Kunst en cultuur van de middeleeuwen

- Welkom op deze club over de middeleeuwen -

ehrenritter.gifIn deze club volgen we het nieuws over de middeleeuwen en discuteren we er over op het forum of blog: nieuwe inzichten en analyses, boeken en internetberichten, tentoonstellingen, films en TV-series, strips, levende geschiedenis en re-enactment en last but not least, de reisverslagen van onze clubleden. Kortom elk evenement dat ook maar een link heeft met de middeleeuwen krijgt een plaats op deze club. Het kan dus ook een persoonlijke belevenis of ervaring zijn van een clublid of gast, daarvoor dient vooral het 'Forum'. Op de blogberichten kan je ook je reacties kwijt. Naast het vele nieuws heb je ook nog de talrijke videoclips die je vindt in 'Videoalbums' en enkele links. Kortom, ben je in geschiedenis geïnteresseerd en meer bepaald in de periode van de middeleuwen, maak je kosteloos lid en doe mee of geniet.

5_1.pngD
e naam van de club verwijst naar het boek De Kathedralenbouwers van de franse historicus G. Duby: de middeleeuwers waren immers bij uitstek kathedralenbouwers. Dit boek heeft mij begeesterd en het middeleeuwse vuur wakkerde voor eeuwig aan door "De naam van de Roos" van de erudiete Umberto Eco.

Je vindt "Kathedralenbouwers" ook op Scoop.it!.  Plaatjes over de middeleeuwen vind je op Pinterest - middeleeuwen.

De periode voor de middeleeuwen, namelijk de Prehistorie en de Oudheid, wordt behandeld in de club
"Van Prehistorie tot Middeleeuwen".

Ben je een toevallige gast?
Wordt gratis lid, of laat iets horen op het forum of mail de eigenaar van deze club op calamandja@yahoo.com.

eric-enide-e1391725330308.jpg

Reeds sedert 2008 organiseert de club Kathedralenbouwers jaarlijks een clubbijeenkomst. 
Na Utrecht (2008), Brugge (2009), Delft (2010), Zutphen (2011), Kortrijk (2012), Bergen op Zoom (2014), Mechelen (2015), Deventer (2017), Tongeren (2018) is de tiende clubdag in 2019 terug doorgegaan in Utrecht. Hieronder vind je het verslag van deze laatste clubdag, opgesteld door clublid Antonius.

Bouwers Utrecht 2019.

Voor de 10e Bouwersdag zijn de Bouwers op zaterdag 16 november 2019 terug in Utrecht voor de jaarlijkse Bouwersdag.  De dag van het 2e lustrum begint  om 10:00 uur aan de Korte Nieuwstraat bij De Rechtbank, in het hart van het Museumkwartier. Favoriet is 'TRIBES - A Coffee Prophecy' (goed straf spul). De Abt heeft parels van de stad op een rij gezet. De dag is ons goed gezind: windstil, droog en een temperatuur van 6 graden, dus een mooie november dag.

Baldakijn met Christus Pantocrator 1275-1299 

Van 11:00 tot 13:30 zijn we rondom het Catharijne Convent. In het Museum loopt voor 3 maanden de tentoonstelling North & South: altaarfronten uit de 12e t/m de 14e eeuw uit Noorwegen (Bergen, Trondheim, Oslo) en het Episcopal Museum Vic (Catalonië), met een hoofdrol voor het oudste houten beeld van het convent, de gouden Maaslandse Maria van rond 1240. De tentoonstelling gaat haar een plek geven in een altaarfront. De tentoonstelling geeft voorstellingen in heldere kleuren en donkere contouren die haast icoon-achtig aandoen.

Enkelen  bezochten  de schatkamer van het convent met daarin een gave ivoren Byzantijnse Maria-ikoon Hodegetria (Zij die de weg wijst), dat rondom 950 is gesneden in een keizerlijk aterlier in Constantinopel.

Tijdens de lunch in het convent-resto is het Noors Twaalf uurtje de voorkeur, maar niet elke Bouwer eet zijn groente-blaadjes op.

Er is nog ruim de tijd om de bisschoppelijke St. Catharinakathedraal in te kuieren; de orde van de karmelieten begonnen in 1468 met de bouw als onderdeel van hun klooster. Terecht is hier een nisje ingeruimd voor Johannus Kardinaal  De Jong die zijn stem in de donkere geschiedenis-jaren liet horen.

Rondom kwart over twee staan we op heilige grond: op het Pausdam voor het Paushuize hertelt Marjoke haar verhaal uit 2008 over Adrianus VI, de enige Nederlandse paus ooit.

Romaans reliëf Pieterskerk Utrecht

Het hoogtepunt van de dag is de Pieterskerk, gebouwd in de jaren 1040-1048, met op het koorverhoog 4 romaanse zandstenen–reliëfs van rond 1070: een ingetogen ruimte,  mede doordat zij - al sinds 1656 - bij de Waalse Gemeente Utrecht in gebruik is.

Rondom Drie-uur  trekken we via de binnenhof de gotische Domkerk in. We verwijlen bij de graftombe van bisschop Gwijde van Avesnes, omdat we de lessen van Sanne Frequin kennen en weten dat je nooit zomaar langs een graftombe moet lopen.

 Aan de Oudegracht in stadskasteel Oudaen is het te doen om de Oudaen Pilsener en Dubbel (aan 7%).

We gaan terug naar de Korte Nieuwstraat waar op de fundamenten van de Paulusabdij, gebouwd door de benedictijner monniken  in de 11e eeuw, nu het Utrechts Archief zijn onderkomen heeft. Met in de hoofdrollen schrijfster Belle van Zuylen (ook prominent aanwezig in Musee Antoine Lecuyer in Saint Quentin) en Anna Maria van Schurman, de eerste vrouw in Europa met een academische opleiding, toont een heel  inspirerende film de geheimen van het Depot. We gaan op zoek naar het Scharnier van de hoofdpoort van het middeleeuwse kasteel Vredenburg en hebben zo de deuropening naar 2008 weer te pakken.

We gaan aan tafel aan het Domplein bij restaurant LOOF. Ieder kiest zijn gerecht. Bij de afsluiting heeft Revolution Tea de meeste gebruikers.

Rond Achten schudden we de handen op de hoek van de  Catharijnesingel / ingang Hoog Catharijne.  De auto of de trein brengt ieder weer zijns weegs. Top voor het program van deze bizondere editie van de Bouwersdag. We maken ons op voor de elfde editie.

art_border_motif_01.jpgart_border_motif_01.jpgart_border_motif_01.jpg

Foto van de clubleden op de negende clubdag in Tongeren (2018):

Foto van de clubleden op de achtste clubdag in Deventer (2017):

Foto van de clubleden op de zevende clubdag in Mechelen (2015):

Foto van de clubleden op de zesde clubdag in Bergen op Zoom (2014):

Foto van de clubleden op de vijfde clubbijeenkomst in Kortrijk (2012):

IMG_0001.JPG

Foto van de clubleden op de vierde clubbijeenkomst in Zutphen (2011):

club2.jpg

Foto van de clubleden op de derde clubbijeenkomst in Delft (2010):

Clubleden Kathedralenbouwers in Delft

Foto van de aanwezige clubleden op de tweede clubbijeenkomst van de Kathedralenbouwers te Brugge op 18 april 2009.

cluppersbrugge(1).jpg

art_border_motif_01.jpgart_border_motif_01.jpgart_border_motif_01.jpg

documents.gif 46a0f6cd59ecc242f3e84fbf00fabaa2.jpg

Free counters!

Het zou allemaal begonnen zijn toen Columbus in 1492 met drie schepen koers zette naar het westen. Maar, volgens Hansen deed de globalisering al veel eerder haar intrede.In het jaar 1000 werd bv. Stefanus I, vorst van de Magyaren, gekroond tot de eerste koning van Hongarije, en veroverden Zweden en Denemarken allebei een deel van Noorwegen. Op het Congres van Gniezno ontmoetten keizer Otto III en Boleslaw I van Polen elkaar, waardoor de Poolse staat werd erkend. De Engelsen onder koning Ethelred II staken over naar Normandië, maar werden teruggeslagen. Er werd vrede gesloten en bruiloft gevierd. Ethelred huwde nl. met de Normandische prinses, Emma. Ondertussen landde de Viking, Leif Eriksson, in Noord-Amerika en zette voet op Helluland, Markland en Vinland. In Europa geloofden velen die niets deden, dat de wederkomst van Jezus in of rond dit jaar zou plaatsvinden…

Valerie Hansen laat in haar boek, “The Year 1000: When Explorers Connected the World—and Globalization Began”, zien hoe er rond het jaar 1000, op verschillende plaatsen ter wereld, grote expedities opgetuigd werden. Hoe de Vikingen hun weg vonden naar Noord-Amerika, hoe de islam zich verspreidde naar Zuid-Europa en oostwaarts richting India en hoe de Chinezen met grote schepen het ruime sop kozen. Internationale handel kwam op gang, uitwisseling van producten en ideeën hield velen bezig – voor het eerst maakte men zich zorgen om de gevolgen voor de plaatselijke economie en het behoud van ‘het eigene’. Hansen laat ons zien hoe de continenten met elkaar in contact kwamen.

In 221 v.Chr. werd het land dat we nu kennen als China, verenigd onder de eerste keizer, Qin Shi Huangdi (wat ‘Eerste keizer van de Qin’ betekent), die de Qin-dynastie stichtte. Tijdens de Han-dynastie (206 v.Chr.-220 n.Chr.) werd het rijk uitgebreid tot in Korea, Vietnam en Centraal-Azië. Hierna volgde een periode van verwarring, waarin een van de rustpunten de Tang-dynastie (618-907) was. Onder de keizers van deze dynastie werd onder andere het examenstelsel ingevoerd, waardoor ook niet-adellijke personen hoge posities konden bereiken. Vanaf de 9de eeuw nam de macht van de keizer toe en verplaatste het economisch centrum zich naar het zuiden. Marco Polo zou China hebben bezocht rond 1280, toen hier de Mongoolse Yuan-dynastie aan de macht was. Onder de Ming-keizers (1368-1644) werd meer nadruk gelegd op de eigen Chinese waarden en werd de invloed van buitenaf geweerd. Op meeslepende wijze beschrijft Valerie Hansen het groot verhaal van de ontdekking van de wereld. Valerie Hansen heeft haar verhaal verdeeld over 8 hoofdstukken:

  1. De wereld in het jaar 1000, een overzicht 
  2. Westwaarts, dappere Vikingen! 
  3. De pan-Amerikaanse verkeerswegen van het jaar 1000 
  4. Europese slaven
  5. De rijkste man ter wereld
  6. De splijting van Centraal-Azië
  7. Verrassende reizen
  8. De meest geglobaliseerde plek op aarde

Valerie Hansen is als professor verbonden aan Yale University, waar zij zich gespecialiseerd heeft in de Chinese en de wereldgeschiedenis. Eerder publiceerde zij het veelgeprezen boek The Silk Road.

Bron: stretto.be

Recensie door J.H.M.J. Busio:

Het huidig nieuws wordt beheerst door de overwegend negatieve gevolgen van globalisering. Zowel economie, politiek, klimaat en gezondheid zijn internationaal met elkaar verweven en voordelen voor de een blijken vaak nadelig voor de ander. Lang werd gedacht dat deze ontwikkeling begon met de Europese ontdekkingsreizen en kolonisatie, maar dat blijkt niet te kloppen. Rond het jaar 1000 bleken overal op de wereld al diplomatieke en economische betrekkingen te bestaan en werden handelsroutes van duizenden kilometers over land en zee geexploiteerd. Erg confronterend te lezen dat slavenhandel overal big business was. Dit boek combineert inzichten uit de archeologie met reisverslagen, wetgeving en legendes en bewijst dat de wereld 1000 jaar geleden al direct en indirect met elkaar in verbinding stond. Een stoet aan koningen, kooplieden en krijgsheren komt in aanstekelijke vaart voorbij en maakt de lezer nieuwsgierig naar meer. Om die reden bevat dit boek naast een literatuurlijst ook een katern met reistips. Daarnaast veel kaarten en illustraties in z/w en kleur.
 

Het jaar 1000
De ontdekking van de wereld
Valerie Hansen
Uitgever: Thomas Rap
€24,99 - 416 bladz. 


Besmettelijke ziekten zijn van alle tijden en hebben in de geschiedenis op meerdere momenten een belangrijke rol gespeeld. Bekend zijn massamoordenaars als cholera, de Spaanse Griep (1918-1919), meer recent de ebola-uitbraak en, uiteraard, de grote pestepidemie tussen 1347 en 1352. Over deze laatste pandemie, de grootste pestepidemie uit de Europese geschiedenis, is de tweede druk – van een eerder in 2014 uitgebrachte – heldere monografie verschenen van sociaal-geograaf M. Boshart, De pest in Europa 1347-1352. Geschiedenis van een epidemie (Aspekt, 2016).
 
De pest was een van de grootste massamoordenaars ooit en veroorzaakte de dood van ongeveer een derde van de Europese bevolking rond het midden van de veertiende eeuw. Wereldwijd maakte de pest een geschatte 75 tot 100 miljoen dodelijke slachtoffers. In Europa duurde het tot ongeveer het jaar 1600 voordat het bevolkingspeil van begin veertiende eeuw weer bereikt was.
Boshart besteedt aandacht aan alle facetten van de pest, zoals de geografische oorsprong van de pest, de verschijningsvormen van deze epidemie, preventie en genezing en de rol van artsen (van wie velen vluchtten of zelf stierven). De verspreiding van de pestepidemie door Europa – met speciale aandacht voor de Lage Landen – komt aan bod. En verder de demografische, politieke, religieuze en ecologische effecten van deze wereldwijde ramp. Ten slotte gaat de auteur in op de directe gevolgen van de Zwarte Dood voor de Joodse bevolking, die te maken kregen met keiharde vervolging, en de bloei van religieuze bewegingen zoals als de flagellanten (de geselbroeders).
 
De pest in Europa 1347-1352 is vlot en toegankelijk geschreven. Het boek is voorzien van annotaties en een beknopte literatuurlijst. Illustraties ontbreken.
 
De pest in de geschiedenis
 
De auteur opent met een kort hoofdstuk waarin de belangrijkste epidemieën en pandemieën (wereldwijde epidemieën) uit de geschiedenis aan bod komen. Zo komen in de Bijbel al epidemieën voor die heel goed op de pest kunnen slaan, zoals in de Bijbelgedeelten 1 Samuël 4-6, 1 Koningen 8:37, 2 Kronieken 6:28, Jeremia 21:6-10 of Ezechiël 6:12.
 
De epidemie de tijdens de Peloponnesische Oorlog de stad Athene teisterde, in de jaren 430-429 v.Chr., was misschien ook een pestepidemie. Toch wijzen bij deze uitbraak, aldus auteur Boshart, de meeste symptomen op tyfus en niet op de pest. Zekerder is dat Rome en omliggend gebied in de tweede en derde eeuw na Christus te maken kreeg met een grote pestuitbraak. Hierdoor stierf een kwart van Romes bevolking. Deze epidemie beschouwen veel historici als een van de deeloorzaken van de neergang en later ondergang van het West-Romeinse Rijk.
 
Andere grote epidemieën die Boshart uitlicht zijn de zogenoemde Juliaanse Epidemie (541-767) in het Oost-Romeinse Rijk. Verder een pestuitbraak in India in 1031, een pandemie die eind negentiende eeuw om zich heen greep in China en Zuidoost-Azië en natuurlijk de Spaanse Griep in de jaren 1918 en 1919.
 
‘Zwarte Dood’: onjuiste benaming
 
Heel aardig is de aandacht die Boshart besteedt aan het begrip ‘Zwarte Dood’, een term die vermoedelijk abusievelijk is ontstaan door een vertaalfout. De term werd in de middeleeuwen helemaal geen Zwarte Dood genoemd, maar artsen noemden deze pestis, of pestilentia. Hoewel veel zieken zwarte puntjes of vlekken kregen, werd ‘Zwarte Dood’ in de middeleeuwen dus niet als term gemunt. Boshart vervolgt:

“De term Zwarte Dood duikt voor het eerst in de zestiende eeuw op in Zweden (1551, Swarta Doden), in de zeventiende eeuw in Engeland (Black Death), en wordt pas in de negentiende eeuw in algemene zin gebruikt. De meest voor de hand liggende verklaring voor de naam Zwarte Dood is een wat al te literaire vertaling van het Latijnse pestis atra of atra mors. De term atra kan zowel met ‘verschrikkelijk’ als met ‘zwart’ worden vertaald. De verschrikking van de epidemie kan makkelijk geassocieerd worden met zwart, zodat ‘zwart’ steeds meer de vertaling wordt van atra.” (8,9)

De pest in de Lage landen
 
Volgens veel historici moet de geografische oorsprong van de pest gezocht worden in Centraal-Azië. Sommigen stellen in China, anderen wijzen meer precies bij het Issyk Koelmeer in het huidige Kirgizië (onder de huidige Kazachstaanse stad Alma-Ata). Vanuit Centraal-Azië verbreidde de pest zich over de rest van het continent. In 1346 bereikte de pest het gebied van de huidige Krim. In oktober 1347 nam een Genuees schip afkomstig uit De Krim de pest mee naar het eiland Sicilië. Vanaf daar verspreidde de pest zich in de jaren erop via Italië over de rest van Europa.
 
In juni 1349 bereikte de pest het gebied dat wij tegenwoordig als België kennen. Daar, in de Zuidelijke Nederlanden, sloeg de pest even hard toe als elders. In de historiografie circuleerde nog lang, tot ongeveer het midden van de twintigste eeuw, de opvatting dat de pestepidemie…

“…zich in de Zuidelijke Nederlanden relatief rustig heeft gehouden en in de Noordelijke Nederlanden zelfs als een ‘marginaal verschijnsel’ beschouwd zou moeten worden.” (64)

De bronnen waarop deze historici, onder meer H. Van Werveke, zich baseerden, was beperkt. Vanwege een gebrek aan bewijs dat de pest zwaar huishield, trokken dit soort historici de conclusie dat het dus wel meeviel met de pestepidemie in de Lage Landen. Op basis van rekeningboeken van Hollandse graven toonde bijvoorbeeld historica Maria Kelly, in het boek The Great Dying (2003), dat ongeveer een derde van de Hollandse bevolking stierf. Dit blijkt uit de enorme inkomstendaling van graven in de jaren 1349 en daarna, die alleen logisch verklaard kan worden door een bevolkingsdaling als gevolg van de pest.
 
In The Black Death 1346-1353. The Complete Story (2006) trekt de Noorse historicus Ole J. Benedictow eenzelfde conclusie. Net als andere Europese plaatsen hadden Vlaamse steden flink te lijden onder de pest.
 
Pogingen tot preventie en genezing
 
Artsen stelden veel in het werk om de pest te stoppen. Uit de bronnen blijkt dat er – veelal tevergeefs – allerlei medicatie werd voorgeschreven, zoals azijn, knoflook, zure melk, Armeense bolus en pillen samengesteld uit aloë, mirre en saffraan. Zelf droegen de artsen, als ze hun werk aandurfden (waarover straks meer) vaak snavelmaskers met voorin een welriekende kruidenmix, die de dokteren tegen de pest moest beschermen.
 
Men paste nog meer methodieken toe. Onder koning Karel II van Engeland opende men tijdens de pestepidemie in Londen alle beerputten van de stad. Men hoopte dat de daaruit omhoogkomende walmen de pest zouden keren. Verder beschouwden artsen aderlaten als een goede oplossing om veronderstelde kwade stoffen in het bloed uit het lichaam te laten lopen, voordat de ‘giftige stoffen’ de organen zouden bereiken. Ook was de methode gangbaar om de builen open te snijden en te laten leeglopen, wat soms soelaas bood. Veel mensen geloofden dat de pest een straf van God was en dat boetedoening tot een ommekeer kon leiden. Om de bovennatuurlijke macht gunstig te stemmen, besloten ze tot zelfkastijding (flagellantisme), eindeloos bidden of men stopte het steenschraapsel van kerkingangen of kloosters in kleine zakjes die ze op hun borst legden. Dit alles in de hoop op genezing.

Zoals wel vaker bij grote rampen, stroomden de kerken vol en deden zich ineens overal wonderen voor:

“De pest wordt gezien als een straf van God, er zullen niet veel middeleeuwers zijn geweest die er een andere mening op na hebben gehouden. (…) De kerken lopen vol en de bevolking wordt door de geestelijkheid opgeroepen tot boetedoening nu het nog kan, tot het verbeteren van haar leefwijze in overeenstemming met Gods regels. Het aantal gerapporteerde wonderen, met de verschijning van Maria, huilende Mariabeelden en zwetende Christussen in de meerderheid, neemt sterk toe (…) Wat ook opvalt, is dat het geloof in demonen in de veertiende eeuw sterk toeneemt.” (122, 118, 125)

Het gedrag van artsen was vaak egoïstisch en weinig professioneel, zo concludeert Boshart. De kans om als dokter te overlijden was relatief groot door het vele contact met besmette mensen. Regelmatig sloegen artsen daarom op de vlucht, in plaats van anderen te helpen:

“In Perpignan [in het zuidoosten van Frankrijk] blijft van de acht artsen maar één in leven. Het is natuurlijk niet gezegd dat de andere zeven zijn overleden tijdens de uitoefening van hun functie. In Venetië kunnen we dat zeker niet zeggen: voor 1348 staan daar achttien artsen ingeschreven, na het verlopen van de pestgolf nog maar één. Wij weten dat vijf artsen aan de pest zijn bezweken, dus lijkt het niet vergezocht om te concluderen dat twaalf artsen, of twee derde van het bestand, veiligheid in de vlucht heeft gezocht.” (51)

Joden als zondebok
 
Aan de vooravond van de pestepidemie verbleven in Europa honderdduizenden Joden. Een derde van hen woonde in Spanje en Zuid-Frankrijk. De positie van de Joden kan het beste omschreven worden als ‘stateloos’, als ‘dienaren van de koning’ zonder dat de vorst daarvoor een wederkerige plicht tot bescherming had. De Joden woonden in essentie in grotere steden, maar vormden daar geen eersterangsburgers. De Joden – van wie ongeveer 95 procent arm was – mochten geen grond in eigendom hebben, geen militaire of bestuursfuncties bekleden en evenmin mochten ze lid worden van een gilde. Deze economische en sociale discriminatie leidde ertoe dat Joden vooral aan de slag gingen in de handel en de financiële wereld. De Joden kregen hierdoor het stempel van geldwolven en gierigaards.
 
Jodenvervolging was niet nieuw, maar kwam al eerder in de middeleeuwen voor, terwijl antisemitisme ook de christelijke oudvaders uit de late Oudheid niet vreemd was. Toen de pest in de late jaren 1340 uitbrak, leidde dat tot een sterke opleving van pogroms, lynchpartijen en vervolging. Boshart:

“Al in april 1348 vonden lynchpartijen plaats in de Zuid-Franse steden Toulon en La Baume, in mei gevolgd door pogroms in Narbonne en Carcassonne. Joden werden uit hun huizen gesleurd en in het openbaar verbrand.” (170)

De beschuldigingen die als argument voor de slachtpartijen werden aangedragen, betroffen samenzwering tegen de christenen door hen te willen vergiftigen, het vermoorden van christelijke kinderen en valsemunterij.
 
In totaal vonden in de jaren 1347-1352 in minstens 210 Europese dorpen en steden – mogelijk zelfs vierhonderd – massamoorden op Joden plaats, aldus historica Barbara Tuchman in De waanzinnige veertiende eeuw. Tussen november 1348 en januari 1349 vond in het Heilige Roomse Rijk een vervolgingspiek plaats, waarbij steden als Stuttgart, Memmingen, Lindau, Bazel, Freiburg, Augsburg, Neurenberg, München, Keulen en Erfurt gezuiverd werden van hun Joodse inwoners.
 
Ook in de Nederlanden waren de Joden niet veilig. Naast in Noord-Nederlandse steden als Utrecht, Zwolle, Tiel, Vught, ’s-Hertogenbosch en het hertogdom Gelre, raasde ook door de Zuidelijke Nederlanden een antisemitische woede:

“De pogroms en arrestaties van Joden beginnen [hier] in de vroege zomer van 1349 en aan het einde van dit jaar zijn nagenoeg alle Joden in Henegouwen al om het leven gebracht. In Brabant gaat het iets langzamer, maar in de loop van 1350 zijn in de meeste Brabantse steden de Joden toch wel vermoord. Ook Vlaanderen ontkomt niet aan de massamoord. ‘Anno Domini 1349 sloeg men de Joden dood’, vermeldt een chroniqueur en dit schijnt op een schaal te hebben plaatsgevonden die met die in Duitsland is te vergelijken.” (173)

M. Boshart (1940) studeerde sociale geografie aan de Universiteit van Amsterdam. Een groot deel van zijn werkzame leven was hij docent aan het Hogere Beroeps Onderwijs. Momenteel verdeelt hij zijn tijd vooral tussen het beheer van een antiquariaat en de historische aspecten van enge ziekten. Andere boeken van M. Boshart zijn o.a.: "De ziekte van Lazarus - Lepra in de middeleeuwen", "Bedevaarten in de middeleeuwen".
 
De pest in Europa 1347-1352 - Geschiedenis van een epidemie.
M. Boshart
€ 19,95 - 246 bladzijden.

 
Bron: Enne Koops, Historiek.net.

In de 12de eeuw was er het conflict tussen Pierre Abélard, die de wetenschap nieuwe wegen wees door de eis van rationele benadering, en Bernardus van Clairvaux, die alleen waarde hechtte aan religieus-intuïtieve kennis. Raoul Bauer ziet in zijn boek een overeenkomstige situatie met wat hij “de verweesde twintigste eeuw” noemt.

De 12de eeuw was een tijd vol creatieve vernieuwing en een periode waarin de botsing plaatsvond tussen twee invloedrijke denkers. De dialecticus Abélard benaderde de werkelijkheid rationeel, de mysticus Bernardus van Clairvaux hechtte alleen waarde aan religieus-intuïtieve kennis. Tussen beide genieën had het tot een vruchtbare dialoog kunnen komen, maar het liep uit op een regelrechte confrontatie. Bernardus beschuldigde Abélard van ketterij, waarna Abélard het zwijgen werd opgelegd. Maar diens zoektocht naar rationele kennis en waarheid bleef overeind. Geloof en rede, intuïtie en wetenschap werden voor eeuwen elkaars tegenpolen. “Dezelfde uitersten treden ook vandaag op”, schrijft Bauer.

De auteur meent dat het crisisgevoel dat onze tijd kenmerkt, te wijten is aan de “dictatuur van het rationalisme”, waardoor belangrijke geestelijke waarden worden onderdrukt. Dezelfde uitersten treden ook in onze tijd op. 

“De beschaving gebruikt haar immense kennis en haar groot technisch kunnen niet in dienst van, maar ten koste van de mens”, schrijft Bauer. “Hoe komt het toch”, zo vervolgt hij, “dat de mens deze wanorde niet onder controle krijgt? Dit ontspoord rationalisme heeft de werkelijkheid van mens en wereld naar zijn eigen formalistische en kwantificeerbare normen geplooid”. Zijn onderzoek en zoektocht naar de oorsprong van deze ontsporing bracht hem naar de 12de-eeuwse renaissance. Raoul Bauer trok een rechte lijn van dit conflict uit de 12de eeuw naar de cultuurcrisis van vandaag, en kwam tot een verrassend en controversieel inzicht.

Na het Woord vooraf “Omzien in onrust” en de Inleiding “Een ontmoeting met de twaalfde eeuw”, volgt een beknopt deel I “Een verweesde eeuw”, waarin Bauer het heeft over ‘Het beeld van een crisistijd en de dictatuur van het rationalisme’. In zijn deel II “Een actuele ontmoeting”, onderverdeeld in drie hoofdstukken, “De erfenis van een bewogen tijd”, “Bernardus’ bovenmenselijke kruistocht” en “Een geniale mislukking”, heeft hij het dan expliciet over Bernardus van Clairvaux versus Petrus Abelardus. Na inleidende beschouwingen over de Gregoriaanse hervorming, de kloosterhervorming en de Orde van Cîteaux, vertelt hij in zijn tweede, uitgebreid hoofdstuk over het leven en de boodschap van de legendarische abt van Clairvaux, behoeder van de kerk. 

Verder heeft hij het in dit hoofdstuk o.a. over een strijd tussen pausen (Innocentius II en de tegenpaus Anacletus II), ridders en mystieke beleving, de tweede kruistocht 1146-1148, en het conflict met Abelardus. Hierna is het de beurt aan het leven en werk Petrus Abelardus, de geniale leraar, monnik, filosoof en abt. Ten slotte gaat het in het hoofdstuk, “Een geniale mislukking” over het klooster, een school van nederigheid en liefde. Warm aanbevolen.

Raoul Bauer, historicus en doctor in de letteren, is emeritus hoogleraar cultuurgeschiedenis. Hij publiceerde eerder bij Sterck & Devreese “Karel de Grote” en “Niet meer blaffen naar de maan, Wetenschap, religie en magie in de vroege middeleeuwen.”, en bij Davidsfonds, “”Clovis in de schaduw van twee vrouwen”.

Raoul Bauer
De geniale mislukking van de middeleeuwen
144 bladz. uitg. Sterck & Devreese 

 
Bron: Michel Dutrieue, Stretto – Magazine voor kunst, geschiedenis, literatuur en muziek (stretto.be).

Recensie door J.H.M.J. Busio:

Onze huidige samenleving is het product van doorgeschoten rationaliteit en efficiency, met funeste gevolgen voor de menselijke waardigheid en vrijheid. Raoul Bauer wijt deze ontwikkeling aan de religieuze onthechting die de westerse mens sinds de renaissance en verlichting heeft beleefd. De oorsprong ligt volgens hem in de twaalfde eeuw toen de strijd tussen rede en geloof op het scherpst werd gevoerd tussen de filosoof Abelard en de mysticus Bernard van Clairvaux. Dit dispuut had een toekomstbestendige synthese kunnen opleveren, maar het onwrikbare Godsbeeld van Bernard kwam als winnaar uit de bus. Deze gemiste kans vormt volgens de schrijver de geniale mislukking van de middeleeuwen. Zoals vaker levert Bauer een overdaad aan kerkgeleerden en theologische terminologie, die vragen om voldoende voorkennis bij de lezer. Het dispuut tussen Abelard en Bernard wordt min of meer als bekend beschouwd. De kerkhistorische benadering verhult ook geen moment de persoonlijke wens van de schrijver: een terugkeer naar een meer religieus bestaan. Interessant, maar moeilijk boek. Met notenapparaat.

Na "Karel de Grote" en "Clovis" heeft Raoul Bauer een nieuw boek geschreven, waarin hij ons meeneemt naar de vroege middeleeuwen en aantoont dat de wondere wereld van de middeleeuwer gevuld was met magische gebeurtenissen, godsvruchtige vereringen én wetenschappelijke inzichten.
 
Bauer stelt zichzelf vragen als: zijn er tussen wetenschap, geloof en magie waterdichte schotten te plaatsen? Is er een verschil tussen een wonderbaarlijk mirakel en een te mijden toverkunstje? Is de rede enkel te vinden in de wetenschap of speelt die ook een rol in religie en magie? Hoe stond de kerk tegenover wetenschappelijke bevindingen?
 
Hij vindt de antwoorden onder meer in de geschriften van de grote wetenschappers uit die tijd. We leren Isidorus van Sevilla kennen die een encyclopedie schrijft die eeuwenlang gebruikt wordt. Beda Venerabilis, dé wetenschapper bij uitstek van de achtste eeuw, onderzoekt mirakels, berekent de paasdatum en denkt na over het fenomeen van de getijden. Via de Karolingische renaissance komt Gerbert van Aurillac aan het woord, de paus-wiskundige van het "merkwaardige" jaar 1000.

Recensie (van clublid bernard-de-clairvaux):

De middeleeuwen werden lang beschouwd als een donkere overgangsperiode tussen de culturele bloeiperiodes van de klassieke wereld en renaissance. Het einde van het Romeinse rijk had funeste gevolgen voor de ontwikkeling van de wetenschap, maar toch zijn veel klassieke wetenschappelijke werken alleen overgeleverd dankzij de toegewijde studie en speurzin van middeleeuwse onderzoekers. Dit betrof religieuze gemeenschappen die in de studie van de natuur de grootsheid van de schepping en het geloof zochten. Dit leidde niet tot nieuwe inzichten, maar in combinatie met bronnen uit de Arabische wereld en Byzantium vormden hun werk de basis voor een nieuwe doorbraak tijdens de renaissance. De grenzen tussen religie, wetenschap en magie waren overigens vaag, mede omdat nog niet heel Europa gekerstend was. Aangezien de wetenschap vooral een kerkelijke aangelegenheid was, blijft dit boek vooral een inleiding in kerkhistorie. De hoeveelheid namen van kerkvaders, bisschoppen en monniken doet daarbij soms duizelen. Met literatuuroverzicht, noten en illustraties in kleur.

Interessant boek over religie, magie en wetenschap in de vroege middeleeuwen dat echter vooral blijft hangen bij kerkhistorische onderwerpen.
 
Interview met Raoul Bauer in Trouw (10 december 2019, Bas Roetman):
 
Wat zijn de verschillen tussen wetenschap, religie en magie? Op die vraag had de middeleeuwse mens geen antwoord kunnen geven, schrijft de Vlaamse cultuurhistoricus Raoul Bauer. Hij vindt dat de moderne mens nog wat van de middeleeuwers kan leren: “We hebben te weinig eerbied voor het mysterie”. In zijn laatste boek, ‘Niet meer blaffen naar de maan’, richt Bauer zich op het denken over religie, magie en wetenschap in de vroege Middeleeuwen (500-1000). Want: in tegenstelling tot de 21ste eeuw liepen die drie zaken in de Middeleeuwen volledig door elkaar. Het boek staat bol van de spannende verhalen over oude rituelen, tovenaars, mirakels en heiligen.
 
“Ik wilde een dieper beeld krijgen van de middeleeuwse mens”, steekt Bauer van wal. “Dat is geschiedbeoefening voor mij: een zoektocht naar het beter begrijpen van de mens. Ook filosofische vragen horen daarbij: hoe keek men aan tegen zaken zoals religie, ­wetenschap en magie? Die vraag is op dit moment extra interessant, want het lijkt erop dat de scheidslijnen tussen wetenschap en religie in onze tijd alsmaar scherper worden. In het Westen rukt het wetenschappelijk denken op, ten koste van traditionele religies. Ik heb in mijn boek doelbewust gekozen om wetenschap, religie en magie niet apart te beschrijven, want dat deden de middeleeuwers ook niet. Zo krijg je een totaalbeeld.”
 
Hoe keek men in de Middeleeuwen aan tegen religie en wetenschap? Waren die met elkaar in strijd?
Kenmerkend voor het hele middeleeuwse denken is dat alles gebeurt in het perspectief van de eeuwigheid: het gaat om het leven na de dood, het hiernamaals. Dat wil niet zeggen dat men het aardse helemaal uit het oog verloor. Het doel van ‘aardse’ kennis, wat wij nu wetenschap zouden noemen, was zowel praktisch als existentieel. Monniken moesten bijvoorbeeld iedere ochtend, middag en avond op vaste tijden hun gebeden opzeggen, dus het was daarbij heel handig om kennis te hebben van de hemellichamen. Daar gaat het dus puur om praktisch nut. Maar er was ook een dieperliggend doel van kennisvergaring, want door de schepping beter te begrijpen kon je dichter bij de Schepper komen. Door het zichtbare te observeren, hoopte men tot het onzichtbare te komen, tot kennis over God.
 
Zag men ook onderscheid tussen de ­ratio en het geloof in het hogere?
Nee, dat onderscheid bestond niet. Wij spreken over de ratio als iets dat los staat van het geloof, maar dat was toen niet aan de orde. Men zag dingen, en men begon daarover na te denken. Dat nadenken gebeurde altijd in functie van de zoektocht naar de Schepper. Pas later, in de veertiende eeuw, werd die relatie tussen aan de ene kant geloof en aan de andere kant het rationele denken een thema. Voor die tijd hadden de meeste Europeanen een ­essentialistisch wereldbeeld: alles was een afspiegeling van de goddelijke werkelijkheid. Dat beeld begint te kantelen met de Engelse filosoof Willem van Ockham (1288-1347). Het nominalisme deed toen zijn intrede, een filosofie die de wereld uiteen liet vallen in verschillende afzonderlijke fragmenten. De stukken op zich werden belangrijk. Voor de ontwikkeling van de ­wetenschap was dat natuurlijk een goede zaak, maar de prijs was hoog: de ­zekerheid van die alomvattende wereld waarin men zo lang gerust had, viel weg. Men ging wanhopig op zoek naar een nieuw houvast.
 
Religie en wetenschap liepen dus in ­elkaar over. Hoe past magie in dat ­geheel?
Magie staat op het kruispunt van ­gelovig en wetenschappelijk denken. Het bovennatuurlijke grijpt in op het ‘normale’ verloop van de wereld. In de vroege Middeleeuwen was het woord ­‘magie’ vooral een negatief woord, dat verwees naar duivelse ­krachten en ­rituelen. Astrologie was bijvoorbeeld ­uiterst verwerpelijk. Het idee dat ­sterren invloed zouden kunnen hebben op het menselijk gedrag druiste zo in ­tegen het idee van de vrije wil, dat men daar niets mee te maken wilde hebben. Maar niet alle onverklaarbare zaken waren per se van de duivel. Er gebeurden ook mirakels: die waren afkomstig van God, en dus prijzenswaardig. Het onderscheid tussen heidense toverkunsten en goddelijke mirakels is ontzettend arbitrair. Dat zie je bijvoorbeeld bij de heilige Columba, die in Schotland het evangelie wilde verspreiden. Hij raakte daar verwikkeld in een strijd met een lokale druïde, waarbij de beide heren ­allerlei toverkunsten opvoerden: wat de druïde allemaal deed, wordt in de geschriften bestempeld als heidense, duivelse ­magie, maar wat Columba deed was een goddelijk mirakel.

Het is ook net zo goed onmogelijk om duidelijke scheidslijnen aan te ­brengen tussen wetenschap en magie. Neem bijvoorbeeld Beda Venerabilis (672-735), die een prachtig historisch werk over Engeland schreef. Zijn bronnenlijst staat vol met mirakels. Ondergraaft dat de wetenschappelijkheid van zijn benadering? Ik vind van niet. Elke wetenschappelijke geschiedschrijving, ook nu, moet uitgaan van bepaalde structuren, verbanden die op dat ­moment gangbaar zijn, anders praat je een onbegrijpelijke taal. Dat gold ook voor Beda.
 
In het boek citeert u Heino Falcke, hoogleraar radioastronomie aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Hij zegt: “We raken nooit dichter bij het begin van alles. In die zin is de ­moderne natuurkunde niet anders dan de theologie van de Middeleeuwen, toen er ook heel diepzinnige vragen werden gesteld zonder dat er antwoorden ­kwamen.”
De middeleeuwers stelden vragen aan het heelal, maar ze kregen niet de volledige antwoorden. Wij staan er nog altijd op dezelfde manier in. We kunnen wat specifiekere vragen stellen, dat is waar, maar het definitieve, laatste antwoord over de aard van het universum krijgen wij ook niet. Dat wordt mooi geïllustreerd in het verhaal over de zeetocht van Sint Brandaan, uit de negende eeuw. Ergens op zee komt hij een jongen tegen die op een blaadje ronddrijft. In zijn linkerhand heeft hij een kommetje en in zijn rechterhand een griffel, die hij in het water steekt en laat uitdruppen in het kommetje. Brandaan vraagt het jongetje wat hij aan het doen is, en het jongetje antwoordt: ‘Ik ben de zee aan het meten.’ Brandaan zegt tegen het jongetje: ‘Maar jongen toch, daar komt toch nooit een einde aan?’ ‘Klopt’, antwoordt de jongen, ‘en op dezelfde manier ben jij ook nooit in staat om alles te weten’. Dat is een les in nederigheid. Het verhaal zegt ons dat we nu eenmaal als mens beperkt zijn in onze vermogens. Daar zijn we ons in deze tijd minder ­bewust van.
 
Moeten we misschien wat minder ­neerkijken op de middeleeuwse mens?
Dat de middeleeuwse mens achterlijk zou zijn geweest, is kletspraat. Als hier morgenmiddag een potvis aanspoelt zie je heel Vlaanderen naar de kust trekken om te gaan kijken. Dat is precies hetzelfde als in de twaalfde eeuw. De middeleeuwers waren mensen zoals u en ik, die hebben moeten leren met vallen en opstaan. We kunnen de valse indruk krijgen dat we door ons technisch kunnen het mysterie kunnen oplossen. Misschien hebben de middeleeuwers wat te veel eerbied gehad voor het mysterie, maar wij hebben er te weinig eerbied voor.
 
Raoul Bauer
NIET MEER BLAFFEN NAAR DE MAAN 

Religie, magie en wetenschap in de vroege middeleeuwen
Pagina's: 256 - Prijs: € 25,-

Over middeleeuwse vrouwen zijn veel minder bronnen te vinden dan over mannen. Desalniettemin maakt Luit van der Tuuk in 'Lof en laster' duidelijk dat vroegmiddeleeuwse vrouwen veerkrachtig, vindingrijk en bekwaam waren. Bovendien waren ze in staat (politieke) macht, kennis en creativiteit buiten de huiselijke sfeer uit te oefenen. Van der Tuuk reconstrueert in dit boek de levens van adelijke en gewone vrouwen. Op basis van archeologisch bewijs en geschreven bronnen ontstaat het beeld van krachtige vrouwen, in een periode waarin de macht van de kerk voortdurend toenam. 

Hieronder een fragment over 'Transmannen' uit het boek:

Personen die zich niet met hun aangeboren geslacht identificeren, worden tegenwoordig met het begrip transgender aangeduid. In vroegmiddeleeuwse bronnen komen we daarvoor geen equivalent tegen, laat staan dat gradaties als crossdressing of androgynie benoemd werden. Dat kunnen we, als het meezit, slechts uit de context opmaken.

In de vroegmiddeleeuwse tribale samenleving werden mannen die zich vrouwelijk voelden en zich zo manifesteerden, als úmegð beschouwd en op een smadelijke wijze als ‘verwijfd’ bestempeld. Zij ontmoetten over het algemeen veel meer afkeuring dan vrouwen die als man door het leven gingen. Die werden weliswaar als onhandelbaar en koppig beschouwd, maar uit Scandinavische teksten kunnen we afleiden dat deze vrouwen, die ook wel karlkonur (manwijven) genoemd werden, desondanks maatschappelijk geaccepteerd waren. Onder kerkelijk regime kwam daar verandering in en werden ook transmannen, degenen die als vrouw geboren waren, maar zich met mannen identificeerden, als verdorven gehekeld. Volgens het Bijbelboek Deuteronomium mag een vrouw geen mannenkleren dragen, zoals een man ook geen vrouwenkleren mag aantrekken. Althans, dat hebben latere vertalingen ervan gemaakt. In de oorspronkelijke Hebreeuwse redactie lijkt geen sprake van kleding, maar eerder van uitrusting in het algemeen.
 
De meeste vrouwen die zich als mannen identificeerden, zullen onder maatschappelijke druk de beleving van hun genderidentiteit verbloemd hebben en zich voor de buitenwereld als vrouw gedragen hebben. Van zulke latent transmasculiene personen komen we maar weinig te weten. Alleen als ze zich afwijkend van de norm gedroegen, werd dat door de kerk als zondig verworpen en een enkele keer als zodanig op schrift gesteld.
 
Er deden verhalen de ronde over mythische schildmaagden, onafhankelijke, krijgshaftige vrouwen die regelmatig op het slagveld te vinden waren. Ze waren gewelddadig, kleedden zich als mannen en hanteerden wapens. Kortom, het waren ruwe types die zich gedroegen op een manier die als uitgesproken masculien getypeerd kan worden. We komen hen tegen in verhalen van Germaanse volken, zoals de Goten en de Marcomannen.

De beroemdste schildmaagd is Brunhilde (in het Oudnoords Brynhildr) die in de overlevering een belangrijke positie inneemt, omdat haar belevenissen zowel in verschillende Scandinavische verzen uit de Edda, zoals de Völsunga saga, als in het continentale Nibelungenlied zijn terug te vinden. Haar geschiedenis is gebaseerd op mythische verhalen die stammen uit een vroege orale traditie. Brunhilde hield een zwaard in haar hand, had een helm op haar hoofd en droeg een maliënkolder.

Haar aanbidder Sigurd maakte haar het hof, maar zij wees hem af.

‘Het lot wil niet dat wij ons leven delen. Ik ben een schildmaagd en ik draag net als krijgsheren een helm. Ik sta hen bij en ik ben niet afkerig van oorlog voeren.’

Zij voegde hem ook nog de opmerkelijke woorden toe dat het niet verstandig is een vrouw te vertrouwen, omdat die voortdurend hun belofte breken. De bepantserde en zwaardvechtende Brunhilde die haar tegenstander volgens de Völsunga saga in de strijd versloeg, kleedde zich niet alleen als een man, maar gedroeg zich ook mannelijk en praatte zelfs als een man. In haar hele doen en laten vertoonde Brunhilde de eigenschappen van een transman.

Zij verbleef als een gewapende krijger in een versterking en niet als een huisvrouw in haar eigen huiselijke omgeving. Dit alles druist in tegen elke conventie hoe een vrouw eruit zou moeten zien en hoe zij zich diende te gedragen. Brunhilde werd bovendien beschreven als een Walkure, een mythische vrouw die naar de slagvelden vloog om de dapperste gesneuvelde strijders voor het hemelse hiernamaals uit te kiezen.

Naast legendarische schildmaagden als Brunhilde zijn er ook historische getuigenissen opgetekend over vrouwen die aan een gewapende strijd deelnamen. Ze lijken gemodelleerd naar de Amazones uit de klassieke oudheid, mythische vrouwen die al volgens de Griekse Iliad in de Trojaanse oorlog meevochten.
 
In Slowakije werden zestien vrouwengraven van de Avaren uit de zevende en achtste eeuw gevonden, waarin typische vrouwenzaken ontbraken. De doden waren met paarden begraven, een typerend grafgebruik voor mannelijke strijders. We zagen al dat er in Engeland en Scandinavië vrouwen met wapens werden begraven. Daarmee komt de vermelding van Paulus ‘de Diaken’ over Amazones in de betekenis van strijdende vrouwen misschien niet geheel uit de lucht vallen.
 
Verhalen over strijdlustige vrouwen zijn uit verschillende delen van Noordwest-Europa bekend. Romeinse auteurs verhaalden over vrouwelijke krijgers op de Britse eilanden, zoals de Keltische koningin Boudica die in de eerste eeuw van onze jaartelling aan het hoofd van een Britse legermacht tegen de Romeinse bezetters streed. Voor de veldslag sprak zij haar troepen toe. Zij wilde haar vrijheid terugwinnen en wraak nemen op de Romeinen die haar gegeseld hadden en haar dochters verkracht.

De Byzantijnse geschiedkundige Procopius verhaalde van een Angelsaksische prinses die in de vroege zesde eeuw als kind was uitgehuwelijkt aan Radigis, een koningszoon van de Warnen uit het gebied van de Rijnmonding. Kort voor zijn dood koos de koning een andere bruid voor zijn zoon, waarop de overzeese verloofde van de prins furieus met een gewapende vloot de Noordzee overstak. Volgens Procopius voelde zij zich door haar verloving als het ware ontmaagd. Het ‘eilandmeisje’ versloeg de Warnen, nam Radigis gevangen en dwong haar afvallige bruidegom alsnog met haar te huwen.

In Engeland komen we later Aethelburg tegen, de stoutmoedige gemalin van de koning van Wessex, die in 722 het door haar echtgenoot gebouwde fort Taunton verwoestte om te voorkomen dat het door opstandelingen zou worden ingenomen.
 
De oorlogszuchtige mythische Macha Mong Ruadh (Macha ‘de Roodharige’) was de enige vrouw in de lange lijst van Ard-Rí (Hoge Koningen) van Ierland. Na de dood van haar vader wilde zij hem opvolgen, maar werd daarvan door haar achterneven Díthorba en Cimbáeth weerhouden. Macha nam eigenhandig de wapens tegen hen op en doodde Díthorba. Daarna dwong zij Cimbáeth met haar te huwen. Ten slotte versloeg zij de zonen van Díthorba en dwong hen aan haar fort mee te bouwen. Macha heerste 21 jaar, totdat ze door een andere hoge koning gedood werd.
In een ander Iers verhaal uit de kroniek De oorlog van de Ieren tegen de vreemdelingen vinden we de onverschrokken vrouw die we kennen als Inghen Ruadh (de Rode Maagd). Zij was in de tiende eeuw aanvoerster van een bende Vikingen, plunderende Noormannen die tegenwoordig met het toppunt van machogedrag geïdentificeerd worden. Zij viel het Ierse koninkrijk Munster binnen en had de moorddadige reputatie dat zij geen krijgsgevangenen maakte. Inghen Ruadh zou als meedogenloze Viking nog lang een legendarische naam houden.

Er zijn in dit soort verhalen zo veel woeste en heerszuchtige vrouwen te vinden dat het onaannemelijk is dat die allemaal op fantasie berusten. Tijdgenoten lijken niet verwonderd te zijn geweest over de krijgshaftige vrouwen die ze beschreven, en dat is nog van groter belang dan dat ze hen überhaupt noemden. Het betekent dat zij niet erg uitzonderlijk waren.

Hoewel er naast de genoemde Angelsaksische en Ierse voorbeelden overal verhalen over deze onbevreesde vrouwen voorkomen, zijn ze vooral bekend uit het niet of slechts marginaal gekerstende Scandinavië. Uit het Tweede lied van Helgi de Hundingdoder blijkt dat vrouwen in het noorden als Viking aan de strijd deelnamen:

‘Vroeger vloog zij hoog in de wolken en vocht met het zwaard als een Viking.’

Een vrouw onder de Vikingen was voor de IJslandse toehoorders van deze vertelling niet ongewoon. We komen verschillende van dit soort verwijzingen in Scandinavische saga’s tegen.
 
Vrouwen die vanwege hun genderidentiteit hun vrouwelijkheid ontkenden en een mannelijke rol aannamen, deden er vanzelfsprekend alles aan om aan een huwelijk te ontkomen. Soms gingen zij het avontuur aan, zoals de Scandinavische prinses Alvild die mannenkleren aantrok en een leven als woeste zeerover begon. Nadat zij meerdere gelijkgestemde jonge vrouwen in haar bende had opgenomen, kwam zij bij toeval op een plek waar een stel rovers rouwden om hun gestorven hoofdman. Ze kozen Alvild tot hun nieuwe aanvoerster, waarna zij optrad op een manier die ‘de dapperheid van een vrouw te boven ging’.
 
De maagd Stikla trok weg uit haar vaderland Noorwegen, omdat zij zich liever in het krijgsbedrijf dan in het huwelijk wilde bekwamen. Samen met haar wapenzuster Rusila leidde zij een piratenleven. Ze vielen schepen aan en plunderden havenplaatsen in Scandinavië en de Britse eilanden. Uiteindelijk zou Stikla tot tevredenheid van de auteur van hun belevenissen toch huwen, want volgens hem paste het een vrouw niet om het huwelijk te ontlopen.
 
Bron: Luit van der Tuuk, historiek.net

Welkom bij Clubs!

Kijk gerust verder op deze club en doe mee.

Wat is dit?


Of maak zelf een Clubs account aan:


Aanbevelingen door leden:

bernard-de-clairvaux starstarstarstarstar

Een geweldige community over de middeleeuwen in al haar facetten. Boeken, tentoonstellingen, steden en discussies met diepgang en humor. Een Vlaams-Nederlandse samenwerking van historisch niveau!