Kunst en cultuur van de middeleeuwen

- Welkom op deze club over de middeleeuwen -

ehrenritter.gifIn deze club volgen we het nieuws over de middeleeuwen en discuteren we er over op het forum of blog: nieuwe inzichten en analyses, boeken en internetberichten, tentoonstellingen, films en TV-series, strips, levende geschiedenis en re-enactment en last but not least, de reisverslagen van onze clubleden. Kortom elk evenement dat ook maar een link heeft met de middeleeuwen krijgt een plaats op deze club. Het kan dus ook een persoonlijke belevenis of ervaring zijn van een clublid of gast, daarvoor dient vooral het 'Forum'. Op de blogberichten kan je ook je reacties kwijt. Naast het vele nieuws heb je ook nog de talrijke videoclips die je vindt in 'Videoalbums' en enkele links. Kortom, ben je in geschiedenis geïnteresseerd en meer bepaald in de periode van de middeleuwen, maak je kosteloos lid en doe mee of geniet.

5_1.pngD
e naam van de club verwijst naar het boek De Kathedralenbouwers van de franse historicus G. Duby: de middeleeuwers waren immers bij uitstek kathedralenbouwers. Dit boek heeft mij begeesterd en het middeleeuwse vuur wakkerde voor eeuwig aan door "De naam van de Roos" van de erudiete Umberto Eco.

Je vindt "Kathedralenbouwers" ook op Scoop.it!.  Plaatjes over de middeleeuwen vind je op Pinterest - middeleeuwen.

De periode voor de middeleeuwen, namelijk de Prehistorie en de Oudheid, wordt behandeld in de club
"Van Prehistorie tot Middeleeuwen".

Ben je een toevallige gast?
Wordt gratis lid, of laat iets horen op het forum of mail de eigenaar van deze club op calamandja@yahoo.com.

eric-enide-e1391725330308.jpg

Reeds sedert 2008 organiseert de club Kathedralenbouwers jaarlijks een clubbijeenkomst. 
Na Utrecht (2008), Brugge (2009), Delft (2010), Zutphen (2011), Kortrijk (2012), Bergen op Zoom (2014), Mechelen (2015), Deventer (2017), Tongeren (2018) is de tiende clubdag in 2019 terug doorgegaan in Utrecht. Hieronder vind je het verslag van deze laatste clubdag, opgesteld door clublid Antonius.

Bouwers Utrecht 2019.

Voor de 10e Bouwersdag zijn de Bouwers op zaterdag 16 november 2019 terug in Utrecht voor de jaarlijkse Bouwersdag.  De dag van het 2e lustrum begint  om 10:00 uur aan de Korte Nieuwstraat bij De Rechtbank, in het hart van het Museumkwartier. Favoriet is 'TRIBES - A Coffee Prophecy' (goed straf spul). De Abt heeft parels van de stad op een rij gezet. De dag is ons goed gezind: windstil, droog en een temperatuur van 6 graden, dus een mooie november dag.

Baldakijn met Christus Pantocrator 1275-1299 

Van 11:00 tot 13:30 zijn we rondom het Catharijne Convent. In het Museum loopt voor 3 maanden de tentoonstelling North & South: altaarfronten uit de 12e t/m de 14e eeuw uit Noorwegen (Bergen, Trondheim, Oslo) en het Episcopal Museum Vic (Catalonië), met een hoofdrol voor het oudste houten beeld van het convent, de gouden Maaslandse Maria van rond 1240. De tentoonstelling gaat haar een plek geven in een altaarfront. De tentoonstelling geeft voorstellingen in heldere kleuren en donkere contouren die haast icoon-achtig aandoen.

Enkelen  bezochten  de schatkamer van het convent met daarin een gave ivoren Byzantijnse Maria-ikoon Hodegetria (Zij die de weg wijst), dat rondom 950 is gesneden in een keizerlijk aterlier in Constantinopel.

Tijdens de lunch in het convent-resto is het Noors Twaalf uurtje de voorkeur, maar niet elke Bouwer eet zijn groente-blaadjes op.

Er is nog ruim de tijd om de bisschoppelijke St. Catharinakathedraal in te kuieren; de orde van de karmelieten begonnen in 1468 met de bouw als onderdeel van hun klooster. Terecht is hier een nisje ingeruimd voor Johannus Kardinaal  De Jong die zijn stem in de donkere geschiedenis-jaren liet horen.

Rondom kwart over twee staan we op heilige grond: op het Pausdam voor het Paushuize hertelt Marjoke haar verhaal uit 2008 over Adrianus VI, de enige Nederlandse paus ooit.

Romaans reliëf Pieterskerk Utrecht

Het hoogtepunt van de dag is de Pieterskerk, gebouwd in de jaren 1040-1048, met op het koorverhoog 4 romaanse zandstenen–reliëfs van rond 1070: een ingetogen ruimte,  mede doordat zij - al sinds 1656 - bij de Waalse Gemeente Utrecht in gebruik is.

Rondom Drie-uur  trekken we via de binnenhof de gotische Domkerk in. We verwijlen bij de graftombe van bisschop Gwijde van Avesnes, omdat we de lessen van Sanne Frequin kennen en weten dat je nooit zomaar langs een graftombe moet lopen.

 Aan de Oudegracht in stadskasteel Oudaen is het te doen om de Oudaen Pilsener en Dubbel (aan 7%).

We gaan terug naar de Korte Nieuwstraat waar op de fundamenten van de Paulusabdij, gebouwd door de benedictijner monniken  in de 11e eeuw, nu het Utrechts Archief zijn onderkomen heeft. Met in de hoofdrollen schrijfster Belle van Zuylen (ook prominent aanwezig in Musee Antoine Lecuyer in Saint Quentin) en Anna Maria van Schurman, de eerste vrouw in Europa met een academische opleiding, toont een heel  inspirerende film de geheimen van het Depot. We gaan op zoek naar het Scharnier van de hoofdpoort van het middeleeuwse kasteel Vredenburg en hebben zo de deuropening naar 2008 weer te pakken.

We gaan aan tafel aan het Domplein bij restaurant LOOF. Ieder kiest zijn gerecht. Bij de afsluiting heeft Revolution Tea de meeste gebruikers.

Rond Achten schudden we de handen op de hoek van de  Catharijnesingel / ingang Hoog Catharijne.  De auto of de trein brengt ieder weer zijns weegs. Top voor het program van deze bizondere editie van de Bouwersdag. We maken ons op voor de elfde editie.

art_border_motif_01.jpgart_border_motif_01.jpgart_border_motif_01.jpg

Foto van de clubleden op de negende clubdag in Tongeren (2018):

Foto van de clubleden op de achtste clubdag in Deventer (2017):

Foto van de clubleden op de zevende clubdag in Mechelen (2015):

Foto van de clubleden op de zesde clubdag in Bergen op Zoom (2014):

Foto van de clubleden op de vijfde clubbijeenkomst in Kortrijk (2012):

IMG_0001.JPG

Foto van de clubleden op de vierde clubbijeenkomst in Zutphen (2011):

club2.jpg

Foto van de clubleden op de derde clubbijeenkomst in Delft (2010):

Clubleden Kathedralenbouwers in Delft

Foto van de aanwezige clubleden op de tweede clubbijeenkomst van de Kathedralenbouwers te Brugge op 18 april 2009.

cluppersbrugge(1).jpg

art_border_motif_01.jpgart_border_motif_01.jpgart_border_motif_01.jpg

documents.gif 46a0f6cd59ecc242f3e84fbf00fabaa2.jpg

Free counters!

In haar proefschrift beschrijft historica Fabiola van Dam het middeleeuwse openbare badhuis in al zijn facetten. Het is geen makkelijk boek geworden maar gaandeweg wint dit betoog – dat af en toe toch wel tamelijk theoretisch is – aan vaart en verkrijgt de stugge doorlezer een fascinerend beeld van een onbekend stukje middeleeuwse geschiedenis. Vergelijk dat middeleeuwse badhuis maar met een modern gezondheidscentrum avant la lettre, schrijft Van Dam, het was als nutsvoorziening in verstedelijkte delen van Europa volstrekt normaal. Dat de middeleeuwer wassen maar ongezond vond, is dus onjuist.
 
Voor dat baden kwam wel wat kijken, zo worden we gewaar uit een beschrijving van de Duitse Lutheraan Johannes Spangenberg. In 1552 schreef deze zielzorger in zijn ‘Ein Geistlich Bad der Seelen – angezeigt im Leiblichem Bade’ het volgende:

“Een mens die zich wil reinigen van het vuil van het lichaam, die trekt eerst zijn kleren, schoenen en mantel uit, gaat naakt en bloot de badruimte binnen…, de badhuisbaas of een bediende brengt water, om zijn voeten te reinigen, daarna gaat hij op de bovenbank liggen, de badhuisbaas giet water op de oven, maakt hitte en de zwetende gast moet met de kwast om zich heen slaan, daarna komt hij er af, laat zich de huid krabben, giet warm water over zich heen en spoelt het vuil weg, de badhuisbaas komt en (…) zet hem een laatkop of drie op zijn rug, op armen of benen die het vochtige (vuile, overtollige) bloed eruit trekken, haalt ze er weer af, begiet hem met water en spoelt het bloed er af, daarna wast de badhuisbaas zijn hoofd met goede scherpe loog, reinigt zijn oren, scheert zijn hoofdhaar, ogen en neus, kamt en masseert hem, knipt zijn nagels, laat hem (…) de voeten schaven en masseren, de man reinigt zijn mond en tanden, tot slot neemt hij plaats (in een badkuip), gaat eruit, men brengt hem een badlaken, wenst hem proficiat en geeft hem nog een voetbad, daarna rust hij (op het bed in het badhuis) en is in vrede”.

In de stad ging het om een publieke voorziening. De badbaas (in het Duits: ‘der Bader’) blies op zijn trompet als het bad open ging en stuurde omroepers de straat op: ‘Gaat in, gaat in gereed, de stoof is heet …’. Tal van badvoorschriften bleven bewaard. Want het badhuis was veel meer dan een wasplek. De badmeester zorgde voor – zeg maar – groot onderhoud met middeltjes die soms wat geniepig waren zoals laatkop, loog en aderlating. De laatkop, een verhit glas op je huid trok je bloed naar boven en liet flinke blauwe plekken ontstaan. Men hoopte met zo’n zuigplek onderhuids afval kwijt te raken. Van Dam:

“Huidproblemen, jeuk, zweren, zwellingen, verkleuringen en haaruitval hoorden bij de meest voorkomende groep middeleeuwse ziektes”.

Ook hielp baden tegen verstoppingen en diarree.
 
Seks
 
Het badhuis was ook een ontmoetingsplek waar je nieuwtjes kon horen, roddels uit je netwerk. Je bleef er even hangen, in je toedeledokie en daardoor bijna anoniem. En misschien kon je er ook wel een afspraakje scoren met de dames in de soms gemengde, vaker ongemengde baden. Dat de badhuizen in de eerste plaats sekstempels waren, is volgens Van Dam onjuist, de middeleeuwer was domweg minder preuts en onbevangener. Overigens waren de kuipklantjes meestal net niet helemaal naakt, ze droegen op de vele afbeeldingen die zijn overgeleverd vaak broeken, schorten of slips die de edelste delen nipt verhulden.
 
Wat verwachtte die bezoeker van een bad? Natuurlijk schoon worden, maar ook fit en kwiek blijven. De gezondheid zag men bedreigd door alles wat van buiten kwam, bijvoorbeeld door voedsel dat daarom goed verteerd moest worden. De spijsvertering zag men in navolging van Aristoteles en Galenus in termen van ‘koken’. Tijdens de trage gang door de organen warmde dat voedsel op, koelde af, verdikte, verdunde, mengde, viel uiteen en brokte samen: resultaat was een scheiding tussen voedingsstoffen en afval. De badvoorschriften – regimen sanitatis – golden vooral de laatste etappe: de huid. Gesloten of open poriën, zo dacht men, konden het verschil maken tussen ziek en gezond, vruchtbaar of onvruchtbaar, dik of dun, kaal of met haar, of zelfs dood of levend.
 
Gebedsreis
 
Die streng gereguleerde gang door het badhuis was zo algemeen bekend, dat deze ook kon dienen als metafoor voor andere doeleinden, zoals we bij Thomas Spangenberg al zagen. Deze theoloog gebruikte het badritueel als richtsnoer voor het gebed. Wie zich nauwgezet hield aan zijn instructies, zoals de bader in de wasstraat aan het ‘regimen’, vond er geestelijke zuivering in. Het badritueel transformeerde zo in een bidritueel, een ‘Badenfahrt’ in een … soort bedevaart. De bidder trok op zijn gebedsreis door het bad en wist precies waar hij welk gebed moest uitspreken; op de vloer van het bad bijvoorbeeld ‘Ex profundis’, uit de diepten. De metafoor was ook een geheugentruc en liet zich prachtig illustreren in deze gebedenboeken. De bidder ‘kauwde’ op zijn gebeden en liet de inhoud ervan langzaam in zich omgaan.
 
Maar de metafoor was ook bruikbaar om uit te leggen hoe je een land moest besturen. De twaalfde-eeuwse filosoof Johannes van Salisbury vergeleek in wat een van de eerste handboeken voor bestuurders zou worden, de samenleving met een lichaam dat bestond uit onder meer hoofd, mond, keel, maag en darmen. Johannes vond niet het hoofd het belangrijkst, maar de maag. Dat was het verdelingscentrum, de stapelmarkt van het lichaam. De staat kon je dus zien als een spijsverteringskanaal, de vorst moest net als badmeester of medicus ingrijpen in dat lichaam, als dat nodig was.
 
Een andere vraag is waar die badcultuur vandaan kwam. Was dit een restant van de Romeinse badcultuur of namen de kruisvaarders deze fenomeen mee terug naar Europa? Of – derde optie – ging het om inheemse tradities a la de Noord-Europese saunarituelen? Van Dam denkt dat het bad primair een stedelijke ontwikkeling was op basis van kleinere baden op lokale hofsteden. Het stadsbestuur zag het bad na verloop van tijd als een zaak van algemeen belang, het ‘gemeyn oirbaer’, en nam er door middel van regelgeving ook verantwoordelijkheid voor. Slecht gereguleerde badhuizen konden zich ontpoppen als besmettingshaarden voor het uitslaan van ziekten of… publieke opinie.
 
Hoe vaak?
 
Van Dam schreef een rijk boek over bad, bader en badgast in middeleeuws Europa. Heel bijzonder is het beeldmateriaal dat ze verzameld heeft. De analyse graaft diep en vraagt zoals gezegd, enig uithoudingsvermogen. De tekstuele bronnen heeft zij met digitale concordantieprogramma’s uitgeplozen en dat levert veel op. Het had wel een slag concreter gekund: wat mist is een beschrijving van laten we zeggen badhuis X in stad Y. Hoe ging het in bijvoorbeeld Utrecht, Maastricht, Brugge of Gent? Zo blijven er wel vragen liggen: hoe vaak gingen mensen in bad? Klopt het echt niet dat die middeleeuwer gemiddeld – in onze ogen – een viespeuk was? Cijfers komen sporadisch naar voren: in het district Tübingen zou er in elke kleine stad één badhuis zijn geweest, in middelgrote steden 2 à 3 en in grote 6 à 10. Je vraagt je ook af hoe het na 1600 verder is gegaan en of het vermoeden klopt dat die ontwikkeling in Duitsland doorzette in de cultuur van het kuuroord, die Nederland altijd vreemd bleef. Had dat met het calvinisme te maken? Hoewel dat buiten het kader van haar onderzoek valt, had de onderzoeker er misschien toch iets over kunnen zeggen. Laten we zeggen dat dit boek allerlei vragen oproept voor vervolgonderzoek. Andere kleinere problemen zijn enkele tik- en spelfouten, een enkel dateringsfoutje, wat slordigheidjes (Ulm in district Tübingen?) en het her en der onvertaald laten van bronteksten. Niettemin chapeau voor dit onderzoek.
 
Tenslotte, werd er ook gezongen in het middeleeuwse badhuis?
 
Het middeleeuwse openbare badhuis: fenomeen, metafoor, schouwtoneel
Auteur: Fabiola van Dam
Uitgever: Uitgeverij Verloren
Prijs: €35,00 - 313 bladzijden

 
Bron: Joost Eskes, historiek.net

Wie geleerd heeft dat de middeleeuwen primitieve tijden waren waarin mensen in barbaarse omstandigheden leefden en weinig kennis bezaten, zal deze visie na het lezen van het boek "De verlichte middeleeuwen - Een ontdekkingsreis door de middeleeuwse wetenschap" volledig herzien. Seb Falk toont namelijk aan dat de middeleeuwen juist een reeks intelligente, verlichte wetenschappers hebben voortbracht.
 
Het idee van de Donkere middeleeuwen bereikte in de 18de eeuw een hoogtepunt: in zijn monumentale ‘History of the Decline and Fall of the Roman Empire’ beschreef Edward Gibbon ‘de duisternis van de middeleeuwen’ die hij impliciet tegenover zijn eigen Verlichtingsperiode stelde. Maar naarmate historici de virtuositeit van de middeleeuwse cultuur en wetenschap gingen herwaarderen, raakte de term ‘Donkere middeleeuwen’ geleidelijk in onbruik.
 
In dit uitzonderlijk boek is de Benedictijner monnik, John (of) Westwyk (ca.1350-ca.1400), de auteur van “The equatorie of the planetis”, de gids op deze reis door de onbekende, middeleeuwse wetenschap. Aan de hand van zijn middeleeuwse teksten, laat Falk u kennismaken met een breed scala aan wetenschappelijke vraagstukken, waar mensen als John van Westwyk over nadachten en mee worstelden, van het rekenen met Romeinse cijfers tot het ontcijferen van horoscopen, het genezen van ziekten en het navigeren op de sterren, maakt u kennis met de wetenschap zoals de middeleeuwse monniken die bedreven. Een fascinerend verhaal waarin u stap voor stap wordt meegenomen in het brein van een reeks middeleeuwse wetenschappers.
 
Rijzige gotische kathedralen, gewelddadige kruistochten en de Zwarte Dood waren de dramatische krachten die het middeleeuws tijdperk hebben gevormd. Maar die zogenaamde donkere middeleeuwen gaven ons ook de eerste universiteiten, brillen en mechanische klokken. Terwijl middeleeuwse denkers de wereld om hen heen probeerden te begrijpen, van het verstrijken van de seizoenen tot de sterren aan de hemel, ontwikkelden ze een levendige wetenschappelijke cultuur.
 
In “De verlichte middeleeuwen” (“The Light Ages”) neemt de wetenschapshistoricus Seb Falk van de universiteit van Cambridge, u mee op een rondleiding door de middeleeuwse wetenschap door de ogen van een veertiende-eeuwse monnik, John of Westwyk. Geboren in een landhuis, opgeleid in het grootste klooster van Engeland en vervolgens verbannen naar een priorij op een klif, was Westwyk een onverschrokken kruisvaarder, uitvinder en astroloog. Van het vermenigvuldigen van Romeinse cijfers tot het navigeren langs de sterren, het genezen van ziekten en het vertellen van de tijd met een oud astrolabium, we leren samen met Westwyk opkomende wetenschap en reizen met hem door de lengte en breedte van Engeland en buiten de kusten. Onderweg komen we een opmerkelijke cast van personages tegen, de klokken bouwende Engelse abt met melaatsheid, de Franse vakman die spion werd, en de Perzische polymath die ‘s werelds meest geavanceerde observatorium oprichtte.
 
“The Light Ages” biedt een aangrijpend verhaal van de worstelingen en successen van een gewone man in een precaire wereld en roept een levendig beeld op van het middeleeuws leven zoals we het nog nooit eerder hebben gezien. Een verhelderende geschiedenis die beweert dat deze tijden toch niet zo donker waren. “De verlichte middeleeuwen” laat zien hoe middeleeuwse ideeën mede bepaalden hoe we de wereld vandaag zien.
 
Vreemd genoeg is het idee van de, ‘donkere middeleeuwen’ afkomstig uit de middeleeuwen zelf”, schrijft Falk. “De eerste christenen”, zo vervolgt hij, “hadden geschreven over de heidense duisternis vóór de geboorte van Jezus. Humanistische geleerden in het 14de eeuwse Italië namen die oude christelijke metafoor over en draaiden hem om. Ze beschreven de duisternis van een veronderstelde culturele neergang tussen de val van het Romeinse Rijk rond 400 en hun eigen renaissance waarin de klassieke wetenschap opnieuw opbloeide. Voor geleerden die de menselijke geschiedenis graag in hapklare brokken opdelen was dat zowel gemakkelijk als suggestief. Het verschafte hun een vijand om zich tegen af te zetten. Dat werd vooral aantrekkelijk op plaatsen waar de protestantse reformatie aansloeg, en voorafgaande eeuwen konden worden bespot als onderworpen aan rooms-katholiek bijgeloof.”
 
De middeleeuwse wetenschap was een internationale aangelegenheid, net als de moderne wetenschap. Religie vormde de drijfveer voor wetenschappelijk onderzoek, maar diepgelovige mensen hadden geen probleem met het accepteren van theorieën van mensen die een ander geloof aanhingen. Westwyk was vooral goed thuis in de belangrijkste middeleeuwse wetenschap, de astronomie”. “Astronomie was de eerste mathematische wetenschap”, schrijft Falk. “De modellen en formules van de moderne natuurwetenschap zouden zonder haar niet kunnen bestaan. Astronomie was vanzelfsprekend van belang voor vrome geleerden die probeerden Gods geest te begrijpen vanuit de schepping, omdat de regelmatige beweging van de hemellichamen een bewijs vormden voor zijn volmaaktheid. Astronomie had ook een grote praktische betekenis en was van invloed op de tijdrekening en de kalender, op geografie en architectuur, navigatiekunst en geneeskunde. Als beoefenaar van astronomie en gebruiker van instrumenten is Johannes Westwyk een uitstekende vertegenwoordiger van deze combinatie van theorie en praktijk.
 
In dit boek bedrijven we samen met hem wetenschap en maken we kennis met de wetenschap op de manier en bet tijdstip waarop hij daarmee kennismaakte. Van het op de vingers tot 9999 tellen tot het trekken van een horoscoop of het genezen van dysenterie, in enig begrip van hoe middeleeuwse wetenschap niet alleen een kwestie van denken was maar vooral van ‘doen’ – niet alleen maar astrolabia bewonderen maar het messing in de hand wegen – essentieel om de verworvenheden ervan te kunnen waarderen”. Een compleet nieuwe kijk dus op de middeleeuwen, een periode waarin de wetenschap wel degelijk floreerde.
 
Seb Falk is historicus en docent aan de Universiteit van Cambridge, waar hij middeleeuwse geschiedenis en wetenschapsgeschiedenis doceert. Hij studeerde geschiedenis en Spaans in Oxford en zijn onderzoek is gericht op wetenschappelijke instrumenten uit de middeleeuwen, met als specialisatie, de geschiedenis van astronomie, navigatie en wiskunde.
 
Seb Falk - De verlichte middeleeuwen
Een ontdekkingsreis door de middeleeuwse wetenschap
416 bladz. - €34,99 - Spectrum
 

Bron:
Michel Dutrieue, Stretto – Magazine voor kunst, geschiedenis, filosofie, literatuur en muziek (stretto.be).

Falk stelt duidelijk dat, omdat de middeleeuwse natuurfilosofie gericht was op het begrijpen van Gods schepping, zij daarom niet minder wetenschappelijk was. Astronomie en tijdrekenkunde mochten dan wel in dienst staan van de religie, de religie stimuleerde de wetenschapsbeoefening. Om hun religieuze verplichtingen, zoals de getijden, te voldoen, werden monniken gestimuleerd om naar de hemel te kijken, voorspellingen te toetsen en tabellen te maken. Ze verfijnden de kalender in functie van de paasdatum en ontwierpen mechanische klokken als een weerspiegeling van de volmaakte schepping.
Falk vertelt dan ook het verhaal van de middeleeuwse wetenschap als een integraal onderdeel van het middeleeuwse leven. Hij neemt, net zoals de middeleeuwse auteurs, de lezer bij de hand en vertrekt van levensechte vraagstukken. De primaire vorming van Westwyk koppelt hij aan het uitleggen van de middeleeuwse rekenkunde en tijdrekenkunde. De vermoedelijke universitaire scholing van Johannes laat hem toe te spreken over universiteiten en vertalingen. Het astrolabium legt hij uit aan de hand van de instructie van Geoffrey Chaucer voor zijn zoon en het geheimzinnige ‘albion’ van de geleerde abt Richard van Wallingford kadert hij in de geschiedenis in van de abdij van Sint-Albans. De deelname aan de bisschopskruistocht door Westwyk geeft hem de kans om te spreken over cartografie, navigatie en medische wetenschap. Het sluitstuk van zijn studie is de uitvoerige bespreking van de Engelstalige handleiding van Johannes Westwyk voor het equatorium, het instrument om de bewegingen en positie van de planeten te bepalen.

Recensie Trouw: Historicus Seb Falk toont aan dat de wetenschap in de middeleeuwen niet stilstond.

Een aantal YouTube video's door of met Seb Falk vind je in de rubriek Wetenschap van Videoalbums.
 
Named a Best Book of 2020 by The Telegraph, The Times, and BBC History Magazine

Het zou allemaal begonnen zijn toen Columbus in 1492 met drie schepen koers zette naar het westen. Maar, volgens Hansen deed de globalisering al veel eerder haar intrede.In het jaar 1000 werd bv. Stefanus I, vorst van de Magyaren, gekroond tot de eerste koning van Hongarije, en veroverden Zweden en Denemarken allebei een deel van Noorwegen. Op het Congres van Gniezno ontmoetten keizer Otto III en Boleslaw I van Polen elkaar, waardoor de Poolse staat werd erkend. De Engelsen onder koning Ethelred II staken over naar Normandië, maar werden teruggeslagen. Er werd vrede gesloten en bruiloft gevierd. Ethelred huwde nl. met de Normandische prinses, Emma. Ondertussen landde de Viking, Leif Eriksson, in Noord-Amerika en zette voet op Helluland, Markland en Vinland. In Europa geloofden velen die niets deden, dat de wederkomst van Jezus in of rond dit jaar zou plaatsvinden…

Valerie Hansen laat in haar boek, “The Year 1000: When Explorers Connected the World—and Globalization Began”, zien hoe er rond het jaar 1000, op verschillende plaatsen ter wereld, grote expedities opgetuigd werden. Hoe de Vikingen hun weg vonden naar Noord-Amerika, hoe de islam zich verspreidde naar Zuid-Europa en oostwaarts richting India en hoe de Chinezen met grote schepen het ruime sop kozen. Internationale handel kwam op gang, uitwisseling van producten en ideeën hield velen bezig – voor het eerst maakte men zich zorgen om de gevolgen voor de plaatselijke economie en het behoud van ‘het eigene’. Hansen laat ons zien hoe de continenten met elkaar in contact kwamen.

In 221 v.Chr. werd het land dat we nu kennen als China, verenigd onder de eerste keizer, Qin Shi Huangdi (wat ‘Eerste keizer van de Qin’ betekent), die de Qin-dynastie stichtte. Tijdens de Han-dynastie (206 v.Chr.-220 n.Chr.) werd het rijk uitgebreid tot in Korea, Vietnam en Centraal-Azië. Hierna volgde een periode van verwarring, waarin een van de rustpunten de Tang-dynastie (618-907) was. Onder de keizers van deze dynastie werd onder andere het examenstelsel ingevoerd, waardoor ook niet-adellijke personen hoge posities konden bereiken. Vanaf de 9de eeuw nam de macht van de keizer toe en verplaatste het economisch centrum zich naar het zuiden. Marco Polo zou China hebben bezocht rond 1280, toen hier de Mongoolse Yuan-dynastie aan de macht was. Onder de Ming-keizers (1368-1644) werd meer nadruk gelegd op de eigen Chinese waarden en werd de invloed van buitenaf geweerd. Op meeslepende wijze beschrijft Valerie Hansen het groot verhaal van de ontdekking van de wereld. Valerie Hansen heeft haar verhaal verdeeld over 8 hoofdstukken:

  1. De wereld in het jaar 1000, een overzicht 
  2. Westwaarts, dappere Vikingen! 
  3. De pan-Amerikaanse verkeerswegen van het jaar 1000 
  4. Europese slaven
  5. De rijkste man ter wereld
  6. De splijting van Centraal-Azië
  7. Verrassende reizen
  8. De meest geglobaliseerde plek op aarde

Valerie Hansen is als professor verbonden aan Yale University, waar zij zich gespecialiseerd heeft in de Chinese en de wereldgeschiedenis. Eerder publiceerde zij het veelgeprezen boek The Silk Road.

Bron: stretto.be

Recensie door J.H.M.J. Busio:

Het huidig nieuws wordt beheerst door de overwegend negatieve gevolgen van globalisering. Zowel economie, politiek, klimaat en gezondheid zijn internationaal met elkaar verweven en voordelen voor de een blijken vaak nadelig voor de ander. Lang werd gedacht dat deze ontwikkeling begon met de Europese ontdekkingsreizen en kolonisatie, maar dat blijkt niet te kloppen. Rond het jaar 1000 bleken overal op de wereld al diplomatieke en economische betrekkingen te bestaan en werden handelsroutes van duizenden kilometers over land en zee geexploiteerd. Erg confronterend te lezen dat slavenhandel overal big business was. Dit boek combineert inzichten uit de archeologie met reisverslagen, wetgeving en legendes en bewijst dat de wereld 1000 jaar geleden al direct en indirect met elkaar in verbinding stond. Een stoet aan koningen, kooplieden en krijgsheren komt in aanstekelijke vaart voorbij en maakt de lezer nieuwsgierig naar meer. Om die reden bevat dit boek naast een literatuurlijst ook een katern met reistips. Daarnaast veel kaarten en illustraties in z/w en kleur.
 

Het jaar 1000
De ontdekking van de wereld
Valerie Hansen
Uitgever: Thomas Rap
€24,99 - 416 bladz. 


Besmettelijke ziekten zijn van alle tijden en hebben in de geschiedenis op meerdere momenten een belangrijke rol gespeeld. Bekend zijn massamoordenaars als cholera, de Spaanse Griep (1918-1919), meer recent de ebola-uitbraak en, uiteraard, de grote pestepidemie tussen 1347 en 1352. Over deze laatste pandemie, de grootste pestepidemie uit de Europese geschiedenis, is de tweede druk – van een eerder in 2014 uitgebrachte – heldere monografie verschenen van sociaal-geograaf M. Boshart, De pest in Europa 1347-1352. Geschiedenis van een epidemie (Aspekt, 2016).
 
De pest was een van de grootste massamoordenaars ooit en veroorzaakte de dood van ongeveer een derde van de Europese bevolking rond het midden van de veertiende eeuw. Wereldwijd maakte de pest een geschatte 75 tot 100 miljoen dodelijke slachtoffers. In Europa duurde het tot ongeveer het jaar 1600 voordat het bevolkingspeil van begin veertiende eeuw weer bereikt was.
Boshart besteedt aandacht aan alle facetten van de pest, zoals de geografische oorsprong van de pest, de verschijningsvormen van deze epidemie, preventie en genezing en de rol van artsen (van wie velen vluchtten of zelf stierven). De verspreiding van de pestepidemie door Europa – met speciale aandacht voor de Lage Landen – komt aan bod. En verder de demografische, politieke, religieuze en ecologische effecten van deze wereldwijde ramp. Ten slotte gaat de auteur in op de directe gevolgen van de Zwarte Dood voor de Joodse bevolking, die te maken kregen met keiharde vervolging, en de bloei van religieuze bewegingen zoals als de flagellanten (de geselbroeders).
 
De pest in Europa 1347-1352 is vlot en toegankelijk geschreven. Het boek is voorzien van annotaties en een beknopte literatuurlijst. Illustraties ontbreken.
 
De pest in de geschiedenis
 
De auteur opent met een kort hoofdstuk waarin de belangrijkste epidemieën en pandemieën (wereldwijde epidemieën) uit de geschiedenis aan bod komen. Zo komen in de Bijbel al epidemieën voor die heel goed op de pest kunnen slaan, zoals in de Bijbelgedeelten 1 Samuël 4-6, 1 Koningen 8:37, 2 Kronieken 6:28, Jeremia 21:6-10 of Ezechiël 6:12.
 
De epidemie de tijdens de Peloponnesische Oorlog de stad Athene teisterde, in de jaren 430-429 v.Chr., was misschien ook een pestepidemie. Toch wijzen bij deze uitbraak, aldus auteur Boshart, de meeste symptomen op tyfus en niet op de pest. Zekerder is dat Rome en omliggend gebied in de tweede en derde eeuw na Christus te maken kreeg met een grote pestuitbraak. Hierdoor stierf een kwart van Romes bevolking. Deze epidemie beschouwen veel historici als een van de deeloorzaken van de neergang en later ondergang van het West-Romeinse Rijk.
 
Andere grote epidemieën die Boshart uitlicht zijn de zogenoemde Juliaanse Epidemie (541-767) in het Oost-Romeinse Rijk. Verder een pestuitbraak in India in 1031, een pandemie die eind negentiende eeuw om zich heen greep in China en Zuidoost-Azië en natuurlijk de Spaanse Griep in de jaren 1918 en 1919.
 
‘Zwarte Dood’: onjuiste benaming
 
Heel aardig is de aandacht die Boshart besteedt aan het begrip ‘Zwarte Dood’, een term die vermoedelijk abusievelijk is ontstaan door een vertaalfout. De term werd in de middeleeuwen helemaal geen Zwarte Dood genoemd, maar artsen noemden deze pestis, of pestilentia. Hoewel veel zieken zwarte puntjes of vlekken kregen, werd ‘Zwarte Dood’ in de middeleeuwen dus niet als term gemunt. Boshart vervolgt:

“De term Zwarte Dood duikt voor het eerst in de zestiende eeuw op in Zweden (1551, Swarta Doden), in de zeventiende eeuw in Engeland (Black Death), en wordt pas in de negentiende eeuw in algemene zin gebruikt. De meest voor de hand liggende verklaring voor de naam Zwarte Dood is een wat al te literaire vertaling van het Latijnse pestis atra of atra mors. De term atra kan zowel met ‘verschrikkelijk’ als met ‘zwart’ worden vertaald. De verschrikking van de epidemie kan makkelijk geassocieerd worden met zwart, zodat ‘zwart’ steeds meer de vertaling wordt van atra.” (8,9)

De pest in de Lage landen
 
Volgens veel historici moet de geografische oorsprong van de pest gezocht worden in Centraal-Azië. Sommigen stellen in China, anderen wijzen meer precies bij het Issyk Koelmeer in het huidige Kirgizië (onder de huidige Kazachstaanse stad Alma-Ata). Vanuit Centraal-Azië verbreidde de pest zich over de rest van het continent. In 1346 bereikte de pest het gebied van de huidige Krim. In oktober 1347 nam een Genuees schip afkomstig uit De Krim de pest mee naar het eiland Sicilië. Vanaf daar verspreidde de pest zich in de jaren erop via Italië over de rest van Europa.
 
In juni 1349 bereikte de pest het gebied dat wij tegenwoordig als België kennen. Daar, in de Zuidelijke Nederlanden, sloeg de pest even hard toe als elders. In de historiografie circuleerde nog lang, tot ongeveer het midden van de twintigste eeuw, de opvatting dat de pestepidemie…

“…zich in de Zuidelijke Nederlanden relatief rustig heeft gehouden en in de Noordelijke Nederlanden zelfs als een ‘marginaal verschijnsel’ beschouwd zou moeten worden.” (64)

De bronnen waarop deze historici, onder meer H. Van Werveke, zich baseerden, was beperkt. Vanwege een gebrek aan bewijs dat de pest zwaar huishield, trokken dit soort historici de conclusie dat het dus wel meeviel met de pestepidemie in de Lage Landen. Op basis van rekeningboeken van Hollandse graven toonde bijvoorbeeld historica Maria Kelly, in het boek The Great Dying (2003), dat ongeveer een derde van de Hollandse bevolking stierf. Dit blijkt uit de enorme inkomstendaling van graven in de jaren 1349 en daarna, die alleen logisch verklaard kan worden door een bevolkingsdaling als gevolg van de pest.
 
In The Black Death 1346-1353. The Complete Story (2006) trekt de Noorse historicus Ole J. Benedictow eenzelfde conclusie. Net als andere Europese plaatsen hadden Vlaamse steden flink te lijden onder de pest.
 
Pogingen tot preventie en genezing
 
Artsen stelden veel in het werk om de pest te stoppen. Uit de bronnen blijkt dat er – veelal tevergeefs – allerlei medicatie werd voorgeschreven, zoals azijn, knoflook, zure melk, Armeense bolus en pillen samengesteld uit aloë, mirre en saffraan. Zelf droegen de artsen, als ze hun werk aandurfden (waarover straks meer) vaak snavelmaskers met voorin een welriekende kruidenmix, die de dokteren tegen de pest moest beschermen.
 
Men paste nog meer methodieken toe. Onder koning Karel II van Engeland opende men tijdens de pestepidemie in Londen alle beerputten van de stad. Men hoopte dat de daaruit omhoogkomende walmen de pest zouden keren. Verder beschouwden artsen aderlaten als een goede oplossing om veronderstelde kwade stoffen in het bloed uit het lichaam te laten lopen, voordat de ‘giftige stoffen’ de organen zouden bereiken. Ook was de methode gangbaar om de builen open te snijden en te laten leeglopen, wat soms soelaas bood. Veel mensen geloofden dat de pest een straf van God was en dat boetedoening tot een ommekeer kon leiden. Om de bovennatuurlijke macht gunstig te stemmen, besloten ze tot zelfkastijding (flagellantisme), eindeloos bidden of men stopte het steenschraapsel van kerkingangen of kloosters in kleine zakjes die ze op hun borst legden. Dit alles in de hoop op genezing.

Zoals wel vaker bij grote rampen, stroomden de kerken vol en deden zich ineens overal wonderen voor:

“De pest wordt gezien als een straf van God, er zullen niet veel middeleeuwers zijn geweest die er een andere mening op na hebben gehouden. (…) De kerken lopen vol en de bevolking wordt door de geestelijkheid opgeroepen tot boetedoening nu het nog kan, tot het verbeteren van haar leefwijze in overeenstemming met Gods regels. Het aantal gerapporteerde wonderen, met de verschijning van Maria, huilende Mariabeelden en zwetende Christussen in de meerderheid, neemt sterk toe (…) Wat ook opvalt, is dat het geloof in demonen in de veertiende eeuw sterk toeneemt.” (122, 118, 125)

Het gedrag van artsen was vaak egoïstisch en weinig professioneel, zo concludeert Boshart. De kans om als dokter te overlijden was relatief groot door het vele contact met besmette mensen. Regelmatig sloegen artsen daarom op de vlucht, in plaats van anderen te helpen:

“In Perpignan [in het zuidoosten van Frankrijk] blijft van de acht artsen maar één in leven. Het is natuurlijk niet gezegd dat de andere zeven zijn overleden tijdens de uitoefening van hun functie. In Venetië kunnen we dat zeker niet zeggen: voor 1348 staan daar achttien artsen ingeschreven, na het verlopen van de pestgolf nog maar één. Wij weten dat vijf artsen aan de pest zijn bezweken, dus lijkt het niet vergezocht om te concluderen dat twaalf artsen, of twee derde van het bestand, veiligheid in de vlucht heeft gezocht.” (51)

Joden als zondebok
 
Aan de vooravond van de pestepidemie verbleven in Europa honderdduizenden Joden. Een derde van hen woonde in Spanje en Zuid-Frankrijk. De positie van de Joden kan het beste omschreven worden als ‘stateloos’, als ‘dienaren van de koning’ zonder dat de vorst daarvoor een wederkerige plicht tot bescherming had. De Joden woonden in essentie in grotere steden, maar vormden daar geen eersterangsburgers. De Joden – van wie ongeveer 95 procent arm was – mochten geen grond in eigendom hebben, geen militaire of bestuursfuncties bekleden en evenmin mochten ze lid worden van een gilde. Deze economische en sociale discriminatie leidde ertoe dat Joden vooral aan de slag gingen in de handel en de financiële wereld. De Joden kregen hierdoor het stempel van geldwolven en gierigaards.
 
Jodenvervolging was niet nieuw, maar kwam al eerder in de middeleeuwen voor, terwijl antisemitisme ook de christelijke oudvaders uit de late Oudheid niet vreemd was. Toen de pest in de late jaren 1340 uitbrak, leidde dat tot een sterke opleving van pogroms, lynchpartijen en vervolging. Boshart:

“Al in april 1348 vonden lynchpartijen plaats in de Zuid-Franse steden Toulon en La Baume, in mei gevolgd door pogroms in Narbonne en Carcassonne. Joden werden uit hun huizen gesleurd en in het openbaar verbrand.” (170)

De beschuldigingen die als argument voor de slachtpartijen werden aangedragen, betroffen samenzwering tegen de christenen door hen te willen vergiftigen, het vermoorden van christelijke kinderen en valsemunterij.
 
In totaal vonden in de jaren 1347-1352 in minstens 210 Europese dorpen en steden – mogelijk zelfs vierhonderd – massamoorden op Joden plaats, aldus historica Barbara Tuchman in De waanzinnige veertiende eeuw. Tussen november 1348 en januari 1349 vond in het Heilige Roomse Rijk een vervolgingspiek plaats, waarbij steden als Stuttgart, Memmingen, Lindau, Bazel, Freiburg, Augsburg, Neurenberg, München, Keulen en Erfurt gezuiverd werden van hun Joodse inwoners.
 
Ook in de Nederlanden waren de Joden niet veilig. Naast in Noord-Nederlandse steden als Utrecht, Zwolle, Tiel, Vught, ’s-Hertogenbosch en het hertogdom Gelre, raasde ook door de Zuidelijke Nederlanden een antisemitische woede:

“De pogroms en arrestaties van Joden beginnen [hier] in de vroege zomer van 1349 en aan het einde van dit jaar zijn nagenoeg alle Joden in Henegouwen al om het leven gebracht. In Brabant gaat het iets langzamer, maar in de loop van 1350 zijn in de meeste Brabantse steden de Joden toch wel vermoord. Ook Vlaanderen ontkomt niet aan de massamoord. ‘Anno Domini 1349 sloeg men de Joden dood’, vermeldt een chroniqueur en dit schijnt op een schaal te hebben plaatsgevonden die met die in Duitsland is te vergelijken.” (173)

M. Boshart (1940) studeerde sociale geografie aan de Universiteit van Amsterdam. Een groot deel van zijn werkzame leven was hij docent aan het Hogere Beroeps Onderwijs. Momenteel verdeelt hij zijn tijd vooral tussen het beheer van een antiquariaat en de historische aspecten van enge ziekten. Andere boeken van M. Boshart zijn o.a.: "De ziekte van Lazarus - Lepra in de middeleeuwen", "Bedevaarten in de middeleeuwen".
 
De pest in Europa 1347-1352 - Geschiedenis van een epidemie.
M. Boshart
€ 19,95 - 246 bladzijden.

 
Bron: Enne Koops, Historiek.net.

Na "Karel de Grote" en "Clovis" heeft Raoul Bauer een nieuw boek geschreven, waarin hij ons meeneemt naar de vroege middeleeuwen en aantoont dat de wondere wereld van de middeleeuwer gevuld was met magische gebeurtenissen, godsvruchtige vereringen én wetenschappelijke inzichten.
 
Bauer stelt zichzelf vragen als: zijn er tussen wetenschap, geloof en magie waterdichte schotten te plaatsen? Is er een verschil tussen een wonderbaarlijk mirakel en een te mijden toverkunstje? Is de rede enkel te vinden in de wetenschap of speelt die ook een rol in religie en magie? Hoe stond de kerk tegenover wetenschappelijke bevindingen?
 
Hij vindt de antwoorden onder meer in de geschriften van de grote wetenschappers uit die tijd. We leren Isidorus van Sevilla kennen die een encyclopedie schrijft die eeuwenlang gebruikt wordt. Beda Venerabilis, dé wetenschapper bij uitstek van de achtste eeuw, onderzoekt mirakels, berekent de paasdatum en denkt na over het fenomeen van de getijden. Via de Karolingische renaissance komt Gerbert van Aurillac aan het woord, de paus-wiskundige van het "merkwaardige" jaar 1000.

Recensie (van clublid bernard-de-clairvaux):

De middeleeuwen werden lang beschouwd als een donkere overgangsperiode tussen de culturele bloeiperiodes van de klassieke wereld en renaissance. Het einde van het Romeinse rijk had funeste gevolgen voor de ontwikkeling van de wetenschap, maar toch zijn veel klassieke wetenschappelijke werken alleen overgeleverd dankzij de toegewijde studie en speurzin van middeleeuwse onderzoekers. Dit betrof religieuze gemeenschappen die in de studie van de natuur de grootsheid van de schepping en het geloof zochten. Dit leidde niet tot nieuwe inzichten, maar in combinatie met bronnen uit de Arabische wereld en Byzantium vormden hun werk de basis voor een nieuwe doorbraak tijdens de renaissance. De grenzen tussen religie, wetenschap en magie waren overigens vaag, mede omdat nog niet heel Europa gekerstend was. Aangezien de wetenschap vooral een kerkelijke aangelegenheid was, blijft dit boek vooral een inleiding in kerkhistorie. De hoeveelheid namen van kerkvaders, bisschoppen en monniken doet daarbij soms duizelen. Met literatuuroverzicht, noten en illustraties in kleur.

Interessant boek over religie, magie en wetenschap in de vroege middeleeuwen dat echter vooral blijft hangen bij kerkhistorische onderwerpen.
 
Interview met Raoul Bauer in Trouw (10 december 2019, Bas Roetman):
 
Wat zijn de verschillen tussen wetenschap, religie en magie? Op die vraag had de middeleeuwse mens geen antwoord kunnen geven, schrijft de Vlaamse cultuurhistoricus Raoul Bauer. Hij vindt dat de moderne mens nog wat van de middeleeuwers kan leren: “We hebben te weinig eerbied voor het mysterie”. In zijn laatste boek, ‘Niet meer blaffen naar de maan’, richt Bauer zich op het denken over religie, magie en wetenschap in de vroege Middeleeuwen (500-1000). Want: in tegenstelling tot de 21ste eeuw liepen die drie zaken in de Middeleeuwen volledig door elkaar. Het boek staat bol van de spannende verhalen over oude rituelen, tovenaars, mirakels en heiligen.
 
“Ik wilde een dieper beeld krijgen van de middeleeuwse mens”, steekt Bauer van wal. “Dat is geschiedbeoefening voor mij: een zoektocht naar het beter begrijpen van de mens. Ook filosofische vragen horen daarbij: hoe keek men aan tegen zaken zoals religie, ­wetenschap en magie? Die vraag is op dit moment extra interessant, want het lijkt erop dat de scheidslijnen tussen wetenschap en religie in onze tijd alsmaar scherper worden. In het Westen rukt het wetenschappelijk denken op, ten koste van traditionele religies. Ik heb in mijn boek doelbewust gekozen om wetenschap, religie en magie niet apart te beschrijven, want dat deden de middeleeuwers ook niet. Zo krijg je een totaalbeeld.”
 
Hoe keek men in de Middeleeuwen aan tegen religie en wetenschap? Waren die met elkaar in strijd?
Kenmerkend voor het hele middeleeuwse denken is dat alles gebeurt in het perspectief van de eeuwigheid: het gaat om het leven na de dood, het hiernamaals. Dat wil niet zeggen dat men het aardse helemaal uit het oog verloor. Het doel van ‘aardse’ kennis, wat wij nu wetenschap zouden noemen, was zowel praktisch als existentieel. Monniken moesten bijvoorbeeld iedere ochtend, middag en avond op vaste tijden hun gebeden opzeggen, dus het was daarbij heel handig om kennis te hebben van de hemellichamen. Daar gaat het dus puur om praktisch nut. Maar er was ook een dieperliggend doel van kennisvergaring, want door de schepping beter te begrijpen kon je dichter bij de Schepper komen. Door het zichtbare te observeren, hoopte men tot het onzichtbare te komen, tot kennis over God.
 
Zag men ook onderscheid tussen de ­ratio en het geloof in het hogere?
Nee, dat onderscheid bestond niet. Wij spreken over de ratio als iets dat los staat van het geloof, maar dat was toen niet aan de orde. Men zag dingen, en men begon daarover na te denken. Dat nadenken gebeurde altijd in functie van de zoektocht naar de Schepper. Pas later, in de veertiende eeuw, werd die relatie tussen aan de ene kant geloof en aan de andere kant het rationele denken een thema. Voor die tijd hadden de meeste Europeanen een ­essentialistisch wereldbeeld: alles was een afspiegeling van de goddelijke werkelijkheid. Dat beeld begint te kantelen met de Engelse filosoof Willem van Ockham (1288-1347). Het nominalisme deed toen zijn intrede, een filosofie die de wereld uiteen liet vallen in verschillende afzonderlijke fragmenten. De stukken op zich werden belangrijk. Voor de ontwikkeling van de ­wetenschap was dat natuurlijk een goede zaak, maar de prijs was hoog: de ­zekerheid van die alomvattende wereld waarin men zo lang gerust had, viel weg. Men ging wanhopig op zoek naar een nieuw houvast.
 
Religie en wetenschap liepen dus in ­elkaar over. Hoe past magie in dat ­geheel?
Magie staat op het kruispunt van ­gelovig en wetenschappelijk denken. Het bovennatuurlijke grijpt in op het ‘normale’ verloop van de wereld. In de vroege Middeleeuwen was het woord ­‘magie’ vooral een negatief woord, dat verwees naar duivelse ­krachten en ­rituelen. Astrologie was bijvoorbeeld ­uiterst verwerpelijk. Het idee dat ­sterren invloed zouden kunnen hebben op het menselijk gedrag druiste zo in ­tegen het idee van de vrije wil, dat men daar niets mee te maken wilde hebben. Maar niet alle onverklaarbare zaken waren per se van de duivel. Er gebeurden ook mirakels: die waren afkomstig van God, en dus prijzenswaardig. Het onderscheid tussen heidense toverkunsten en goddelijke mirakels is ontzettend arbitrair. Dat zie je bijvoorbeeld bij de heilige Columba, die in Schotland het evangelie wilde verspreiden. Hij raakte daar verwikkeld in een strijd met een lokale druïde, waarbij de beide heren ­allerlei toverkunsten opvoerden: wat de druïde allemaal deed, wordt in de geschriften bestempeld als heidense, duivelse ­magie, maar wat Columba deed was een goddelijk mirakel.

Het is ook net zo goed onmogelijk om duidelijke scheidslijnen aan te ­brengen tussen wetenschap en magie. Neem bijvoorbeeld Beda Venerabilis (672-735), die een prachtig historisch werk over Engeland schreef. Zijn bronnenlijst staat vol met mirakels. Ondergraaft dat de wetenschappelijkheid van zijn benadering? Ik vind van niet. Elke wetenschappelijke geschiedschrijving, ook nu, moet uitgaan van bepaalde structuren, verbanden die op dat ­moment gangbaar zijn, anders praat je een onbegrijpelijke taal. Dat gold ook voor Beda.
 
In het boek citeert u Heino Falcke, hoogleraar radioastronomie aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Hij zegt: “We raken nooit dichter bij het begin van alles. In die zin is de ­moderne natuurkunde niet anders dan de theologie van de Middeleeuwen, toen er ook heel diepzinnige vragen werden gesteld zonder dat er antwoorden ­kwamen.”
De middeleeuwers stelden vragen aan het heelal, maar ze kregen niet de volledige antwoorden. Wij staan er nog altijd op dezelfde manier in. We kunnen wat specifiekere vragen stellen, dat is waar, maar het definitieve, laatste antwoord over de aard van het universum krijgen wij ook niet. Dat wordt mooi geïllustreerd in het verhaal over de zeetocht van Sint Brandaan, uit de negende eeuw. Ergens op zee komt hij een jongen tegen die op een blaadje ronddrijft. In zijn linkerhand heeft hij een kommetje en in zijn rechterhand een griffel, die hij in het water steekt en laat uitdruppen in het kommetje. Brandaan vraagt het jongetje wat hij aan het doen is, en het jongetje antwoordt: ‘Ik ben de zee aan het meten.’ Brandaan zegt tegen het jongetje: ‘Maar jongen toch, daar komt toch nooit een einde aan?’ ‘Klopt’, antwoordt de jongen, ‘en op dezelfde manier ben jij ook nooit in staat om alles te weten’. Dat is een les in nederigheid. Het verhaal zegt ons dat we nu eenmaal als mens beperkt zijn in onze vermogens. Daar zijn we ons in deze tijd minder ­bewust van.
 
Moeten we misschien wat minder ­neerkijken op de middeleeuwse mens?
Dat de middeleeuwse mens achterlijk zou zijn geweest, is kletspraat. Als hier morgenmiddag een potvis aanspoelt zie je heel Vlaanderen naar de kust trekken om te gaan kijken. Dat is precies hetzelfde als in de twaalfde eeuw. De middeleeuwers waren mensen zoals u en ik, die hebben moeten leren met vallen en opstaan. We kunnen de valse indruk krijgen dat we door ons technisch kunnen het mysterie kunnen oplossen. Misschien hebben de middeleeuwers wat te veel eerbied gehad voor het mysterie, maar wij hebben er te weinig eerbied voor.
 
Raoul Bauer
NIET MEER BLAFFEN NAAR DE MAAN 

Religie, magie en wetenschap in de vroege middeleeuwen
Pagina's: 256 - Prijs: € 25,-

Welkom bij Clubs!

Kijk gerust verder op deze club en doe mee.

Wat is dit?


Of maak zelf een Clubs account aan:


Aanbevelingen door leden:

bernard-de-clairvaux starstarstarstarstar

Een geweldige community over de middeleeuwen in al haar facetten. Boeken, tentoonstellingen, steden en discussies met diepgang en humor. Een Vlaams-Nederlandse samenwerking van historisch niveau!