Kunst en cultuur van de middeleeuwen

- Welkom op deze club over de middeleeuwen -

ehrenritter.gifIn deze club volgen we het nieuws over de middeleeuwen en discuteren we er over op het forum of blog: nieuwe inzichten en analyses, boeken en internetberichten, tentoonstellingen, films en TV-series, strips, levende geschiedenis en re-enactment en last but not least, de reisverslagen van onze clubleden. Kortom elk evenement dat ook maar een link heeft met de middeleeuwen krijgt een plaats op deze club. Het kan dus ook een persoonlijke belevenis of ervaring zijn van een clublid of gast, daarvoor dient vooral het 'Forum'. Op de blogberichten kan je ook je reacties kwijt. Naast het vele nieuws heb je ook nog de talrijke videoclips die je vindt in 'Videoalbums' en enkele links. Kortom, ben je in geschiedenis geïnteresseerd en meer bepaald in de periode van de middeleuwen, maak je kosteloos lid en doe mee of geniet.

5_1.pngD
e naam van de club verwijst naar het boek De Kathedralenbouwers van de franse historicus G. Duby: de middeleeuwers waren immers bij uitstek kathedralenbouwers. Dit boek heeft mij begeesterd en het middeleeuwse vuur wakkerde voor eeuwig aan door "De naam van de Roos" van de erudiete Umberto Eco.

Je vindt "Kathedralenbouwers" ook op Scoop.it!.  Plaatjes over de middeleeuwen vind je op Pinterest - middeleeuwen.

De periode voor de middeleeuwen, namelijk de Prehistorie en de Oudheid, wordt behandeld in de club
"Van Prehistorie tot Middeleeuwen".

Ben je een toevallige gast?
Wordt gratis lid, of laat iets horen op het forum of mail de eigenaar van deze club op calamandja@yahoo.com.

eric-enide-e1391725330308.jpg

Reeds sedert 2008 organiseert de club Kathedralenbouwers quasi jaarlijks een clubbijeenkomst. (weliswaar onderbroken tijdens de coronaperiode 2019-2021)
Na Utrecht (2008 & 2019), Brugge (2009), Delft (2010), Zutphen (2011), Kortrijk (2012), Bergen op Zoom (2014), Mechelen (2015), Deventer (2017), Tongeren (2018), Brussel (2022) is de twaalfde clubdag in 2022 doorgegaan in Gouda. Hieronder vind je het verslag van de laatste 
clubdag in Gouda, opgesteld door clublid Antonius en nagezien door clublid Bernardus.

 

De Meteo van zaterdag 24 september om 06:20 uur geeft grijs en druilerig weer met een temperatuur tussen de 13 en 17 graden Celsius. Verscheidene Bouwers zijn al uit de veren, of zelfs al op weg naar Gouda, stad aan de samenvloeiing van Hollandse IJssel en de Gouwe en doel van de tweede  Bouwers-ontmoeting van 2022, en de 12e sedert 2008. Brussel stond in mei op het programma.

Gouda ontving in 1272 van Floris V stadsrecht. In de 14de eeuw was het een heerlijkheid, onder meer in bezit bij Jan van Beaumont en Jan en Guy van Blois. Het was een handelscentrum: er werd tol geheven van schepen die soms verplicht waren de vaarroute  langs Gouda te nemen. Deze route door de Hollandse binnenwateren was veiliger dan de vaarroute over zee.

Bekendste monumenten zijn de Grote of St.-Janskerk, een laat-gotische kruisbasiliek met verdubbelde zijbeuken, herhaaldelijk herbouwd en vergroot, het laat-gotische Stadhuis (1450-1452) en De Waag (begonnen in 1668; P. Post). In 1514 had Gouda meer dan 20.000 inwoners en ze had tot 1795 zitting in de Staten van het gewest, als een van de zes grote steden van Holland.

We zouden het allemaal en nog meer tegenkomen in het programma dat Marjoke en Hans hadden voorbereid. Om 10:00 uur werd verzameld in Café Gouds Glas aan de Markt. Bij de ontmoeting was er vooral aandacht voor de ster-leden die door omstandigheden er niet bij waren, doch die door warme groeten en Apps over en weer er wel bij waren: Lucy, Marie-Christine, Marjoke en ridder Johan. In 2023 zouden we weer voltallig moeten zijn. We keken elkaar eens diep in de ogen en waren na de tassen koffie klaarwakker voor de dag.        

Om 10.40 uur klopten we aan bij de Kamphuisen Siroopwafelfabriek voor een leuke, leerzame en lekkere excursie. De siroopwafel is vanaf 1810 een specialiteit uit Gouda, weliswaar met Duitse roots. Na een dia-presentatie een heus bezoek aan de bakkerij, de trap op naar de kluis met het verzegelde recept. Daarna in de koker-glijbaan weer terug naar de grond.

Rond half twaalf wandelden we langzaam naar het waterfront van de Hollandse IJssel voor ons lunchadres. Eerste halte was de Donkere Sluis, mede als eerbetoon aan de Van Rossems die zo’n mooi tv-portret van Gouda maakten. Via de Oosthaven – langs het sterfhuis (29 october 1590) van literator Dirck Volkertsz Coornhert – en de Korte Noodgodsstraat naar de Barbaratoren aan de Kuiperstraat leidt het pad en dan via het Raam naar Museumhaven Gouda, gelegen in de kolk achter de Mallegatssluis.

De museumhaven ligt vol varend erfgoed - zoals de klipper Johanna - van de vroegere Nederlandse binnenvaartvloot, met van die prachtig grote zwaarden om de drift te beperken. Maar… aan de haven lagen ook onverwachte schatten voor geo-cachers Vanessa en Nicolas.

De lunch in de authentieke sluiswachterswoning het IJsselhuis was voortreffelijk. Het Livar varken, kroketten en de bieren van Gulpen zijn de favorieten. We leerden bij dat in de vijftiende en zestiende eeuw de Vlaamse steden grote afnemers van het Goudse bier waren. Er waren maar liefst 200 brouwers in de stad. Wanneer de Gouwenaars te weinig bier leverden, klaagden de steden dat ze een groot gebrek aan bier hadden. Minstens zo interessant was het technisch college over het belang van keramische stenen en metselprecisie in het productieproces van de hoogoven.

Op de route naar de St.-Janskerk werden we herinnerd aan de Goudse jeugd van Erasmus: “Zotheid verlengt de jeugd en weert de ouderdom” stond op een gevel geschreven. We traden al vaker in zijn voetsporen tijdens bouwersdagen in Deventer, Bergen op Zoom en Brussel.  Langs Molen ‘t Slot gingen de stappen naar het Houtmanplantsoen om de restanten van het  kasteel van de heren van Blois te zien: een verdwenen kasteel is natuurlijk een dèja vu voor de Bouwers. Overigens kwamen we ook een voormalige watermolen tegen. Ondanks de continue inspanning om de stad droog te houden, vond men het blijkbaar logisch om water vanuit de IJssel terug de stad in te laten stromen om een watermolen aan te drijven. Nederlands waterbeheer om zijn smalst…what’s new?

Aan de Jeruzalemstraat had de twaalfkantige Jeruzalemkapel met zijn stergewelf uit steen zijn deur voor ons open laten staan. De kerk werd rond 1500 gebouwd door een priester die terugkeerde van een pelgrimage naar het Heilig Land.

De St.-Janskerk met zijn serie gebrandschilderde ramen van de gebroeders Crabeth is in vol ornaat. Er loopt onder de vlag 750 jaar Gouda, de tentoonstelling “Beleef het wonder van Gouda”. De Altaarstukken zoals die in 1570 in de kerk stonden zijn teruggeplaatst en in Museum Gouda konden we de Originele ontwerptekeningen (cartons) op rol bewonderen. Museum Gouda heeft ook ruimte gereserveerd voor de ambachtelijk producten van het Goudse plateel en de Goudse tabakspijpen.

Voor de borrel worstelden we ons door de kermis nog even naar het stadhuis, een Vlaams bouwproject uit de stal van het geslacht Keldermans. Ook de waag werd bewonderd, hoewel het feitelijk buiten de krijtlijnen van de middeleeuwen hoort. Het is een typisch product van de Hollandse 17de eeuw, ontworpen door Pieter Post.

De eerste borrel was een toast op de nieuwe boreling Imar, een telg van trotse Antonius. Ook andere persoonlijke zaken krijgen aandacht. Vanessa is geswitcht van job: van de stevige Zweedse auto-industrie naar de precisie van Amerikaanse medische apparaten en toestellen. 

Het diner bood voor ieder voldoende keus en een enkele bouwer waagde zich aan de Goudse kaas als smaakmaker bij hun gerecht. Het dispuut spitst zich toe op recente uitgaven over de belangwekkende periode tussen 500 en 1500: “Femina” van Janina Ramirez werd daarbij niet overgeslagen. En jahoor, dan gaat het ook weer over Hildegard van Bingen.

Het was weer een gezellige dag in een gemoedelijke stad. De bouwers kijken alweer vooruit en fantaseren over hun voldoende pelgrimage.

 

art_border_motif_01.jpgart_border_motif_01.jpgart_border_motif_01.jpg

Foto van de clubleden op de negende clubdag in Tongeren (2018):

Foto van de clubleden op de achtste clubdag in Deventer (2017):

Foto van de clubleden op de zevende clubdag in Mechelen (2015):

Foto van de clubleden op de zesde clubdag in Bergen op Zoom (2014):

Foto van de clubleden op de vijfde clubbijeenkomst in Kortrijk (2012):

IMG_0001.JPG

Foto van de clubleden op de vierde clubbijeenkomst in Zutphen (2011):

club2.jpg

Foto van de clubleden op de derde clubbijeenkomst in Delft (2010):

Clubleden Kathedralenbouwers in Delft

Foto van de aanwezige clubleden op de tweede clubbijeenkomst van de Kathedralenbouwers te Brugge op 18 april 2009.

cluppersbrugge(1).jpg

art_border_motif_01.jpgart_border_motif_01.jpgart_border_motif_01.jpg

 documents.gif 46a0f6cd59ecc242f3e84fbf00fabaa2.jpg

Het ooit roemrijk graafschap Holland werd in de 14de eeuw bestuurd door graven uit het huis Henegouwen en later uit het Beiers huis Wittelsbach. Henk ’t Jong beschreef hun geschiedenis.

Het graafschap Holland was tot ongeveer 1100, het graafschap West-Frisia (Texel, Wieringen, Medemblik en Kennemerland, Rijnland, de Maasmonding, Schouwen en Walcheren). Floris II was de eerste graaf die zich graaf “van Holland” mocht noemen, daarvoor werden zij ‘Friese graven’ (comes Fresonum) genoemd. Het graafschap Holland werd nl. gesticht door Floris II. De Gerulfingen, naar Graaf Gerulf (ca. 850-898/914), was de naam van de familie van de eerste graven van West-Frisia en Holland en Zeeland, ook bekend als het Hollandse Huis. Deze dynastie, ooit de geduchte tegenstander van de Franken, werd in 1299, opgevolgd door de Henegouwse heren van het vooraanstaand huis Avesnes. Henegouwen werd nl. van 1280 tot 1356, geregeerd door het huis Avesnes, dat in een personele unie, ook heerste over de graafschappen Zeeland en Holland.

Terwijl heel Europa grote rampspoed onderging, zoals hongersnood, pestperioden en oorlog, bouwden meerdere steden in het graafschap Holland (nu de provincies Noord- en Zuid-Holland met Terschelling, Vlieland, Urk en Schokland), een vooraanstaande positie op. Doordat de Hollandse graven en hertogen, aanvankelijk afkomstig uit het huis Henegouwen en later uit het Beierse huis, een stabiele regering konden onderhouden, floreerde de internationale handel en groeide de welvaart. Holland vergaarde een jaloersmakende voorsprong op de andere Nederlandse gewesten, een positie die het gebied in ieder geval in de geschiedenisboeken heeft weten te behouden.

Met bv. het graafschap Vlaanderen realiseerden deze graven van Henegouwen goede bindingen. Via het huwelijk van Boudewijn VI van Vlaanderen met Richilde van Henegouwen (onwettig huwelijk in 1051; enkele jaren later gewettigd door paus Leo IX) werden de graafschappen nl. reeds korte tijd verenigd, namelijk tot de dood van Boudewijn VI van Vlaanderen in 1070. Deze situatie werd definitief beslecht door de Slag bij Kassel (1071). Latere huwelijksallianties tussen Vlaanderen en Henegouwen zorgden ervoor dat beide graafschappen in een personele unie tot in 1278 met elkaar verbonden bleven. Maar de twee huwelijken van Margaretha van Constantinopel zorgden ervoor, dat ze voor lange tijd gescheiden werden.

De Henegouwer Willem III (Willem de Goede) (1287-1337), gehuwd met Johanna van Valois, een zuster van koning Filips VI van Frankrijk, werd ‘de schoonvader van Europa’ genoemd, vanwege de succesvolle huwelijksallianties van zijn 4 huwbare dochters. Filippa (1314-1369) bv. huwde in 1328 met koning Eduard III van Engeland (1312-1377) en Margaretha, gehuwd met keizer, Lodewijk de Beier (1282-1347), bestuurde het graafschap namens haar krankzinnig geworden zoon Willem V van Holland/Beieren (1330-1389). Dat was niet naar de zin van diverse edelen en steden (Willem V was nl. gehuwd met Machteld (Maud) van Lancaster), en zo begonnen uiteindelijk vanaf de tweede helft van de 14de- tot het eind van de 15de eeuw, de Hoekse en Kabeljauwse twisten. In 1356 kwam Henegouwen in handen van het Beierse Huis en vanaf 1433 in die van de hertogen van Bourgondië. Zo werd het deel van de Zeventien Provinciën.

In “Hoogtij van Holland” beschrijft Henk ’t Jong een tamelijk onbekende periode in de geschiedenis van het graafschap Holland. Van bestuurders en steden tot politieke allianties en verschillende aspecten van het 14de-eeuwse leven. Aan het begin van de 20ste eeuw werd op Nederlandse scholen, de kinderen nog geleerd om de namen van de 20 graven van Hollandse Huis, als volgt uit het hoofd te leren, Gerulf / Dikkie – Dikkie – Arnulf / Dikkie – Dikkie – Flo / Dik-Flo / Dik – Flo / Dik – Flo / Dik – Ada – Willem – Flo / Willem – Flo – Jan. Met zijn indrukwekkend overzichtswerk brengt Henk ’t Jong, Holland in de late middeleeuwen opnieuw naar het grote publiek.

Henk ’t Jong is historicus, heraldicus, schrijver en blogger. In 2009 studeerde hij af aan de Universiteit Leiden met middeleeuwse geschiedenis als specialisatie. ’t Jong debuteerde in 2018 met “De dageraad van Holland”. Sindsdien publiceerde hij “De oudste stad van Holland” en “De Tombe van Floris V”. Hij is heraldisch ontwerper en heeft een historisch adviesbureau. Ook schrijft hij over de geschiedenis van Dordrecht op apudthuredrech.nl.

Henk ’t Jong
Hoogtij van Holland
Het graafschap in de veertiende eeuw
412 bladz. geïllustreerd - 27,50 euro
uitgevrij Omniboek
 

Bron: Michel Dutrieue, stretto.be

 

In dit boek voert Luit van der Tuuk de bijzondere handelaren en ambachtslieden, schippers en scheepsbouwers ten tonele, die de grondslag hebben gelegd voor Nederland als handelsland.

Dit boek vertelt de geschiedenis hoe de bewoners van onze streken zich in de vroege middeleeuwen ontwikkelden van jagers, landarbeiders en vissers tot handelaren, schippers en ambachtslieden. Omdat goede oogsten door betere omstandigheden meer overschotten opleverden, breidde de handel zich uit van lokale markten naar internationale handelsnetwerken. Het belangrijkste handelsknooppunt was de jaarmarkt in Champagne.

De economie in heel Noord-Europa groeide op ongekende wijze en men kon nu ook rijk worden door werk.“In de vroege middeleeuwen”, zo lezen we, “was een groot deel van de bevolking werkzaam in de agrarische sector, maar er waren ook schippers, handelaren en ambachtslieden, die een vooraanstaande plaats in het handelsverkeer innamen. Deze noeste bewoners van het laaggelegen kustgebied dat nu Nederland heet, trokken er met hun handelswaar op uit en legden zo de basis voor Nederland als handelsland.

”De samenleving was vooral agrarisch, waarin vrijwel iedereen op het land werkte”, schrijft van der Tuuk. “De bevolking woonde in verspreide nederzettingen die te klein waren om ze als dorp te betitelen. Daar bewerkten zij hun akkers rond hun boerderijen en lieten er hun vee grazen. Op deze gecultiveerde ‘eilanden’ te midden van een onbewoonde woestenij van bossen en moerassen, waren de bewoners op zichzelf aangewezen en daardoor grotendeels zelfvoorzienend. 

“De landbouwopbrengsten”, zo vervolgt de auteur, “waren dan ook voornamelijk voor eigen gebruik. Een deel werd hooguit op een lokale markt verhandeld. De uitwisseling van regionale producten was daardoor beperkt, en dat geldt al helemaal voor de handel in goederen uit verre oorden. Handwerkers verwerkten allerlei materialen tot gebruiksvoorwerpen of sieraden. Uit bot of gewei werden kammen en naalden gezaagd, van geïmporteerde brokken barnsteen werden sieraden gemaakt. Er werd ijzer gesmeed, brons gegoten, wol gesponnen en textiel geweven. En er werden schepen gebouwd, want kooplieden vervoerden al die producten hoofdzakelijk op schepen naar hun afnemers.

”Er werd handel gedreven in voedingswaren als graan, wijn en zout, en ambachtelijke producten als aardewerk, glas en wapens. Bekende doorvoerhavens waren o.a. Dorestad (nabij Duurstede), Domburg, Ipswich, en Southampton. In de volgende hoofdstukken gaat hij dan op zoek naar de handelaren en de ambachtslieden, de schippers en de scheepsbouwers die de basis vormden van de vroegmiddeleeuwse economie.

Het boek is verdeeld in 4 hoofdstukken, “Boeren en vissers”, “Ambachtslieden”, “Handelaren” en “Schippers en scheepsbouwers”. Luit van der Tuuk heeft het daarin o.a. over horigen en freeholders, zee- en zoetwatervisserij, zoutwinning, iJzersmeden en houtskoolbranders, jaarmarkten en marktcentra, luxegoederen en Koninklijke heffingen, Friese kooplieden en verre handelspartners, land- en waterwegen, het netwerk van handelsroutes, scheepsbouwers, en havenfaciliteiten en handelsnederzettingen.

Boeiend en vertellend geschreven, geeft dit boek een bevattelijk beeld van hoe onze voorouders, dankzij o.a. de opkomst van grote steden, rijk werden door handel te drijven. 

Luit van der Tuuk (°1954) is gespecialiseerd in de vroegmiddeleeuwse geschiedenis van Noordwest-Europa. Hij is conservator van Museum Dorestad en won de W.A. van Es-prijs met zijn boek ‘De eerste Gouden Eeuw’. Andere bekende titels van Van der Tuuk zijn o.a. ‘De Friezen’, ‘De Franken’ en ‘Vikingen’.

Luit van der Tuuk, Handelaren en ambachtslieden.
Een economische geschiedenis van de vroege middeleeuwen.
144 bladz. uitg.  Omniboek, 15 euro.

Bron: stretto.be

Recensie van J.H.M.J. Busio:

De vroege middeleeuwen werden lang als een donkere periode beschouwd. Na de neergang van het Romeinse Rijk stonden nieuwe overheden niet langer garant voor veiligheid, muntgeld en logistiek. De economie was primair gebaseerd op agrarische productie en ruilhandel op lokaal en regionaal niveau. Handel op lange afstand betrof vooral luxe goederen, die door bestuurders werden ingezet als beloning voor de diensten en loyaliteit van hun achterban. De ambachtelijke productie van gebruiksgoederen vond plaats op domeinen van grootgrondbezitters en kloosters. Door het krachtige bestuur van de Karolingers werd internationale handel weer lucratief, ook met Scandinavië en de Arabische wereld. Het heffen van tol en belasting werd een bestuurlijk verdienmodel. De handel op lange afstand werd gedomineerd door professionele schippers en kooplieden die zich concentreerde op gespecialiseerde havennederzettingen.  Aantrekkelijk geschreven boek dat inzichten uit archeologie en archieven combineert tot een helder beeld van de vroegmiddeleeuwse economie. Met illustraties in z/w en literatuuroverzicht.

Op Historiek.net verscheen eveneens een recensie over dit boek, van Joost Eskes: "Handel en ambacht in de vroege Middeleeuwen"

Men zegt altijd dat het de uitzonderingen zijn die de regel bevestigen. Wel, zo is het altijd al geweest. Maar stel je voor, dat eeuwen geleden een vrouw het hier voor het zeggen had, een vrouw die zich niet in een hokje liet vangen. Haar naam was Margareta van Oostenrijk (1480-1530) en haar faam was haar grote verantwoordelijkheidsgevoel en haar honger naar perfectie.

Eigenlijk had ze goede genen langs moeders kant. Haar moeder was Maria van Bourgondië, die stierf toen ze drie jaar oud was. Haar sterke karakter zou ze echter erven van haar stief-grootmoeder, Margareta van York. Maar er was meer in het spel dan genetica. Johan De Cock, sinds 25 jaar inwoner van Mechelen, wekte haar opnieuw tot leven en zorgde ervoor dat u haar leert kennen als een vrouw van haar tijd, die gezegend was met een groot rechtvaardigheidsgevoel. En dat is mooi. Men kan eindeloos beweren dat iemand zijn tijd ver voorop was, maar de inborst bepaalt alles.

Als kind werd ze ontvoerd, en werd twee maal uitgehuwelijkt. Uiteindelijk zou ze geslaagde huwelijken kennen, maar ook veel innerlijke kwetsuren oplopen, zoals een doodgeboren kind. Het was haar tweede huwelijk echter met Filibert van Savoie dat haar zou vormen tot latere staatsvrouw van de Habsburgse Nederlanden. Haar tweede echtgenoot was eerder een feestvierder dan een heerser, waardoor zij de verantwoordelijkheden tegenover het volk opnam en een geolied regeersysteem ontwikkelde. Toen haar broer, Filips de Schone na haar echtgenoot kwam te overlijden en zij landvoogdes werd, vestigde ze zich in  Mechelen, van waaruit zij regeerde. Dit was niet steeds makkelijk, gezien haar Habsburgse afkomst haaks stond op de economische belangen van haar volk. Toch dacht zij steeds eerst in functie van de mens. Ze probeerde  ook fouten van de vorige generaties recht te zetten. We denken dan vooral aan het belastings-stelsel dat de vele oorlogen van haar grootvader, Karel de Stoute, diende te financieren.

Ze had een tijdloos karakter en wist alles zo haarfijn uit te werken en te documenteren dat we vandaag de dag een beeld krijgen over hoe men er toen reeds in slaagde om zonder moderne technologie een accuraat systeem op poten te zetten.

Johan De Cock laat de lezer een tijdreis maken, waarbij politieke systemen, demografische verschuivingen, oorlogen en ook diepmenselijke verhoudingen binnen al dan niet kunstmatige samengevoegde families een rol spelen. Zoals De Cock het stelt:

Men trouwde toen met geen man of vrouw. Men trouwde met een stuk grond. En dat zou al de rest gaan bepalen.

Hoe het allemaal begon, die begeestering voor Margaretha?  De Cock kwam een aantal jaar geleden in contact met uitgeverij Elena. Hij was gefascineerd geraakt door de medaillons met historische figuren aan de buitenkant van de galerij van het Mechelse Stadhuis. Iedereen in Mechelen liep er zowat voorbij, terwijl toeristen er vaak de historische waarde van inzagen. Dit was de boeiende aanleiding tot het schrijven van een boek waarin onze vorsten van Pepijn tot Karel zouden worden in kaart gebracht. Eveneens een prachtig boek vol boeiende verhalen, dat zo vlot geschreven is, dat men haast denkt dat men rond het kampvuur zit met De Cock zelf.

En zo is het, Johan De Cock zijn respect voor de lezer, heeft veel weg van het respect van Margaretha voor haar volk en economie. Hij belast de lezer niet met oeverloos geleuter en ingewikkelde constructies. Hij maakt er een boeiend geheel van waarin men zich gevoed voelt door de geschiedenis, eerder dan belast.

Margareta van Oostenrijk , Parel van Bourgondië.
Hardcover, 304 blz., 32 blz. illustraties, 
€34,50 

Bron: Cultuurpakt.be

Recensie door J.H.M.J. Busio:

De dood van de laatste Bourgondische hertog veroorzaakte een woelige periode in de Nederlanden. Zijn dochter Maria trouwde met de Habsburger Maximilian en kon zo de Nederlanden behouden. Door een slimme huwelijkspolitiek kregen de Habsburgers zelfs half Europa in handen. Hun dochter Margaretha vormde één van de pionnen in dit spel. Haar huwelijken met de koningen van Frankrijk en Spanje mislukten door politieke intrige en zelfs een overlijden. Een derde huwelijk met de hertog van Savoye bracht geluk, maar eindigde met een tragisch jachtongeval. Intussen had Margaretha ook het bestuurlijke virus te pakken gekregen. In Savoye omringde zij zich met professionele ambtenaren, die haar ook ondersteunden bij haar volgende uitdaging als landvoogdes van de Nederlanden. Haar diplomatiek inzicht wist dit gebied buiten de grote Europese oorlogen te houden. Naast bestuurlijke perikelen, biedt dit boek ook inzicht in de persoonlijkheid van Margaretha, gebaseerd op haar uitgebreide correspondentie. Vlot geschreven en inhoudelijk sterk boek, met afbeeldingen in kleur en literatuuroverzicht.

Interview met de auteur: "Ik ben drie jaar gerouwd geweest met Margareta"

Luit van der Tuuk en Leon Mijderwijk beschrijven in De middeleeuwers  het leven van veertig mannen en vrouwen die leefden in de Lage Landen tussen 450 en 900. Een vraaggesprek met de auteurs. 

Een grenzeloze wereld
Velen zitten door de huidige epidemie aan huis gekluisterd. De rem op de mobiliteit wordt ingetrapt om sociale contacten te vermijden. Mensen zitten vaker thuis. Ze verlaten minder snel de plaats waar zij wonen. Kunnen wij ons daardoor beter inleven in de mensen uit de vroege middeleeuwen? 

Het beeld van hen is namelijk - mede mogelijk gemaakt door een sterk verouderd beeld in het onderwijs - dat zij niet letterlijk, dan toch figuurlijk aan hun land gebonden waren. Ze leefden op de plaats waar zij waren geboren en vermoedelijk ook zouden sterven. Maar is dat beeld correct? Was iedere middeleeuwer zo honkvast? Veel mannen en vrouwen waren inderdaad aan hun streek gebonden. Uit de verhalen in ons boek De middeleeuwers kunnen we er op zijn minst twijfels over hebben dat dit voor iedereen gold.

De middeleeuwers behandelt tal van vrouwen en mannen die de wijde wereld in trokken. Misschien waren zij wel meer wereldburgers dan wij nu. Nationale staten in de moderne betekenis waren er niet en dus waren er nog geen harde grenzen waar personen konden worden tegengehouden. We zien dat sommigen uit andere gebieden zich vrij voelden om naar onze streken, de Lage Landen, te komen. Dat waren niet alleen Noormannen, die op het welvarende Dorestad afkwamen, of Frankische heersers die hun grondgebied wilden vergroten. Het waren ook mensen met vredige bedoelingen. Wereldvreemde Britten waren er toen vast ook, maar Angelsaksische kloosterlingen voelden zich wel verbonden met de mensen aan de andere kant van de Noordzee en kwamen om het evangelie te brengen. Voor Bonifatius zou de Brexit ongetwijfeld een gruwel zijn. Muntmeesters en ambachtsmannen trokken rond en verspreidden welvaart en cultuur.

Natuurlijk waren er genoeg mensen die alleen een kleine wereld kenden, maar andere middeleeuwers waren juist mobiel. Zij volgden hun gevoel, hun geloof of hun ambities, al dan niet bewust van de gevaren en de uitdagingen die op hun pad kwamen. Deze mensen gaven vorm aan de geschiedenis van onze streken. Hun verhalen staan centraal in De middeleeuwers.

Waar gaat het boek over?
Leon: Ons boek is een reeks korte biografieën van mensen die in de periode 450-900 met de Lage Landen verbonden waren. Daarbij hebben we ernaar gestreefd een zo’n goed mogelijke doorsnede van de bevolking te geven. Natuurlijk hebben we bekende namen als Karel de Grote en Willibrord opgenomen, maar ook veel onbekenden als de herbergier norse Robert of de edelman Wursing.

Wat doet Karel de Grote tussen de Lage Landers? Resideerde hij niet in Aken? 
Leon: Klopt, daar zat hij veel, maar hij verbleef ook in Nijmegen. Hij is in de Maasvallei in België geboren. Ook voor verschillende andere mensen uit het boek, zoals Willibrord en Bonifatius, geldt dat zij van buiten de Lage Landen kwamen, maar zij hebben wel een stempel op de geschiedenis van dit gebied hebben gedrukt.

Waarom zijn juist de opgenomen personen gekozen? 
Luit: Het is niet zozeer een kwestie van kiezen, maar eerder zoeken in schriftelijke bronnen naar personen waar voldoende over te zeggen valt.

Is dat altijd gelukt? 
Luit: Niet altijd, van een aantal weten we weinig meer dan hun naam. Neem de boer Saxbraht. Hij wordt genoemd als horige boer op Wieringen in een goederenlijst van de kerk. Meer weten we niet van hem, maar we hebben hem gebruikt als kapstok om een maatschappelijk onderwerp te bespreken.

Karel de Grote (links) met zijn zoon Pippijn met de Bult.
Miniatuur uit een handschrift van de Leges Barbarorum (10de eeuw) 
Bron: Archivio del Capitolo della Cattedrale, Modena.

De genoemde voorbeelden zijn allemaal mannen. Zijn er ook vrouwen opgenomen? 
Luit: We hebben ernaar gestreefd zoveel mogelijk vrouwen op te nemen, ook al is dat bijzonder lastig omdat ze zo weinig in de bronnen voorkomen. Uitzonderingen zijn geestelijken als Gertrudis van Nijvel, maar ook de Friese koningsdochter Theudesinda of de Zweedse filantrope Katla die naar onze streken kwam.

Kunnen we uit dat gebrek aan bronnen opmaken dat er vroeger niet aan geschiedschrijving gedaan werd? 
Leon: Jawel, dat gebeurde wel, maar er werd vooral over de daden van grote mannen en kerkelijke aangelegenheden geschreven. Het gewone volk werd maar zelden genoemd. Naast hagiografen als Liudger was in onze streken Gerward actief die een kroniek heeft geschreven.

Hoe kom je dan aan gegevens over het gewone volk? 
Leon: Dat is lastig, maar door de schaarse opmerkingen die de geschiedschrijvers in de marge van hun betoog over hen maakten, konden we toch een beeld krijgen. Zo beschreef Alcuinus een tocht die geestelijken maakten door het Frankische Rijk en noemde in de marge de gierige kooplieden en ongastvrije herbergiers van Dorestad.

Dat was de mening van Alcuinus. Ze waren misschien niet zo gierig en ongastvrij als hij beweerde. Zijn de bronnen eigenlijk wel betrouwbaar? 
Luit: Niet echt. Je moet je steeds realiseren wat de positie was van degene die een tekst optekende, voor wie die bestemd was en met welk doel. Meestal diende zo’n geschrift een kerkelijk of politiek doel, de auteurs hadden dus een eigen agenda. Een ding is zeker: ze schreven niet om ons in te lichten.

Is er alleen gebruik gemaakt van schriftelijke bronnen? 
Luit: Nee, soms bieden archeologische gegevens aanknopingspunten. We hebben aan de hand van een grafsteen over het kind Aluvefa geschreven, aan de hand van munten over de muntmeester Madelinus en het skelet uit een terp leidde tot een verhaal over de ‘boomkistvrouw’ Beitske. Grafvondsten van Childerik vormen een welkome aanvulling op de historische gegevens over hem.

Kunnen de biografieën afzonderlijk gelezen worden?
Leon: Ja, maar met elkaar geven ze ook een beeld van de ontwikkeling die onze streken in de vroege middeleeuwen doormaakten. Niet in een aaneensluitend verhaal, maar meer als een reeks bloemlezingen met een onderlinge samenhang. Om dat beter inzichtelijk te maken hebben we ernaar gestreefd de biografieën chronologisch te ordenen.

Kun je nog een conclusie trekken? 
Leon: Uit de beschrijvingen van de beschreven personages kunnen we afleiden dat de middeleeuwers in een dynamische en kleurrijke periode leefden. 
Luit: Dat de vroege middeleeuwen niet zo’n duistere periode was, is op zich niet zo’n opzienbarende conclusie, maar dat we die conclusie konden trekken aan de hand van het leven van een verscheidenheid aan personages is wel bijzonder.

Hoe is het idee voor dit boek ontstaan? En de samenwerking?
Luit: Het idee voor samenwerking kwam van Leon die ik al kende van zijn werk bij geschiedenissite Historiën. Hij stelde mij voor een who’s who in de vroege middeleeuwen te maken. Zelf liep ik al jaren rond met hetzelfde idee, eerst beperkt tot de Noormannen, later meer algemeen. Doordat we met hetzelfde plan rondliepen, lag een samenwerking voor de hand.

Waarom hebben jullie dit boek geschreven?
Leon: We wilden de individuele middeleeuwers beschrijven. De bronnen over hen zijn beperkt en daardoor is het risico dat zij in de marge van de geschiedschrijving terechtkomen. Dat is zonde, want zij vormden wel de loop van de geschiedenis.

Luit, je hebt al een groot aantal titels over de vroege middeleeuwen geschreven. Hoe past De middeleeuwers in dat rijtje?
Luit: Deze titel past goed tussen de titels die ik eerder heb geschreven, zoals Vikingen, De Franken in België en Nederland, De eerste gouden eeuw en Lof en laster, omdat de geschiedenis van de vroege middeleeuwen in Noordwest-Europa erin behandeld wordt. In dit geval is die geschiedenis vanuit het perspectief van verschillende personen geschreven.

Hoe is de samenwerking bevallen?
Leon: Het is niet eenvoudig om samen aan één verhaal te werken, maar juist de opzet van dit boek in onafhankelijke hoofdstukken leent zich daar goed voor. 
Luit: Nadat we een werkverdeling hadden gemaakt, verliep de samenwerking gesmeerd. Kortweg gezegd: ja, de samenwerking is bevallen.

Luit van der Tuuk & Leon Mijderwijk
De middeleeuwers.

Mannen en vrouwen uit de Lage Landen 450-900.
€ 23,50 - 256 pag.
Uitgeverij Omniboek
 

Bron Historiek.net
 
Recensie van J.H.M.J. Busio

Aan de hand van tientallen korte biografische schetsen biedt dit boek een levendig beeld van de vroege middeleeuwen in de lage landen, een periode die lang werd beschouwd als een duister tijdperk.  Deze benadering zorgt voor een prettige variatie en voorkomt klassieke opsommingen van veroveringen, huwelijken en moordpartijen. Natuurlijk komen bekende hoofdrolspelers als Karel de Grote, Bonifatius en Willibrord aan bod, met in hun kielzog allerlei andere Karolingische potentaten en missionarissen. Verrassend zijn diverse Vikingaanvoerders die zich niet alleen als piraten manifesteerden, maar ook als militaire bondgenoten van elkaar bestrijdende koningen. In die politieke perikelen speelden ook vrouwen een belangrijke rol. Vaak als dynastieke ruilwaar, maar soms ook als doortastende regent voor jonge troonopvolgers. Ook de namen van eenvoudige boeren, een herbergier en een muntmeester zijn toevallig overgeleverd. Deze personages bieden de mogelijkheid om nader in te gaan op landbouw en economie. Een prettig leesbaar boek met illustraties en kaarten in z/w, noten en literatuuroverzicht.

Dit aantrekkelijk boek biedt een knappe reconstructie van de vroege middeleeuwen in de Lage Landen.

Van de Zweedse hoogleraar geschiedenis Dick Harrison verschenen reeds eerder de goed onthaalde De Dertigjarige Oorlog (2018) en De geschiedenis van de slavernij (2019). Nu werd zijn werk met de Zweedse titel ‘Krijgsheren en heiligen’, dat oorspronkelijk dateert van 1999, ook in het Nederlands vertaald en gepubliceerd als "De volksverhuizingen". Daarin beschrijft Harrison De geschiedenis van West-Europa, 375-800, zoals de ondertitel luidt.

Het twintig jaar oude werk is een kind van zijn tijd. Vanaf de jaren 1980 stelden historici meer en meer de vraag naar het karakter van de transformatie van de Romeinse wereld. Eeuwenlang – in feite sinds de renaissance – schreef men het einde van het Romeinse rijk toe aan de combinatie van interne decadentie en de volksverhuizingen van woeste Germanen en Hunnen. In het Frans sprak men zelfs van ‘invasions germaniques’. Het gangbare historiebeeld was er een van een overgang van het licht van de klassieke oudheid naar de middeleeuwse duisternis. In de jaren 1990 ging men de overgang oudheid – middeleeuwen herbekijken. Harrisons studie situeert zich in die context, waar de auteur zelf in het voorwoord bij de Nederlandse uitgave op wijst. De hoofdlijnen van zijn boek blijven overeind in de zin van een cultureel formatief veranderingsproces, gesymboliseerd door de figuren van de krijger en de heilige, waarnaar de oorspronkelijke Zweedse titel verwijst.

Het boek bestaat uit vier grote delen. Eerst beschrijft Harrison de politieke evolutie van het eerste contact van Rome met de Goten tot Karel de Grote. Vervolgens gaat hij in op de mensen, hun leven en levensonderhoud. Dit deel omvat zowel economische als sociale aspecten en behandelt zaken zoals demografie, ecologie, landschap, bestaansmiddelen en de sociale structuren zoals huwelijk en seksualiteit. In het derde deel beschrijft Harrison dan de vroegmiddeleeuwse ideeënwereld, geloofsopvattingen en cultuur. Dit deel omvat o.a. geloof en bijgeloof, ketterijen en kerstening, kloosters en cultuur tot en met de positie van de joden. Het laatste deel behandelt dan de sociaalpolitieke structuren, zoals oorlog, wet, macht en geslacht en gaat in op kwesties van etniciteit en identiteit, de vroegmiddeleeuwse rechtsstructuren, koninklijke macht en de positie en rol van vrouwen in het machtsspel. Elk deel bestaat telkens uit een vijfentwintigtal behapbare hoofdstukken. Aparte vensters belichten uitgelichte thema’s, zoals de Nibelungen, koning Arthur of Monte Casino. In de epiloog stelt hij terecht dat de catastrofale achteruitgang in de vroege middeleeuwen terug te voeren is op een renaissancistische mythe.

Voor Harrison is de geschiedenis van West-Europa tussen 400 en 800 die van militarisering en kerstening, decentralisering en kleinschalige regionale gemeenschappen, waarin culturen ontstonden, die Europa karakteriseren tot op vandaag. Een uitgebreide en beredeneerde bronnen- en literatuurlijst, die evenwel maar gaat tot 1999, sluit het werk af. De kaart van Offa’s Dyke, de grens tussen Engeland en Wales, is nogal ongelukkig – met het noorden onderaan – afgedrukt.

Niettegenstaande deze studie twintig jaar oud is, was het een goed initiatief dit werk te vertalen, temeer dat Harrison zijn verhaal doet vanuit de mensen. Het geeft aan een hopelijk ruim lezerspubliek een genuanceerd historiebeeld van de vroege middeleeuwen.

Bron; Walter Smits - kunsttijdschriftvlaanderen.be 06/11/2020.

Recensie van J.H.M.J. Busio:

De vroege middeleeuwen worden niet langer gezien als een spreekwoordelijk duister tijdperk. Vergeleken met het Romeinse Rijk en de latere middeleeuwen zijn weliswaar minder bronnen beschikbaar, maar het blijkt een dynamische periode waarin overheid en samenleving zich opnieuw moesten uitvinden. Dit boek biedt een bewonderenswaardige reconstructie van deze ontstaansfase van West-Europa, die begint met een heldere analyse van de militaire en politieke perikelen rond de zogenaamde volksverhuizingen en het einde van het Romeinse Rijk. Daarna wordt een breed beeld geschetst van samenleving, economie, religie en bestuur, waarbij geografisch verspreide ontwikkelingen met elkaar in verband worden gebracht. Geweld en geloof waren de prominente elementen in de nieuwe samenleving en droegen bij aan zowel stabiliteit als conflict. Veel onderwerpen en personages passeren de revue, maar de korte paragrafen en verrassende anekdotes houden het boek prettig leesbaar. Geïllustreerd met z/w afbeeldingen, kaarten en een kleurenkatern. Daarnaast een uitgebreid literatuuroverzicht.

Een uitgebreide recensie verscheen in het Friesch Dagblad (van Tjerk de Reus): Religie en godsdienst hadden in vroege middeleeuwen impact op vrijwel alles.
 
De volksverhuizingen
De geschiedenis van West-Europa, 375-800
Dick Harrison
€ 39,99 - 654 blz.

In haar proefschrift beschrijft historica Fabiola van Dam het middeleeuwse openbare badhuis in al zijn facetten. Het is geen makkelijk boek geworden maar gaandeweg wint dit betoog – dat af en toe toch wel tamelijk theoretisch is – aan vaart en verkrijgt de stugge doorlezer een fascinerend beeld van een onbekend stukje middeleeuwse geschiedenis. Vergelijk dat middeleeuwse badhuis maar met een modern gezondheidscentrum avant la lettre, schrijft Van Dam, het was als nutsvoorziening in verstedelijkte delen van Europa volstrekt normaal. Dat de middeleeuwer wassen maar ongezond vond, is dus onjuist.
 
Voor dat baden kwam wel wat kijken, zo worden we gewaar uit een beschrijving van de Duitse Lutheraan Johannes Spangenberg. In 1552 schreef deze zielzorger in zijn ‘Ein Geistlich Bad der Seelen – angezeigt im Leiblichem Bade’ het volgende:

“Een mens die zich wil reinigen van het vuil van het lichaam, die trekt eerst zijn kleren, schoenen en mantel uit, gaat naakt en bloot de badruimte binnen…, de badhuisbaas of een bediende brengt water, om zijn voeten te reinigen, daarna gaat hij op de bovenbank liggen, de badhuisbaas giet water op de oven, maakt hitte en de zwetende gast moet met de kwast om zich heen slaan, daarna komt hij er af, laat zich de huid krabben, giet warm water over zich heen en spoelt het vuil weg, de badhuisbaas komt en (…) zet hem een laatkop of drie op zijn rug, op armen of benen die het vochtige (vuile, overtollige) bloed eruit trekken, haalt ze er weer af, begiet hem met water en spoelt het bloed er af, daarna wast de badhuisbaas zijn hoofd met goede scherpe loog, reinigt zijn oren, scheert zijn hoofdhaar, ogen en neus, kamt en masseert hem, knipt zijn nagels, laat hem (…) de voeten schaven en masseren, de man reinigt zijn mond en tanden, tot slot neemt hij plaats (in een badkuip), gaat eruit, men brengt hem een badlaken, wenst hem proficiat en geeft hem nog een voetbad, daarna rust hij (op het bed in het badhuis) en is in vrede”.

In de stad ging het om een publieke voorziening. De badbaas (in het Duits: ‘der Bader’) blies op zijn trompet als het bad open ging en stuurde omroepers de straat op: ‘Gaat in, gaat in gereed, de stoof is heet …’. Tal van badvoorschriften bleven bewaard. Want het badhuis was veel meer dan een wasplek. De badmeester zorgde voor – zeg maar – groot onderhoud met middeltjes die soms wat geniepig waren zoals laatkop, loog en aderlating. De laatkop, een verhit glas op je huid trok je bloed naar boven en liet flinke blauwe plekken ontstaan. Men hoopte met zo’n zuigplek onderhuids afval kwijt te raken. Van Dam:

“Huidproblemen, jeuk, zweren, zwellingen, verkleuringen en haaruitval hoorden bij de meest voorkomende groep middeleeuwse ziektes”.

Ook hielp baden tegen verstoppingen en diarree.
 
Seks
 
Het badhuis was ook een ontmoetingsplek waar je nieuwtjes kon horen, roddels uit je netwerk. Je bleef er even hangen, in je toedeledokie en daardoor bijna anoniem. En misschien kon je er ook wel een afspraakje scoren met de dames in de soms gemengde, vaker ongemengde baden. Dat de badhuizen in de eerste plaats sekstempels waren, is volgens Van Dam onjuist, de middeleeuwer was domweg minder preuts en onbevangener. Overigens waren de kuipklantjes meestal net niet helemaal naakt, ze droegen op de vele afbeeldingen die zijn overgeleverd vaak broeken, schorten of slips die de edelste delen nipt verhulden.
 
Wat verwachtte die bezoeker van een bad? Natuurlijk schoon worden, maar ook fit en kwiek blijven. De gezondheid zag men bedreigd door alles wat van buiten kwam, bijvoorbeeld door voedsel dat daarom goed verteerd moest worden. De spijsvertering zag men in navolging van Aristoteles en Galenus in termen van ‘koken’. Tijdens de trage gang door de organen warmde dat voedsel op, koelde af, verdikte, verdunde, mengde, viel uiteen en brokte samen: resultaat was een scheiding tussen voedingsstoffen en afval. De badvoorschriften – regimen sanitatis – golden vooral de laatste etappe: de huid. Gesloten of open poriën, zo dacht men, konden het verschil maken tussen ziek en gezond, vruchtbaar of onvruchtbaar, dik of dun, kaal of met haar, of zelfs dood of levend.
 
Gebedsreis
 
Die streng gereguleerde gang door het badhuis was zo algemeen bekend, dat deze ook kon dienen als metafoor voor andere doeleinden, zoals we bij Thomas Spangenberg al zagen. Deze theoloog gebruikte het badritueel als richtsnoer voor het gebed. Wie zich nauwgezet hield aan zijn instructies, zoals de bader in de wasstraat aan het ‘regimen’, vond er geestelijke zuivering in. Het badritueel transformeerde zo in een bidritueel, een ‘Badenfahrt’ in een … soort bedevaart. De bidder trok op zijn gebedsreis door het bad en wist precies waar hij welk gebed moest uitspreken; op de vloer van het bad bijvoorbeeld ‘Ex profundis’, uit de diepten. De metafoor was ook een geheugentruc en liet zich prachtig illustreren in deze gebedenboeken. De bidder ‘kauwde’ op zijn gebeden en liet de inhoud ervan langzaam in zich omgaan.
 
Maar de metafoor was ook bruikbaar om uit te leggen hoe je een land moest besturen. De twaalfde-eeuwse filosoof Johannes van Salisbury vergeleek in wat een van de eerste handboeken voor bestuurders zou worden, de samenleving met een lichaam dat bestond uit onder meer hoofd, mond, keel, maag en darmen. Johannes vond niet het hoofd het belangrijkst, maar de maag. Dat was het verdelingscentrum, de stapelmarkt van het lichaam. De staat kon je dus zien als een spijsverteringskanaal, de vorst moest net als badmeester of medicus ingrijpen in dat lichaam, als dat nodig was.
 
Een andere vraag is waar die badcultuur vandaan kwam. Was dit een restant van de Romeinse badcultuur of namen de kruisvaarders deze fenomeen mee terug naar Europa? Of – derde optie – ging het om inheemse tradities a la de Noord-Europese saunarituelen? Van Dam denkt dat het bad primair een stedelijke ontwikkeling was op basis van kleinere baden op lokale hofsteden. Het stadsbestuur zag het bad na verloop van tijd als een zaak van algemeen belang, het ‘gemeyn oirbaer’, en nam er door middel van regelgeving ook verantwoordelijkheid voor. Slecht gereguleerde badhuizen konden zich ontpoppen als besmettingshaarden voor het uitslaan van ziekten of… publieke opinie.
 
Hoe vaak?
 
Van Dam schreef een rijk boek over bad, bader en badgast in middeleeuws Europa. Heel bijzonder is het beeldmateriaal dat ze verzameld heeft. De analyse graaft diep en vraagt zoals gezegd, enig uithoudingsvermogen. De tekstuele bronnen heeft zij met digitale concordantieprogramma’s uitgeplozen en dat levert veel op. Het had wel een slag concreter gekund: wat mist is een beschrijving van laten we zeggen badhuis X in stad Y. Hoe ging het in bijvoorbeeld Utrecht, Maastricht, Brugge of Gent? Zo blijven er wel vragen liggen: hoe vaak gingen mensen in bad? Klopt het echt niet dat die middeleeuwer gemiddeld – in onze ogen – een viespeuk was? Cijfers komen sporadisch naar voren: in het district Tübingen zou er in elke kleine stad één badhuis zijn geweest, in middelgrote steden 2 à 3 en in grote 6 à 10. Je vraagt je ook af hoe het na 1600 verder is gegaan en of het vermoeden klopt dat die ontwikkeling in Duitsland doorzette in de cultuur van het kuuroord, die Nederland altijd vreemd bleef. Had dat met het calvinisme te maken? Hoewel dat buiten het kader van haar onderzoek valt, had de onderzoeker er misschien toch iets over kunnen zeggen. Laten we zeggen dat dit boek allerlei vragen oproept voor vervolgonderzoek. Andere kleinere problemen zijn enkele tik- en spelfouten, een enkel dateringsfoutje, wat slordigheidjes (Ulm in district Tübingen?) en het her en der onvertaald laten van bronteksten. Niettemin chapeau voor dit onderzoek.
 
Tenslotte, werd er ook gezongen in het middeleeuwse badhuis?
 
Het middeleeuwse openbare badhuis: fenomeen, metafoor, schouwtoneel
Auteur: Fabiola van Dam
Uitgever: Uitgeverij Verloren
Prijs: €35,00 - 313 bladzijden

 
Bron: Joost Eskes, historiek.net

Welkom bij Clubs!

Kijk gerust verder op deze club en doe mee.

Wat is dit?


Of maak zelf een Clubs account aan:


Aanbevelingen door leden:

bernard-de-clairvaux starstarstarstarstar

Een geweldige community over de middeleeuwen in al haar facetten. Boeken, tentoonstellingen, steden en discussies met diepgang en humor. Een Vlaams-Nederlandse samenwerking van historisch niveau!