan ik dacht, en daar zitten ook middeleeuws werken tussen, zelfs twee werken van Bosch. (en met het Van Eyck ticket krijg je tot eind 2020 korting in andere Gentse musea zoals het nabije SMAK, STAM, Sint-Baafsabdij, Sint-Pietersabdij en andere meer moderne musea)

    De tentoonstelling zelf, daar is het in de eerste twee zalen wat druk omdat ze wat kleiner zijn dan de volgende zalen, en inderdaad na 10 zalen denk je ik heb het wel gehad, en dan pas komt in zaal 13 de portretten. Of beter gezegd de portretjes, want zijn werken zijn toch amper een hand groot, je hebt bijna een vergrootglas nodig om alle details te zien, en als gevolg van de restauratie van het Lam Gods hebben andere musea ook hun Van Eyckwerken gerestaureerd, en zo hangt de man met de blauwe kaproen er zeer fris bij.

    De lezingen gaven ons duidelijk aan dat we eigenlijk tot op heden Van Eyck niet hebben gezien, de talloze restauraties die in het verleden zijn gebeurd hebben niet enkel de beschadigde plekken hersteld, maar de betrokken personen en dieren volledig overschilderd. 

    De optische revolutie is mij wel veel uitgelegd geweest en ik vond alles wel mooi en ik was content dat ik de realiteit had gezien, maar je ziet die revolutie beter in de detail op internet. Je kan moeilijk op een klein schilderij de lichtspelingen zien met het blote oog. En toen gebeurde het, op zondagavond, bij de documentaire, zag ik plots het licht, ik zag die optische revolutie. Ik bedoel maar, je ziet het of je ziet het niet, en als je het eens gezien hebt dan is dat voor eeuwig. Je ziet het vooral op de gesloten panelen, bij de annunciatie.

    In de tentoonstelling zelf zie je vier losse panelen. En dan denk je vier schilderijen, we zullen ze eens in detail bekijken, vooral met de info die je via een headphone binnenkrijgt.

    Maar nee, dat is hem juist de fout, dat zijn geen vier geschilderde panelen, je kijkt binnen via vier ramen met of zonder glas in een huis, en je ziet de schaduwen van de raamlijsten op de vloer, en zo ontdek je de diepte, je kijkt van buiten als een voyeur naar iets dat plaatsgrijpt in een interieur waarbij de zon van rechts komt (het venster in de Vijdkapel was rechts bovenaan). De vloer gaat lichtjes naar omhoog voor een van Eyck perspectief, en dan kijk je verder doorheen het interieur naar buiten toe. Eens je die vier panelen zo bekijkt, als vier raamlijsten met daarachter een personen die aan het praten zijn, dan maak je kans dat je plots "het licht ziet", op die wijze ben ik bijna enthousiaster voor de buitenpanelen dan voor de binnenkant. En eigenlijk is dat normaal, want het schilderij was constant gesloten, tenslotte dienden de schenkers-financiers Joos Vijd en Elisabeth Borluut in het licht te staan, want voor hun zielenheil diende te worden gezorgd via gebed. (ik refereer naar mijn medievistenquote "Als we niet goed voor ogen houden hoe zeer de middeleeuwse mens door de redding van zijn ziel en de vrees voor de Hel in beslag werd genomen, is zijn mentaliteit niet te begrijpen... - Le Goff). De luiken gingen maar open op feestdagen, vandaar ook de stralende kleuren aan de binnenkant.

    Voor de rest, als je de details wilt zien ga je best naar de website Closer to van Eyck, en sorry voor mijn enthousiasme... en het middeleeuwse vuur wakkerde voor eeuwig aan met De Naam van de Roos staat op de clubhome en de neiuwe serie The Name of the Rose, was te zien op Canvas, en voor diegenen die ze gemist hebben kan je ze nog altijd bekijken op VRT.NU: https://www.vrt.be/vrtnu/a-z/the-name-of-the-rose/

    Sorry voor de late reactie.

    Gewijzigd op 2020-02-21 16:12:39
  • dinsdag 18 februari 2020 @ 21:51
    #25
    reactie op (#23) Calamandja

    Thuis meteen aan een infuus gelegd? Benieuwd naar je indrukken...

  • vrijdag 14 februari 2020 @ 23:44
    #24
    reactie op (#21) Calamandja

    En wat biedt Van Eyck voor onze boekenkast?

    De boekenoogst van het Van Eyckjaar biedt wat we mogen verwachten: ze zoomt in op de meesterlijke details van de fijnschilder. Zoals het nieuwe standaardwerken past, geven ze ook de jongste inzichten mee.
    Luc Tuymans roemt geregeld de ‘griezelige, ongeëvenaarde perfectie’ van zijn favoriete schilder. In 2016 schilderde hij, bij wijze van hommage, een blow-up van een reep goudbrokaat uit de bisschopsmantel op Madonna met kanunnik Joris Van Der Paele.
     
    David Hockney dook in 2002 in de geheime keuken van de oude meesters. Op zoek naar de camera obscura, de holle spiegels en lenzen die ze volgens hem stiekem inschakelden. ‘Ik kijk al heel mijn leven op naar de ­Arnolfini’s’, liet hij daarbij noteren. Het zijn weetjes die Van Eycks mythische status illustreren. Voor zijn tijdgenoten was hij al een fenomeen, vandaag vinden zijn vakbroeders hem ­allesbehalve gedemodeerd.
    Tuymans mag Jan die maelre ‘de allergrootste’ noemen in de recente heruitgave van Van Eyck in detail, een handige shortcut door het hele oeuvre.
     
    Maar in de nieuwe publicaties komen vooral de specialisten en de restaurateurs met hun stereomicroscopen aan het woord. Ze bestrijken een breed, interdisciplinair gamma. Hun artistieke appreciatie staat broederlijk naast de historische context, de haarscherpe ­bevindingen van de restauratie, de graad van wetenschappelijke kennis die we de gebroeders Hubert en Jan Van Eyck kunnen toedichten, of het filosofisch-religieus programma dat ze voor het Lam Gods in petto hadden.
     
    Uiteraard sneuvelen onderweg de misverstanden. Dat Jan Van Eyck een alleenstaand genie geweest zou zijn, de eerste individuele kunstenaar. Dat we hem als de uitvinder van de olieverf mogen beschouwen. Of dat zijn schilderijen aan het Bourgondisch hof als top of the bill golden – wandtapijten stonden in de vijftiende eeuw in hoger aanzien en daar begint ook de tentoonstelling in Gent mee.
     
    Hubert, Lubrecht, Ubrecht
     
    Veel van de nieuwe inzichten vloeien voort uit de restauratie en de digitale beeldverwerkingstechnieken die ermee gepaard gingen. Voor het eerst konden de precisie en detaillering tot op de pixel bestudeerd worden. Zo zijn de inscripties op het boek van de annunciatiescène uit het Lam Gods plots leesbaarder. En de ­analyse van de parels op het retabel brengt ook nieuws over de digitale handtekening: er kon geen spoor blootgelegd worden van twee verschillende schildershanden, waar de kunsthistorici al honderden jaren over bakkeleien.
     
    De mysterieuze en jonggestorven broer ­Hubert, die in de annalen ook opduikt als ­Lubrecht en Ubrecht en op een lijstinscriptie van het Lam Gods bejubeld wordt als de échte meester, bedacht wellicht alleen de ambitieuze lay-out van de taferelen. Vermoedelijk werden ze na zijn tijd voltooid in het atelier onder leiding van broer Jan, met de hulp van geperfectioneerde ambachtslui die in dezelfde meticuleuze stijl schilderden. Wat de macrofotografie en bijhorende software duidelijk maken: we weten nu stilaan dat we nooit exact zullen weten wie wát precies schilderde.
     
    In de tentoonstellingscatalogus verdedigt Maximiliaan Martens ook ‘de optische revolutie’, het uitgangspunt van de tentoonstelling. Jan Van Eyck was een ware lichtkunstenaar, die de materialiteit van de stoffen kon doen oplichten en als geen ander besefte dat licht, schaduw en weerspiegeling de dingen vormgeven. Hij zag er ook een hoger doel in. Met zijn technische ­vaardigheid en inzicht in de optica wilde Van Eyck recht doen aan Gods schepping, door haar zo volmaakt mogelijk op te roepen.
     
    Brugs netwerk
     
    In het aparte boekdeel over het Lam Gods, dat al vorig jaar verscheen, gaat veel aandacht naar het sociaal-economische klimaat en het statement dat de opdrachtgevers Joos Vijd en Elisabeth Borluut wilden maken. De onthulling van hun retabel vond in Gent plaats tijdens de doopplechtigheid van Josse van Bourgondië, de zoon en gedoodverfde opvolger van Filips De Goede. De opdrachtgevers etaleerden dus met de presentatie van het Lam Gods hun rijkdom en sociaal prestige.
     
    De catalogus, het dikste van de twee boeken, gaat dan weer in op de evocatie van het natuurschoon (op het Lam Gods vallen zeventig ­planten en bomen te determineren), op het gesofisticeerde gebruik van vloertegels en tapijten, op het huis en atelier dat Van Eyck betrok in Brugge en waarover nieuwe archiefdocumenten opdoken. We komen veel te weten over de plaats van de schilder in dat stedelijke Brugse netwerk, in een tijd van grote mobiliteit en ­economische welvaart.
    Wat je mist, is een heldere opsplitsing tussen tekst- en catalogusdeel. Na het tentoonstellingsbezoek nog even de geëxposeerde werken ­natrekken, blijkt niet zo makkelijk.
     
    Natuurlijk zijn de beide turven, die samen ­zeven kilo wegen, niet bedoeld om van kaft tot kaft uit te lezen. Het zijn kijk- en snuisterboeken. Hun close-ups doen het oog dwalen langs het raffinement, de finesse in de details en het gevoel voor texturen die Jan van Eycks ­waarmerk zouden worden.
    Je kan er niet onderuit: hij keek scherper dan zijn tijdgenoten. En van veel voorgangers uit de internationale gotiek, die een grote ­plompicheyt verweten werd.

    • Het Lam Gods. Hannibal, 368 blz, 59 euro
    • Van Eyck, een optische revolutie. Hannibal, 504 blz, 64,50 euro
    • Van Eyck in detail. Ludion, 256 blz, 34,90 euro. De ‘portable edition’ kost 14,90 euro

     

     
    Bron: GEERT VAN DER SPEETEN, De Standaard.