Kunst en cultuur van de middeleeuwen

- Welkom op deze club over de middeleeuwen -

ehrenritter.gifIn deze club volgen we het nieuws over de middeleeuwen en discuteren we er over op het forum of blog: nieuwe inzichten en analyses, boeken en internetberichten, tentoonstellingen, films en TV-series, strips, levende geschiedenis en re-enactment en last but not least, de reisverslagen van onze clubleden. Kortom elk evenement dat ook maar een link heeft met de middeleeuwen krijgt een plaats op deze club. Het kan dus ook een persoonlijke belevenis of ervaring zijn van een clublid of gast, daarvoor dient vooral het 'Forum'. Op de blogberichten kan je ook je reacties kwijt. Naast het vele nieuws heb je ook nog de talrijke videoclips die je vindt in 'Videoalbums' en enkele links. Kortom, ben je in geschiedenis geïnteresseerd en meer bepaald in de periode van de middeleuwen, maak je kosteloos lid en doe mee of geniet.

5_1.pngD
e naam van de club verwijst naar het boek De Kathedralenbouwers van de franse historicus G. Duby: de middeleeuwers waren immers bij uitstek kathedralenbouwers. Dit boek heeft mij begeesterd en het middeleeuwse vuur wakkerde voor eeuwig aan door "De naam van de Roos" van de erudiete Umberto Eco.

Je vindt "Kathedralenbouwers" ook op Scoop.it!.  Plaatjes over de middeleeuwen vind je op Pinterest - middeleeuwen.

De periode voor de middeleeuwen, namelijk de Prehistorie en de Oudheid, wordt behandeld in de club
"Van Prehistorie tot Middeleeuwen".

Ben je een toevallige gast?
Wordt gratis lid, of laat iets horen op het forum of mail de eigenaar van deze club op calamandja@yahoo.com.

eric-enide-e1391725330308.jpg

Reeds sedert 2008 organiseert de club Kathedralenbouwers jaarlijks een clubbijeenkomst. 
Na Utrecht (2008), Brugge (2009), Delft (2010), Zutphen (2011), Kortrijk (2012), Bergen op Zoom (2014), Mechelen (2015), Deventer (2017), Tongeren (2018) is de tiende clubdag in 2019 terug doorgegaan in Utrecht. Hieronder vind je het verslag van deze laatste clubdag, opgesteld door clublid Antonius.

Bouwers Utrecht 2019.

Voor de 10e Bouwersdag zijn de Bouwers op zaterdag 16 november 2019 terug in Utrecht voor de jaarlijkse Bouwersdag.  De dag van het 2e lustrum begint  om 10:00 uur aan de Korte Nieuwstraat bij De Rechtbank, in het hart van het Museumkwartier. Favoriet is 'TRIBES - A Coffee Prophecy' (goed straf spul). De Abt heeft parels van de stad op een rij gezet. De dag is ons goed gezind: windstil, droog en een temperatuur van 6 graden, dus een mooie november dag.

Baldakijn met Christus Pantocrator 1275-1299 

Van 11:00 tot 13:30 zijn we rondom het Catharijne Convent. In het Museum loopt voor 3 maanden de tentoonstelling North & South: altaarfronten uit de 12e t/m de 14e eeuw uit Noorwegen (Bergen, Trondheim, Oslo) en het Episcopal Museum Vic (Catalonië), met een hoofdrol voor het oudste houten beeld van het convent, de gouden Maaslandse Maria van rond 1240. De tentoonstelling gaat haar een plek geven in een altaarfront. De tentoonstelling geeft voorstellingen in heldere kleuren en donkere contouren die haast icoon-achtig aandoen.

Enkelen  bezochten  de schatkamer van het convent met daarin een gave ivoren Byzantijnse Maria-ikoon Hodegetria (Zij die de weg wijst), dat rondom 950 is gesneden in een keizerlijk aterlier in Constantinopel.

Tijdens de lunch in het convent-resto is het Noors Twaalf uurtje de voorkeur, maar niet elke Bouwer eet zijn groente-blaadjes op.

Er is nog ruim de tijd om de bisschoppelijke St. Catharinakathedraal in te kuieren; de orde van de karmelieten begonnen in 1468 met de bouw als onderdeel van hun klooster. Terecht is hier een nisje ingeruimd voor Johannus Kardinaal  De Jong die zijn stem in de donkere geschiedenis-jaren liet horen.

Rondom kwart over twee staan we op heilige grond: op het Pausdam voor het Paushuize hertelt Marjoke haar verhaal uit 2008 over Adrianus VI, de enige Nederlandse paus ooit.

Romaans reliëf Pieterskerk Utrecht

Het hoogtepunt van de dag is de Pieterskerk, gebouwd in de jaren 1040-1048, met op het koorverhoog 4 romaanse zandstenen–reliëfs van rond 1070: een ingetogen ruimte,  mede doordat zij - al sinds 1656 - bij de Waalse Gemeente Utrecht in gebruik is.

Rondom Drie-uur  trekken we via de binnenhof de gotische Domkerk in. We verwijlen bij de graftombe van bisschop Gwijde van Avesnes, omdat we de lessen van Sanne Frequin kennen en weten dat je nooit zomaar langs een graftombe moet lopen.

 Aan de Oudegracht in stadskasteel Oudaen is het te doen om de Oudaen Pilsener en Dubbel (aan 7%).

We gaan terug naar de Korte Nieuwstraat waar op de fundamenten van de Paulusabdij, gebouwd door de benedictijner monniken  in de 11e eeuw, nu het Utrechts Archief zijn onderkomen heeft. Met in de hoofdrollen schrijfster Belle van Zuylen (ook prominent aanwezig in Musee Antoine Lecuyer in Saint Quentin) en Anna Maria van Schurman, de eerste vrouw in Europa met een academische opleiding, toont een heel  inspirerende film de geheimen van het Depot. We gaan op zoek naar het Scharnier van de hoofdpoort van het middeleeuwse kasteel Vredenburg en hebben zo de deuropening naar 2008 weer te pakken.

We gaan aan tafel aan het Domplein bij restaurant LOOF. Ieder kiest zijn gerecht. Bij de afsluiting heeft Revolution Tea de meeste gebruikers.

Rond Achten schudden we de handen op de hoek van de  Catharijnesingel / ingang Hoog Catharijne.  De auto of de trein brengt ieder weer zijns weegs. Top voor het program van deze bizondere editie van de Bouwersdag. We maken ons op voor de elfde editie.

art_border_motif_01.jpgart_border_motif_01.jpgart_border_motif_01.jpg

Foto van de clubleden op de negende clubdag in Tongeren (2018):

Foto van de clubleden op de achtste clubdag in Deventer (2017):

Foto van de clubleden op de zevende clubdag in Mechelen (2015):

Foto van de clubleden op de zesde clubdag in Bergen op Zoom (2014):

Foto van de clubleden op de vijfde clubbijeenkomst in Kortrijk (2012):

IMG_0001.JPG

Foto van de clubleden op de vierde clubbijeenkomst in Zutphen (2011):

club2.jpg

Foto van de clubleden op de derde clubbijeenkomst in Delft (2010):

Clubleden Kathedralenbouwers in Delft

Foto van de aanwezige clubleden op de tweede clubbijeenkomst van de Kathedralenbouwers te Brugge op 18 april 2009.

cluppersbrugge(1).jpg

art_border_motif_01.jpgart_border_motif_01.jpgart_border_motif_01.jpg

documents.gif 46a0f6cd59ecc242f3e84fbf00fabaa2.jpg

Free counters!

Na "Karel de Grote" en "Clovis" heeft Raoul Bauer een nieuw boek geschreven, waarin hij ons meeneemt naar de vroege middeleeuwen en aantoont dat de wondere wereld van de middeleeuwer gevuld was met magische gebeurtenissen, godsvruchtige vereringen én wetenschappelijke inzichten.
 
Bauer stelt zichzelf vragen als: zijn er tussen wetenschap, geloof en magie waterdichte schotten te plaatsen? Is er een verschil tussen een wonderbaarlijk mirakel en een te mijden toverkunstje? Is de rede enkel te vinden in de wetenschap of speelt die ook een rol in religie en magie? Hoe stond de kerk tegenover wetenschappelijke bevindingen?
 
Hij vindt de antwoorden onder meer in de geschriften van de grote wetenschappers uit die tijd. We leren Isidorus van Sevilla kennen die een encyclopedie schrijft die eeuwenlang gebruikt wordt. Beda Venerabilis, dé wetenschapper bij uitstek van de achtste eeuw, onderzoekt mirakels, berekent de paasdatum en denkt na over het fenomeen van de getijden. Via de Karolingische renaissance komt Gerbert van Aurillac aan het woord, de paus-wiskundige van het "merkwaardige" jaar 1000.

Recensie (van clublid bernard-de-clairvaux):

De middeleeuwen werden lang beschouwd als een donkere overgangsperiode tussen de culturele bloeiperiodes van de klassieke wereld en renaissance. Het einde van het Romeinse rijk had funeste gevolgen voor de ontwikkeling van de wetenschap, maar toch zijn veel klassieke wetenschappelijke werken alleen overgeleverd dankzij de toegewijde studie en speurzin van middeleeuwse onderzoekers. Dit betrof religieuze gemeenschappen die in de studie van de natuur de grootsheid van de schepping en het geloof zochten. Dit leidde niet tot nieuwe inzichten, maar in combinatie met bronnen uit de Arabische wereld en Byzantium vormden hun werk de basis voor een nieuwe doorbraak tijdens de renaissance. De grenzen tussen religie, wetenschap en magie waren overigens vaag, mede omdat nog niet heel Europa gekerstend was. Aangezien de wetenschap vooral een kerkelijke aangelegenheid was, blijft dit boek vooral een inleiding in kerkhistorie. De hoeveelheid namen van kerkvaders, bisschoppen en monniken doet daarbij soms duizelen. Met literatuuroverzicht, noten en illustraties in kleur.

Interessant boek over religie, magie en wetenschap in de vroege middeleeuwen dat echter vooral blijft hangen bij kerkhistorische onderwerpen.
 
Interview met Raoul Bauer in Trouw (10 december 2019, Bas Roetman):
 
Wat zijn de verschillen tussen wetenschap, religie en magie? Op die vraag had de middeleeuwse mens geen antwoord kunnen geven, schrijft de Vlaamse cultuurhistoricus Raoul Bauer. Hij vindt dat de moderne mens nog wat van de middeleeuwers kan leren: “We hebben te weinig eerbied voor het mysterie”. In zijn laatste boek, ‘Niet meer blaffen naar de maan’, richt Bauer zich op het denken over religie, magie en wetenschap in de vroege Middeleeuwen (500-1000). Want: in tegenstelling tot de 21ste eeuw liepen die drie zaken in de Middeleeuwen volledig door elkaar. Het boek staat bol van de spannende verhalen over oude rituelen, tovenaars, mirakels en heiligen.
 
“Ik wilde een dieper beeld krijgen van de middeleeuwse mens”, steekt Bauer van wal. “Dat is geschiedbeoefening voor mij: een zoektocht naar het beter begrijpen van de mens. Ook filosofische vragen horen daarbij: hoe keek men aan tegen zaken zoals religie, ­wetenschap en magie? Die vraag is op dit moment extra interessant, want het lijkt erop dat de scheidslijnen tussen wetenschap en religie in onze tijd alsmaar scherper worden. In het Westen rukt het wetenschappelijk denken op, ten koste van traditionele religies. Ik heb in mijn boek doelbewust gekozen om wetenschap, religie en magie niet apart te beschrijven, want dat deden de middeleeuwers ook niet. Zo krijg je een totaalbeeld.”
 
Hoe keek men in de Middeleeuwen aan tegen religie en wetenschap? Waren die met elkaar in strijd?
Kenmerkend voor het hele middeleeuwse denken is dat alles gebeurt in het perspectief van de eeuwigheid: het gaat om het leven na de dood, het hiernamaals. Dat wil niet zeggen dat men het aardse helemaal uit het oog verloor. Het doel van ‘aardse’ kennis, wat wij nu wetenschap zouden noemen, was zowel praktisch als existentieel. Monniken moesten bijvoorbeeld iedere ochtend, middag en avond op vaste tijden hun gebeden opzeggen, dus het was daarbij heel handig om kennis te hebben van de hemellichamen. Daar gaat het dus puur om praktisch nut. Maar er was ook een dieperliggend doel van kennisvergaring, want door de schepping beter te begrijpen kon je dichter bij de Schepper komen. Door het zichtbare te observeren, hoopte men tot het onzichtbare te komen, tot kennis over God.
 
Zag men ook onderscheid tussen de ­ratio en het geloof in het hogere?
Nee, dat onderscheid bestond niet. Wij spreken over de ratio als iets dat los staat van het geloof, maar dat was toen niet aan de orde. Men zag dingen, en men begon daarover na te denken. Dat nadenken gebeurde altijd in functie van de zoektocht naar de Schepper. Pas later, in de veertiende eeuw, werd die relatie tussen aan de ene kant geloof en aan de andere kant het rationele denken een thema. Voor die tijd hadden de meeste Europeanen een ­essentialistisch wereldbeeld: alles was een afspiegeling van de goddelijke werkelijkheid. Dat beeld begint te kantelen met de Engelse filosoof Willem van Ockham (1288-1347). Het nominalisme deed toen zijn intrede, een filosofie die de wereld uiteen liet vallen in verschillende afzonderlijke fragmenten. De stukken op zich werden belangrijk. Voor de ontwikkeling van de ­wetenschap was dat natuurlijk een goede zaak, maar de prijs was hoog: de ­zekerheid van die alomvattende wereld waarin men zo lang gerust had, viel weg. Men ging wanhopig op zoek naar een nieuw houvast.
 
Religie en wetenschap liepen dus in ­elkaar over. Hoe past magie in dat ­geheel?
Magie staat op het kruispunt van ­gelovig en wetenschappelijk denken. Het bovennatuurlijke grijpt in op het ‘normale’ verloop van de wereld. In de vroege Middeleeuwen was het woord ­‘magie’ vooral een negatief woord, dat verwees naar duivelse ­krachten en ­rituelen. Astrologie was bijvoorbeeld ­uiterst verwerpelijk. Het idee dat ­sterren invloed zouden kunnen hebben op het menselijk gedrag druiste zo in ­tegen het idee van de vrije wil, dat men daar niets mee te maken wilde hebben. Maar niet alle onverklaarbare zaken waren per se van de duivel. Er gebeurden ook mirakels: die waren afkomstig van God, en dus prijzenswaardig. Het onderscheid tussen heidense toverkunsten en goddelijke mirakels is ontzettend arbitrair. Dat zie je bijvoorbeeld bij de heilige Columba, die in Schotland het evangelie wilde verspreiden. Hij raakte daar verwikkeld in een strijd met een lokale druïde, waarbij de beide heren ­allerlei toverkunsten opvoerden: wat de druïde allemaal deed, wordt in de geschriften bestempeld als heidense, duivelse ­magie, maar wat Columba deed was een goddelijk mirakel.

Het is ook net zo goed onmogelijk om duidelijke scheidslijnen aan te ­brengen tussen wetenschap en magie. Neem bijvoorbeeld Beda Venerabilis (672-735), die een prachtig historisch werk over Engeland schreef. Zijn bronnenlijst staat vol met mirakels. Ondergraaft dat de wetenschappelijkheid van zijn benadering? Ik vind van niet. Elke wetenschappelijke geschiedschrijving, ook nu, moet uitgaan van bepaalde structuren, verbanden die op dat ­moment gangbaar zijn, anders praat je een onbegrijpelijke taal. Dat gold ook voor Beda.
 
In het boek citeert u Heino Falcke, hoogleraar radioastronomie aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Hij zegt: “We raken nooit dichter bij het begin van alles. In die zin is de ­moderne natuurkunde niet anders dan de theologie van de Middeleeuwen, toen er ook heel diepzinnige vragen werden gesteld zonder dat er antwoorden ­kwamen.”
De middeleeuwers stelden vragen aan het heelal, maar ze kregen niet de volledige antwoorden. Wij staan er nog altijd op dezelfde manier in. We kunnen wat specifiekere vragen stellen, dat is waar, maar het definitieve, laatste antwoord over de aard van het universum krijgen wij ook niet. Dat wordt mooi geïllustreerd in het verhaal over de zeetocht van Sint Brandaan, uit de negende eeuw. Ergens op zee komt hij een jongen tegen die op een blaadje ronddrijft. In zijn linkerhand heeft hij een kommetje en in zijn rechterhand een griffel, die hij in het water steekt en laat uitdruppen in het kommetje. Brandaan vraagt het jongetje wat hij aan het doen is, en het jongetje antwoordt: ‘Ik ben de zee aan het meten.’ Brandaan zegt tegen het jongetje: ‘Maar jongen toch, daar komt toch nooit een einde aan?’ ‘Klopt’, antwoordt de jongen, ‘en op dezelfde manier ben jij ook nooit in staat om alles te weten’. Dat is een les in nederigheid. Het verhaal zegt ons dat we nu eenmaal als mens beperkt zijn in onze vermogens. Daar zijn we ons in deze tijd minder ­bewust van.
 
Moeten we misschien wat minder ­neerkijken op de middeleeuwse mens?
Dat de middeleeuwse mens achterlijk zou zijn geweest, is kletspraat. Als hier morgenmiddag een potvis aanspoelt zie je heel Vlaanderen naar de kust trekken om te gaan kijken. Dat is precies hetzelfde als in de twaalfde eeuw. De middeleeuwers waren mensen zoals u en ik, die hebben moeten leren met vallen en opstaan. We kunnen de valse indruk krijgen dat we door ons technisch kunnen het mysterie kunnen oplossen. Misschien hebben de middeleeuwers wat te veel eerbied gehad voor het mysterie, maar wij hebben er te weinig eerbied voor.
 
Raoul Bauer
NIET MEER BLAFFEN NAAR DE MAAN 

Religie, magie en wetenschap in de vroege middeleeuwen
Pagina's: 256 - Prijs: € 25,-

Over middeleeuwse vrouwen zijn veel minder bronnen te vinden dan over mannen. Desalniettemin maakt Luit van der Tuuk in 'Lof en laster' duidelijk dat vroegmiddeleeuwse vrouwen veerkrachtig, vindingrijk en bekwaam waren. Bovendien waren ze in staat (politieke) macht, kennis en creativiteit buiten de huiselijke sfeer uit te oefenen. Van der Tuuk reconstrueert in dit boek de levens van adelijke en gewone vrouwen. Op basis van archeologisch bewijs en geschreven bronnen ontstaat het beeld van krachtige vrouwen, in een periode waarin de macht van de kerk voortdurend toenam. 

Hieronder een fragment over 'Transmannen' uit het boek:

Personen die zich niet met hun aangeboren geslacht identificeren, worden tegenwoordig met het begrip transgender aangeduid. In vroegmiddeleeuwse bronnen komen we daarvoor geen equivalent tegen, laat staan dat gradaties als crossdressing of androgynie benoemd werden. Dat kunnen we, als het meezit, slechts uit de context opmaken.

In de vroegmiddeleeuwse tribale samenleving werden mannen die zich vrouwelijk voelden en zich zo manifesteerden, als úmegð beschouwd en op een smadelijke wijze als ‘verwijfd’ bestempeld. Zij ontmoetten over het algemeen veel meer afkeuring dan vrouwen die als man door het leven gingen. Die werden weliswaar als onhandelbaar en koppig beschouwd, maar uit Scandinavische teksten kunnen we afleiden dat deze vrouwen, die ook wel karlkonur (manwijven) genoemd werden, desondanks maatschappelijk geaccepteerd waren. Onder kerkelijk regime kwam daar verandering in en werden ook transmannen, degenen die als vrouw geboren waren, maar zich met mannen identificeerden, als verdorven gehekeld. Volgens het Bijbelboek Deuteronomium mag een vrouw geen mannenkleren dragen, zoals een man ook geen vrouwenkleren mag aantrekken. Althans, dat hebben latere vertalingen ervan gemaakt. In de oorspronkelijke Hebreeuwse redactie lijkt geen sprake van kleding, maar eerder van uitrusting in het algemeen.
 
De meeste vrouwen die zich als mannen identificeerden, zullen onder maatschappelijke druk de beleving van hun genderidentiteit verbloemd hebben en zich voor de buitenwereld als vrouw gedragen hebben. Van zulke latent transmasculiene personen komen we maar weinig te weten. Alleen als ze zich afwijkend van de norm gedroegen, werd dat door de kerk als zondig verworpen en een enkele keer als zodanig op schrift gesteld.
 
Er deden verhalen de ronde over mythische schildmaagden, onafhankelijke, krijgshaftige vrouwen die regelmatig op het slagveld te vinden waren. Ze waren gewelddadig, kleedden zich als mannen en hanteerden wapens. Kortom, het waren ruwe types die zich gedroegen op een manier die als uitgesproken masculien getypeerd kan worden. We komen hen tegen in verhalen van Germaanse volken, zoals de Goten en de Marcomannen.

De beroemdste schildmaagd is Brunhilde (in het Oudnoords Brynhildr) die in de overlevering een belangrijke positie inneemt, omdat haar belevenissen zowel in verschillende Scandinavische verzen uit de Edda, zoals de Völsunga saga, als in het continentale Nibelungenlied zijn terug te vinden. Haar geschiedenis is gebaseerd op mythische verhalen die stammen uit een vroege orale traditie. Brunhilde hield een zwaard in haar hand, had een helm op haar hoofd en droeg een maliënkolder.

Haar aanbidder Sigurd maakte haar het hof, maar zij wees hem af.

‘Het lot wil niet dat wij ons leven delen. Ik ben een schildmaagd en ik draag net als krijgsheren een helm. Ik sta hen bij en ik ben niet afkerig van oorlog voeren.’

Zij voegde hem ook nog de opmerkelijke woorden toe dat het niet verstandig is een vrouw te vertrouwen, omdat die voortdurend hun belofte breken. De bepantserde en zwaardvechtende Brunhilde die haar tegenstander volgens de Völsunga saga in de strijd versloeg, kleedde zich niet alleen als een man, maar gedroeg zich ook mannelijk en praatte zelfs als een man. In haar hele doen en laten vertoonde Brunhilde de eigenschappen van een transman.

Zij verbleef als een gewapende krijger in een versterking en niet als een huisvrouw in haar eigen huiselijke omgeving. Dit alles druist in tegen elke conventie hoe een vrouw eruit zou moeten zien en hoe zij zich diende te gedragen. Brunhilde werd bovendien beschreven als een Walkure, een mythische vrouw die naar de slagvelden vloog om de dapperste gesneuvelde strijders voor het hemelse hiernamaals uit te kiezen.

Naast legendarische schildmaagden als Brunhilde zijn er ook historische getuigenissen opgetekend over vrouwen die aan een gewapende strijd deelnamen. Ze lijken gemodelleerd naar de Amazones uit de klassieke oudheid, mythische vrouwen die al volgens de Griekse Iliad in de Trojaanse oorlog meevochten.
 
In Slowakije werden zestien vrouwengraven van de Avaren uit de zevende en achtste eeuw gevonden, waarin typische vrouwenzaken ontbraken. De doden waren met paarden begraven, een typerend grafgebruik voor mannelijke strijders. We zagen al dat er in Engeland en Scandinavië vrouwen met wapens werden begraven. Daarmee komt de vermelding van Paulus ‘de Diaken’ over Amazones in de betekenis van strijdende vrouwen misschien niet geheel uit de lucht vallen.
 
Verhalen over strijdlustige vrouwen zijn uit verschillende delen van Noordwest-Europa bekend. Romeinse auteurs verhaalden over vrouwelijke krijgers op de Britse eilanden, zoals de Keltische koningin Boudica die in de eerste eeuw van onze jaartelling aan het hoofd van een Britse legermacht tegen de Romeinse bezetters streed. Voor de veldslag sprak zij haar troepen toe. Zij wilde haar vrijheid terugwinnen en wraak nemen op de Romeinen die haar gegeseld hadden en haar dochters verkracht.

De Byzantijnse geschiedkundige Procopius verhaalde van een Angelsaksische prinses die in de vroege zesde eeuw als kind was uitgehuwelijkt aan Radigis, een koningszoon van de Warnen uit het gebied van de Rijnmonding. Kort voor zijn dood koos de koning een andere bruid voor zijn zoon, waarop de overzeese verloofde van de prins furieus met een gewapende vloot de Noordzee overstak. Volgens Procopius voelde zij zich door haar verloving als het ware ontmaagd. Het ‘eilandmeisje’ versloeg de Warnen, nam Radigis gevangen en dwong haar afvallige bruidegom alsnog met haar te huwen.

In Engeland komen we later Aethelburg tegen, de stoutmoedige gemalin van de koning van Wessex, die in 722 het door haar echtgenoot gebouwde fort Taunton verwoestte om te voorkomen dat het door opstandelingen zou worden ingenomen.
 
De oorlogszuchtige mythische Macha Mong Ruadh (Macha ‘de Roodharige’) was de enige vrouw in de lange lijst van Ard-Rí (Hoge Koningen) van Ierland. Na de dood van haar vader wilde zij hem opvolgen, maar werd daarvan door haar achterneven Díthorba en Cimbáeth weerhouden. Macha nam eigenhandig de wapens tegen hen op en doodde Díthorba. Daarna dwong zij Cimbáeth met haar te huwen. Ten slotte versloeg zij de zonen van Díthorba en dwong hen aan haar fort mee te bouwen. Macha heerste 21 jaar, totdat ze door een andere hoge koning gedood werd.
In een ander Iers verhaal uit de kroniek De oorlog van de Ieren tegen de vreemdelingen vinden we de onverschrokken vrouw die we kennen als Inghen Ruadh (de Rode Maagd). Zij was in de tiende eeuw aanvoerster van een bende Vikingen, plunderende Noormannen die tegenwoordig met het toppunt van machogedrag geïdentificeerd worden. Zij viel het Ierse koninkrijk Munster binnen en had de moorddadige reputatie dat zij geen krijgsgevangenen maakte. Inghen Ruadh zou als meedogenloze Viking nog lang een legendarische naam houden.

Er zijn in dit soort verhalen zo veel woeste en heerszuchtige vrouwen te vinden dat het onaannemelijk is dat die allemaal op fantasie berusten. Tijdgenoten lijken niet verwonderd te zijn geweest over de krijgshaftige vrouwen die ze beschreven, en dat is nog van groter belang dan dat ze hen überhaupt noemden. Het betekent dat zij niet erg uitzonderlijk waren.

Hoewel er naast de genoemde Angelsaksische en Ierse voorbeelden overal verhalen over deze onbevreesde vrouwen voorkomen, zijn ze vooral bekend uit het niet of slechts marginaal gekerstende Scandinavië. Uit het Tweede lied van Helgi de Hundingdoder blijkt dat vrouwen in het noorden als Viking aan de strijd deelnamen:

‘Vroeger vloog zij hoog in de wolken en vocht met het zwaard als een Viking.’

Een vrouw onder de Vikingen was voor de IJslandse toehoorders van deze vertelling niet ongewoon. We komen verschillende van dit soort verwijzingen in Scandinavische saga’s tegen.
 
Vrouwen die vanwege hun genderidentiteit hun vrouwelijkheid ontkenden en een mannelijke rol aannamen, deden er vanzelfsprekend alles aan om aan een huwelijk te ontkomen. Soms gingen zij het avontuur aan, zoals de Scandinavische prinses Alvild die mannenkleren aantrok en een leven als woeste zeerover begon. Nadat zij meerdere gelijkgestemde jonge vrouwen in haar bende had opgenomen, kwam zij bij toeval op een plek waar een stel rovers rouwden om hun gestorven hoofdman. Ze kozen Alvild tot hun nieuwe aanvoerster, waarna zij optrad op een manier die ‘de dapperheid van een vrouw te boven ging’.
 
De maagd Stikla trok weg uit haar vaderland Noorwegen, omdat zij zich liever in het krijgsbedrijf dan in het huwelijk wilde bekwamen. Samen met haar wapenzuster Rusila leidde zij een piratenleven. Ze vielen schepen aan en plunderden havenplaatsen in Scandinavië en de Britse eilanden. Uiteindelijk zou Stikla tot tevredenheid van de auteur van hun belevenissen toch huwen, want volgens hem paste het een vrouw niet om het huwelijk te ontlopen.
 
Bron: Luit van der Tuuk, historiek.net

Waarschijnlijk door het succes van "De Bourgondiërs" van Bart van Loo vind je nu in de boekenwinkels een herdruk van een boek uit 1940 in de vooroorlogse spelling van weleer. Deze biografie van Karel de Stoute (1433-1477) was  jaren niet meer beschikbaar tot uitgeverij Aspekt in 2016 besliste tot herdruk van het boek. Deze heruitgave zorgt ervoor dat deze klassieker weer gelezen kan worden, voor wie maar niet genoeg krijgt van Bourgondiërs of biografieën. 

Karel de Stoute was hertog van Bourgondië, Brabant, Limburg, Luxemburg, graaf van Vlaanderen, Holland, Zeeland, Henegouwen en andere gewesten. Hij was een zoon van Filips de Goede en Isabella van Portugal. In 1439 trouwde hij met Catharina van Frankrijk die in 1446 stierf. Hierna huwde hij Isabelle van Bourbon in 1454, maar zij stierf in 1465. Zij gaf hem zijn enige kind, Maria. In 1468 trouwde hij tenslotte met Margaretha van York die hem overleefde.

Sinds 1457 groeide de afstand tussen Karel en zijn vader, vanwege de groeiende invloed van de familie Croy op de oude hertog. Tot een breuk kwam het in 1463. In 1465 wist Karel zijn tegenstanders te verwijderen en nam het bewind namens zijn ziekelijke vader over. Hij werd toen de ziel van de Ligue du Bien Public. Karel behaalde als winst uit zijn eerste strijd met Lodewijk XI van Frankrijk de teruggave van de verloren Somme-steden.

Na de dood van Filips in 1467 begon Karels’ regering met een overwinning op de met Frankrijk verbonden Luikenaren. Ondanks diplomatiek verzet van Lodewijk XI bracht hij een verbond met Engeland tot stand (1468, huwelijk met Margaretha van York). Een poging van Lodewijk om met de hertog te onderhandelen in 1468 te Péronne, leidde tot een nederlaag voor de koning, die zelfs een tuchtiging van het weer opgestane Luik moest bijwonen. Lodewijk herstelde zich schitterend door eraan mee te werken dat Eduard IV van Engeland – zij het tijdelijk – voor de Lancasters moest vluchten (1470-1471).

Karel wist zich echter na een verlies te handhaven in de oorlog die was uitgebroken. Een nieuwe coalitie tegen Frankrijk kwam tot stand, maar de strijd leverde geen duidelijke overwinnaar op. Sindsdien kreeg Karel meer gelegenheid zich in Duitse zaken te mengen. In 1472 begon de bezetting van Gelre. In 1473 veroverde hij het hertogdom Lotharingen. In Trier onderhandelde hij met de keizer over een toekomstige verwerving van het Duitse koningschap en toen hij dit niet kon bereiken over zijn verheffing tot koning van Bourgondië.

Na tegenstand van de Duitse vorsten begon de aftakeling. Interventie in de strijd van de Keulse aartsbisschop tegen de stad Keulen leidde tot een langdurig maar vruchteloos beleg van Neuss (1474-147), dat Karel belette steun te geven aan de Engelse inval in Frankrijk die zonder succes snel eindigde. Een hernieuwde poging om Lotharingen te veroveren leidde tot een strijd tegen de Zwitsers, die Karel op 1 maart 1476 en op 22 juni daarop volgend bij Granson en Mursten zware nederlagen toebrachten. Op 22 oktober 1476 sloeg Karel het beleg voor Nancy. Bij een ontzettingspoging sneuvelde hij op 5 januari 1477.

Met zijn onderdanen, vooral de steden, lag Karel voortdurend overhoop. Ten eerste door zijn pogingen een sterker monarchaal gezag te bevestigen en ten tweede door de hoge kosten, door zijn oorlogen veroorzaakt. De groeiende belastingdruk wekte een steeds groter wordende weerstand van de Staten. De hertog zag zichzelf steeds vaker met geweld op te treden tegen de steden. Het bericht van zijn dood zou voor algemene opstand zorgen.

‘Jan Walch schreef meer dan een biografie, hij plaatst een tijdsbeeld. Het leven van Karel de Stoute was meeslepend en dramatisch, gevangen tussen heroïek en tragiek’. – Perry Pierik

Karel de Stoute - Jan Walch
Pagina's: 248 - Prijs: € 18.95

 
Bron: Mark Beumer, Academia.eu

Uit onderzoek in laatmiddeleeuwse stadsarchieven blijken de sterke rechten van vrouwen voor de duistere tijden van heksenverbrandingen en economische uitsluiting.

De Middeleeuwen, dat waren nog eens duistere tijden. En dan vooral voor vrouwen, die er als erfgename van Eva immers voortdurend op uit waren mannen tegronde te richten, zo waarschuwde rond 1530 de schrijver van ‘Dat bedroch der vrouwen’ maar weer eens. Vandaar dus dat de man de broek aan moest hebben, ook in huis.

Toegegeven, er waren ook dames met macht: gravin Ada, Jacoba van Beieren, Maria van Bourgondië, al waren die vaak tweede keus, bij gebrek aan mannelijke troonopvolgers. Ook op religieus gebied hebben enkele middeleeuwse vrouwen de geschiedenisboekjes gehaald, zoals Hadewijch en Lidwina van Schiedam. Maar hoe zat het met de macht en rechten van de gewone, onbekende poortervrouw? Had zij nog een vinger in de schrale pap, waarin ze, zo wil het beeld, de hele dag thuis moeizaam stond te roeren? Had zij wat te willen als het op trouwen of seks aankwam of moest ze alles maar lijdzaam ondergaan? Kon ze een eigen inkomen hebben? Hoe zag de middeleeuwse ‘wijvenwereld’ er uit?
 
‘Coopwijf’
 
Met die vragen heeft een vijftal jonge, enthousiaste historici van de Leuvense universiteit zich op de laatmiddeleeuwse stadsarchieven van het voormalige hertogdom Brabant gestort - allereerst hulde dus voor de vele vrijwilligers die de afgelopen jaren al die documenten hebben gescand en getranscribeerd. Aan de hand van die schat aan verordeningen, gerechtelijke uitspraken, contracten en testamenten wordt in dit alleraardigste boek uitgeplozen hoe het tussen 1350 en 1550 stond met de feitelijke rechten van de inwoonsters van steden als Brussel, Antwerpen, Luik en ook Breda en Den Bosch. En daarbij jagen de schrijvers op heerlijk lichte toon menig cliché over de kling.
 
Zo begonnen de echt duistere tijden van heksenvervolging en economische uitsluiting pas na de Middeleeuwen, in de roerige 16de eeuw; in de relatief rustige 15de eeuw blijken er in Brabant heel wat stadsvrouwen vlijtig en vrijelijk aan de weg te hebben getimmerd als ‘coopwijf’, geldschieter en ambachtsvrouw, soms zelfs als meesteres. Rechteloos waren ze zeker niet: zo werden erfenissen indertijd nog gelijkelijk verdeeld onder zonen en dochters. Weliswaar stonden gehuwde vrouwen (tot 1956 nog!) onder de voogdij (‘momboordij’) van hun echtgenoot, maar als hij zonder haar toestemming aan haar bezit zat, kon ze hem daarvoor nog tot diep in de 15de eeuw voor de rechter slepen. Meer rechten hadden ongetrouwde vrouwen en weduwes; zij konden bijna overal zelfstandig zaken doen, zoals blijkt uit het levensverhaal van de Antwerpse Janne Schuts, een ongehuwde moeder die zich van dienstmeisje opwerkte tot geslaagd zakenvrouw.
 
Schandstraf

 
Ook het huwelijksrecht was veel minder vrouwonvriendelijk dan vaak gedacht. Kindhuwelijken kwamen hoogstens voor onder de adel; gewone mensen trouwden doorgaans pas boven hun 20ste - in Brussel moest je er in 1445 zelfs minimaal 28 voor zijn. Gehokt werd er volop, zeker als er niets te vererven viel. En als ouders dwarslagen bij de partnerkeuze van hun dochter, kon ze hen voor een voldongen feit stellen met een schaking. Mits ze volwassen was en het inderdaad met haar instemming was gebeurd, want een verkrachter liep het risico dat zijn hoofd ervan afgezaagd werd met een houten plank. Mocht een echtgenoot impotent blijken of zich schuldig maken aan publiekelijk overspel, geweld of spilzucht, dan was scheiding van tafel en bed een optie; wel verbood de christelijke leer een tweede huwelijk.

De Brabantse steden waren zelfs beroemd om een grote groep alleenstaande vrouwen: de begijnen, vrome, kuise vrouwen die in veilige hofjes bijeen woonden en de sobere kost veelal verdienden met spinnen, weven en kantklossen. Uiteraard leefden niet alle stadse vrouwen deugdzaam, hoewel het aandeel van ‘quade wijven’ in de middeleeuwse misdaadstatistieken opvallend bescheiden is. Ze werden hoofdzakelijk veroordeeld voor diefstal, vechtpartijen, overspel en gescheld, vooral als dat de openbare orde en andermans reputatie in gevaar bracht. De straf bestond meestal uit een geldboete, een schandstraf (zoals een rood lapje op je kleren voor overspel) of een bedevaart; lijfstraffen werden meestal pas opgelegd in geval van recidive. Maar wat mij in ‘Wijvenwereld’ nog het meest verraste: in de late Middeleeuwen was prostitutie weliswaar zondig, maar niet strafbaar zolang het vanuit die fameuze christelijke vrije wil gebeurde, in buurten en badhuizen die het stadbestuur daartoe gedoogde. Pooiers en vrouwenhandelaars daarentegen werden actief vervolgd en streng gestraft.

Van zulk archiefonderzoek valt inderdaad nog heel wat op te steken.

Oordeel: alleraardigst boek jaagt veel clichés over vrouwenlevens over de kling.

Andrea Bardyn, Chanelle Delameillieure en Jelle Haemers, 'Wijvenwereld. Vrouwen in de middeleeuwse stad', Uitgeverij Vrijdag, 352 p., 24,95 euro © Uitgeverij Vrijdag
 
Middeleeuwse topwijven

 
We stellen u graag voor aan enkele middeleeuwse ‘topwijven’ uit de Nederlanden.
 
Machtilde Perloecx bekritiseert de keurmeesters
Op de Leuvense vismarkt ging het er niet altijd even vredig aan toe. Ambachtslieden leurden er met zeevissen die de stad werden ingevoerd en bewoners van de stad en haar omgeving verkochten er vis om een extra centje te verdienen. Ook vrouwen waren talrijk aanwezig, als kopers én verkopers. Die visverkoopsters, toen viswijven genoemd, genoten niet de beste reputatie, maar dit werkten ze zelf soms wel eens in de hand. Zo moest de Leuvense Machtilde Poerloecx zich in 1423 voor de stadsraad verantwoorden. Zij baatte een kraam uit op de vismarkt. Machtilde was verontwaardigd nadat de keurmeesters (dit waren mannen die de kwaliteit van de vissen keurden) haar vis hadden afgekeurd en riep hen daarop toe dat ze niet grondig keurden en dat “sij stoncken”. Hiermee stelde ze de rechtvaardigheid van het economische beleid van de stad in vraag – en hun welriekendheid. Dit werd haar niet in dank afgenomen en Machtilde werd op een bedevaart naar Milaan gestuurd.

Katlijne van Brussel leert haar echtgenoot een lesje
Anno 1430 leefde de Leuvense Katlijne van Brussel in Kortrijk, waar ze een eigen handelszaak had uitgebouwd. Dat was ook nodig, want ze leefde gescheiden van haar man Hendrik, die nog in Leuven woonde met hun zoontje. Katlijnes succes kwam Hendrik echter al snel ter ore. “Met behendicheiden ende scoenen woerden” smeekte hij haar om terug te keren naar haar thuisstad. Minder gewiekst in de liefde dan in het ondernemerschap verkocht Katlijne haar zaak. Ze stuurde de opbrengst alvast naar Hendrik alvorens zelf de reis te maken. Eenmaal aangekomen in Leuven stond ze – letterlijk – voor een gesloten deur. Hendrik weigerde niet alleen zijn echtgenote te verwelkomen, hij woonde ook samen met een vriendin en hield Katlijnes geld voor zichzelf. Katlijne wist wat haar te doen stond: gesteund door vrienden trok ze naar de rechtbank, en vroeg hen “omme Godswille” om gerechtigheid te laten geschieden. Dat lukte ook: de Leuvense stadsraad strafte Hendrik en dwong hem om het geld dat hij met “listigher subtijlheyt” had ontvreemd terug te geven aan Katlijne. Eind goed, al goed voor Katlijne.

Woyeken Hagen zegt neen tegen een gearrangeerd huwelijk
In 1500 ontving het Antwerpse stadsbestuur een klacht van de familieleden van Woyeken Hagen. Ze claimden dat een zekere Symoen het meisje tegen haar wil had geschaakt. De gerechtsofficier confronteerde Woyeken met de klacht, waarop ze ontkende dat Symoen haar ontvoerd had. Integendeel, Woyeken verklaarde prompt dat ze uit vrije wil was meegegaan en geen andere man wilde. Ze had namelijk vernomen dat haar familie haar aan een “leeliken man mit eenen baerde” wilde koppelen. Om dat te vermijden trouwde ze snel met Symoen, hoewel Woyeken eigenlijk minderjarig was (jonger dan 25 volgens het middeleeuws recht) en de goedkeuring van haar familie nodig had. De schepenen bestraften Symoen daarom met een boete. Toch was het huwelijk tussen Woyeken en Symoen geldig en onbreekbaar. Beide partners hadden namelijk ingestemd en dat was de enige voorwaarde om te trouwen in de middeleeuwen. Voor meisjes als Woyeken boden schakingen dus een mooie kans om aan een gedwongen huwelijk te ontsnappen.
 
Liesbet van Keerbeke verzet zich tegen haar uitsluiting uit het slagersambacht
In 1564 besliste de Leuvense stadsraad, na aandringen van het slagersambacht, dat slagersweduwen de zaak van hun overleden echtgenoot in het Vleeshuys niet langer mochten uitbaten. Volgens de ambachtslieden tastte de aanwezigheid van gevestigde weduwen het inkomen van jongere gezellen van het ambacht aan. Die nieuwe regeling was echter buiten Liesbet van Keerbeke gerekend. Twee jaar na de verordening stapte deze slagersweduwe naar de stadsraad. Ze stelde dat ze als arme weduwe zonder de zaak van haar voormalige echtgenoot haar kinderen niet meer kon onderhouden. Daarnaast argumenteerde Liesbet dat weduwen in alle Leuvense ambachten steeds het beroep van de overleden echtgenoot hadden verdergezet. De stadsraad gaf gehoor aan haar argumenten en Liesbet kreeg toelating om de vleeskraam te blijven uitbaten totdat haar zoon meerderjarig was. Het bleef niet bij die uitzondering: vier jaar later schrapte de stadsraad de verordening in zijn geheel. Liesbet kende als ambachtsweduwe haar rechten en aarzelde niet om die af te dwingen voor de schepenbank.

Cornelijken Barinagen laat zich niet doen door haar belager
Op 14 augustus 1480 viel het verdict in de rechtszaak die de Gentse Cornelijken Baringen samen met haar ouders had aangespannen. De schepenbank veroordeelde Colaert Roose tot een verbanning van vijftig jaar uit Gent. Colaert had Cornelijken het leven immers erg zuur gemaakt. Als jonge vrouw – vermoedelijk was ze een tiener – zocht ze al een tijdje naar een geschikte partner. Maar tot Cornelijkens grote frustratie hapte geen enkele man toe, en dat was de schuld van Colaert Roose. Deze man verspreidde immers kwalijke roddels over haar en zei dat hij met haar had geslapen. In de eergevoelige middeleeuwse maatschappij waren zo’n woorden niet onschuldig. Het seksueel gedrag van vrouwen bepaalde hun reputatie én die van hun familie. Voor jonge meisjes waren maagdelijkheid en eerbaarheid daarom erg belangrijk. Door Colaerts “blameerlijke ende afdraghelijke woorden” had Cornelijken dan ook “diverssche goede huwelijken” misgelopen die ze nochtans “gherne ghe(h)adt hadde”. Nu Colaert zwaar bestraft werd en het duidelijk was dat Cornelijken een “eerbaer maeghdekin” was, kon ze haar zoektocht naar een partner met goede moed hervatten.
 
Janne Schuts groeit uit tot een gerespecteerde zakenvrouw
Janne Schuts, een alleenstaande vrouw in vijftiende-eeuws Antwerpen, verstrekte op grote schaal leningen aan haar stadgenoten. Dat was een typische activiteit voor alleenstaande vrouwen in middeleeuwse steden, maar weinigen waren zo actief als Janne. Zij liet zo’n 158 transacties registeren voor de Antwerpse schepenbank – een enorm aantal. Dat waren voornamelijk leningen maar ook investeringen in vastgoed. Janne was daarmee een erg succesvolle geldschieter die de groeiende Antwerpse economie van krediet voorzag. Ze deed dat bovendien vanuit een allesbehalve evidente positie: ze was van bescheiden komaf en de alleenstaande moeder van een onwettig kind uit een affaire. Toch klom ze op van dienstmeisje naar een vishandelaarster met een eigen zaak, om vervolgens begijn te worden. In het begijnhof gaf ze les en breidde ze haar investeringsactiviteiten uit. Dankzij wat financiële meevallers en zakelijk talent kon ze een klein fortuin opbouwen, dat ze onder andere gebruikte om aan haar zus en dochter een mooie huwelijksgift mee te geven.

Barbara Smets
Vrouwen leverden dus een onmisbare bijdrage aan de handel en nijverheid van de Nederlanden, één van de belangrijkste commerciële gebieden van pre-industrieel Europa. Toen organiseerde de economie zich namelijk rond gezinnen: echtparen baatten samen een zaak uit, maar in officiële documenten werd doorgaans uitsluitend de naam van het gezinshoofd genoteerd. Zo raakten hun meewerkende echtgenotes en dochters vergeten door de geschiedenis. Een mooi voorbeeld is de bekende cartograaf Jacob van Deventer, die in de zestiende eeuw in opdracht van de Spaanse koning de steden van de Nederlanden op een innovatieve manier in kaart bracht. De naam van zijn partner, Barbara Smets, doet wellicht geen belletje rinkelen. De magnifieke kaarten kwamen er nochtans ook dankzij haar. Barbara en Jacob baatten samen een atelier uit dat instond voor het graveren, de inkleuring en de verkoop van kaarten. Terwijl Jacob de kaarten tekende, waakte Barbara over de afwerking van het kaartmateriaal en de handelsbelangen van de zaak. Op die manier droeg ook zij bij aan de cartografie, maar bleef ze onzichtbaar.

Jeanne de Montbaston
Een andere vergeten vrouw is Jeanne de Montbaston die samen met haar echtgenoot Richard de Montbaston als boekhandelaar en verluchter werkte in Parijs in de veertiende eeuw. Jeanne en Richard verkochten manuscripten en voegden er prachtige miniaturen aan toe. Lang bleven de makers van die kunstwerkjes anoniem, maar uit nieuw onderzoek blijkt dat Jeanne een aanzienlijk deel ervan produceerde. Hetzelfde geldt voor vele anderen middeleeuwse manuscripten, waarvan de kopiist gewoonlijk anoniem bleef: lang schreven historici die uitsluitend aan mannen toe, maar het blijkt steeds meer dat ook vrouwen duchtig schreven en illustreerden.

Bronnen:
- Trouw.nl, Knack.be, cultuurgeschiedenis.be

BART VAN LOO 
De Bourgondiërs. Aartsvaders van de Lage Landen. 
  De Bezige Bij, 608 blz., 34,99 €.  

Bart Van Loo is terug. Met een turf over de Bourgondiërs die in de late middeleeuwen de Lage Landen vorm gaven. Zet je schrap voor straffe verhalen vol bloed, zweet en tranen.

Schrijver en conferencier Bart Van Loo (45) begint zijn nieuwe boek met een captatio benevolentiae die vele (oudere Vlaamse) lezers persoonlijk zal aanspreken. Hij geraakte als jonge snaak gefascineerd door een ongewone, lugubere prent uit ’s Lands Glorie, de naoorlogse prentenboekenreeks over de ‘Belgische’ geschiedenis, een romantisch-patriottisch werk dat je met bonnetjes van de kruidenier bij elkaar moest verzamelen. Prent 182, met het verhakkelde lijk van Karel de Stoute op een besneeuwde vlakte bij ­Nancy in 1477, liet Van Loo niet los. Die geschiedenis zou hij ooit schrijven en ze is nu klaar: het werd meer dan het verhaal van ­Karel alleen; het werd "De Bourgondiërs. Aartsvaders van de Lage Landen".

Dat wij nog steeds bourgondiërs genoemd worden, komt gewoon doordat we een hang naar lekker eten en drinken delen met de gelijknamige inwoners van de Franse landstreek, maar ooit wáren wij Bourgondiërs, zou je wat kort door de bocht kunnen stellen. De Lage Landen zijn een ‘uitvinding’ van de Bourgondische hertogen die in de vijftiende eeuw geduldig hun gebied uitbreidden en finaal over onze contreien heersten. Dat is de positie die Van Loo met verve verdedigt.

Bart Van Loo kennen we van zijn originele thematische Frankrijk-boeken en zijn biografie van Napoleon. Deze keer is zijn opzet nog grootser. Hij ontpopt zich opnieuw tot rasverteller. Hij neemt zijn lezer bij de hand – eigenlijk op een vrij ouderwetse schoolmeestersmanier, maar met kennis van de recentste stand van het historisch onderzoek.

De Bourgondiërs leefden in een uitermate boeiende tijd. We nemen deel aan bloedige veldslagen, zitten aan bij theatrale huwelijksbanketten, beleven spannende steekspelen en stappen op in indrukwekkende begrafenisstoeten. Het is een cliché, maar het is ‘alsof we erbij zijn’. We mengen ons tussen opstandige Gentenaren, zijn getuige van wrede wraakacties en afrekeningen onder verwante edellieden, bewonderen de kunst van Sluter in Dijon en van Van Eyck in Gent, we horen de stadspoorten van Brugge achter ons dichtvallen, ontmoeten de Van Arteveldes, Van Maerlant en Erasmus, raken verstrikt in een Honderdjarige Oorlog met ­Engeland en in de twist tussen Hoeken en Kabeljauwen. Zelfs de laatste mode in harnassen krijgen we uitgelegd.

Bornholm

Het verhaal van Filips de Stoute en Margaretha van Male en hun opvolgers, van het einde van de veertiende tot het begin van de zestiende eeuw, is er een van macht, passie, verraad, moed, praal, overspel en bloedvergieten, van successen en stommiteiten. Deze geschiedenis heeft alles om zo meeslepend te zijn als Dallasof Thuis, inclusief ongeloofwaardige wendingen en larger than life personages. Van Loo haalt veel van zijn mosterd bij de ‘journalisten’ van die tijd, de alomtegenwoordige kroniekschrijvers, en bij de zouteloze boekhouders die alles wat de Bourgondische hertogen uitspookten inventariseerden. Zo kan hij zijn relaas verrijken met sprekende details, zoals een rouwmantel van tweehonderd eekhoornvellen. Het doet er niet toe, maar het is mooi.

Hij verdeelt zijn boek in vijf delen die een spel spelen met de tijd: duizend jaar, honderd jaar, tien jaar, één jaar en één dag. De lange aanloop, ‘Het vergeten millennium (406-1369)’, is een noodzakelijk kwaad voor een beter begrip van het vervolg. Om de opkomst van de Bourgondiërs te begrijpen moet je hun voorgeschiedenis kennen – dat zij (en hun naam) verrassend genoeg van het Oostzee-eiland Bornholm komen, bijvoorbeeld. Met het deel over ‘De Bourgondische eeuw (1369-1467)’ barst het feest los; hier veroveren de Bourgondische hertogen land, status en macht. Vlaanderen en Holland vallen de Bourgondische hertogen te beurt. In ‘Het fatale decennium (1467-1477)’ gaat het over de rise and fall van Karel de Stoute en in ‘Een beslissend jaar (1482)’ over Maria van Bourgondië die verongelukt. ‘Een gedenkwaardige dag (20 oktober 1496)’ concentreert zich op het huwelijk van Filips de Schone met Johanna van Castilië. Met ‘De laatste Bourgondiër’ wordt in de epiloog keizer Karel V bedoeld.

Houwdegen en strijdros

Bart Van Loo neemt zijn lezer bij de hand – eigenlijk op een vrij ouderwetse schoolmeestersmanier, maar met kennis van de recentste stand van het historisch onderzoek

Je moet er het hoofd bijhouden, bij al die Filipsen en Karels, Johanna’s en Margaretha’s. Van Loo helpt met praktische extra’s: niet alleen een index en een bibliografie, maar ook stambomen, een tijdlijn en illustraties. De schrijver is dus gul, ook met weetjes en à-côtésover de etymologie van woorden als copain en maarschalk en over de herkomst van uitdrukkingen. Zo zet hij en passant ‘Wat Walsch is, valsch is’ opnieuw in zijn juiste context, die niets met flamingantisme te maken heeft. Bart Van Loo is de perfecte gids door het verleden, maar hij vergeet niet in welke tijd we leven. Hij is dus extra gevoelig voor de rol van vrouwen in deze geschiedenis die door mannen wordt beheerst. Jeanne d’Arc en Jacoba van Beieren krijgen glansrollen.

Het enige wat de lezer soms kan storen, is de stijl. Dat Van Loo woorden zoals houwdegen en strijdros zonder ironische bijbedoelingen van onder het stof haalt, is geen probleem. Dat zijn taal duidelijk Vlaams getypeerd is, is een verdedigbare keuze. Maar in de beeldspraak gaat het soms mis. Er worden wat te vaak mensen in de pan gehakt, of dingen opgehoest; de geest wordt nogal gemakkelijk gegeven. En soms kraken de zinnen onder de barok en neigen ze naar kitsch. Wat moet je denken van een beschrijving als ‘Het machtig knetteren van de gigantische haardvuren toverde de Kamerijkse keukens om tot ovens op mensenmaat, vanwaar dienaren in livrei de gerechten zwetend naar de eetzaal brachten’? Maar Van Loo lijkt er steeds mee weg te komen.

De auteur haalt zoals steeds alles uit de kast om zijn huzarenstuk onder de aandacht te brengen. Met de Bourgondische coalitie die zopas in Antwerpen is aangetreden, kreeg hij van de actualiteit onverwachts een mooi cadeautje – ook al staat die term in de politiek banaal voor de kleuren van de partijen. In een indrukwekkende blurb verwijst professor Frits van Oostrom, dé Nederlandse specialist in de middeleeuwse letteren, op het achterplat van het boek naarHerfsttij der middeleeuwen. Vergeleken worden met de Nobelfähige Johan Huizinga is heel wat voor een snaak die zijn inspiratie opdeed in ’s Lands Glorie.
 
Bron: Peter Jacobs, De Standaard (standaard.be)

Welkom bij Clubs!

Kijk gerust verder op deze club en doe mee.

Wat is dit?


Of maak zelf een Clubs account aan:


Aanbevelingen door leden:

bernard-de-clairvaux starstarstarstarstar

Een geweldige community over de middeleeuwen in al haar facetten. Boeken, tentoonstellingen, steden en discussies met diepgang en humor. Een Vlaams-Nederlandse samenwerking van historisch niveau!