Geplaatst op vrijdag 06 januari 2006 @ 18:17 , 955 keer bekeken
Antwoord op alle vragen, wie wil dat niet?
Ook in de Middeleeuwen was men dol op antwoorden. Rond het jaar 1100 verscheen een Latijns Elucidarium met 431 vragen over onder meer geloof, schepping en zondeval. "Hoe zijn hemel en aarde geschapen?" "Hoe is het in de hemel en in de hel?" In de Nederlanden verschijnen ruim 200 jaar later diverse versies in de volkstaal.
Nolanda Klunder verdedigde op 30 november 2005 haar Leidse proefschrift Luciadarius. Ze laat vier verschillende versies van Lucidarius zien, een vers-Lucidarius, een proza-Lucidarius (met speciale aandacht voor de antichrist), een Artes-Lucidarius (met veel vragen over volkenkunde en geografie) en een latere, 16e-eeuwse gedrukte editie.
De vragen in de versies verschillen, de aantallen vragen variëren, de antwoorden worden anders geformuleerd en de aanpak is anders. Het gaat later niet meer over de zondeval, maar over de manier waarop hersens in elkaar zitten. Van dát wetenschappelijk discours maakt Klunder leesbare, uitputtende, nieuwe, wetenschappelijke verhandelingen.
Nolanda Klunder
Lucidarius
De Middelnederlandse Lucidarius-teksten en hun relatie tot de Europese traditie.
Uitgeverij Prometheus, Amsterdam, 2005.
ISBN 9044607391.
EUR 35
Voorbeeld van een Lucidarius vind je op volgende website: Der "Lucidarius"
De vele levens van de Lucidarius: Promotie-onderzoek bij Mediëvistiek 2000-2004
Nolanda Klunder
Verschillende Middelnederlandse teksten worden aangeduid als 'Lucidarius'. De Duitse onderzoeker Schorbach schreef in 1894 dat het hierbij gaat om twee soorten teksten: Middelnederlandse Lucidarius-teksten die teruggaan op het Latijnse Elucidarium naast teksten die teruggaan op de Duitse Lucidarius.
Het Latijnse Elucidarium werd rond 1100 in Regensburg geschreven door Honorius Augustodunensis. Zijn tekst behandelt de belangrijkste christelijke geloofswaarheden in de vorm van een dialoog tussen een leerling en zijn meester. De informatie is ingedeeld in drie boeken over respectievelijk God, de verlossing en de eindtijd. In het eerste boek ('De rebus divinis') staan vragen over onder meer de schepping, de zondeval en leven en hemelvaart van Christus, het tweede boek ('De rebus ecclesiasticis') behandelt onderwerpen als het kwaad, predestinatie, erfzonde en demonologie, en het derde boek ('De futura vita') vertelt over hemel, hel, vagevuur en jongste dag. Robert Luff (1999) heeft laten zien dat de tekst multifunctioneel inzetbaar was en zowel gebruikt werd bij de elementaire opleiding van geestelijken, als bij de pastorale praktijk van clerici die theologische opvattingen moesten overbrengen aan leken. Net als andere werken van Honorius was het Elucidarium waarschijnlijk bedoeld als een soort plaatsvervangende bibliotheek, een overzichtelijk handboek voor clerici die niet de beschikking hadden over alle benodigde theologische werken. Het was een waar middeleeuws succes: Dagmar Gottschall (1992) somt 329 handschriften op, waarvan ongeveer de helft vervaardigd is in Duitstalig gebied.
De populariteit van het Elucidarium in Duitstalig gebied blijkt ook uit het gegeven dat het daar aan het eind van de twaalfde eeuw gebruikt werd als basis voor een tekst in de volkstaal, de Duitse Lucidarius. De onbekende auteur voegde aan de oorspronkelijke inhoud profane onderwerpen toe. De Duitse Lucidarius behandelt naast de theologische en liturgische kwesties talloze vragen over onder andere sterren, planeten, de continenten, elementen, dieren en de mens. Vierentachtig overgeleverde handschriften en tientallen oude drukken tonen het succes van de Duitse tekst aan.
Schorbachs indeling van de Middelnederlandse Lucidarius-traditie in een Latijnse en een Duitse tak wordt over het algemeen aangehouden. Toch zou het beter zijn om de Middelnederlandse Lucidarius-teksten in te delen in drie groepen, waarbij een gedrukte Lucidarius in een vierde categorie thuishoort.
De eerste groep zou dan gevormd worden door de vrije bewerking op rijm van het Latijnse Elucidarium. Deze berijmde bewerking, die wel wordt aangeduid als de 'Dietsche Lucidarius', is volledig overgeleverd in een vijftiende-eeuws handschrift. Deze tekst heeft onder de Lucidarius-teksten de grootste bekendheid dankzij de editie van Blommaert in 1851; hij is ook opgenomen op de cd-rom Middelnederlands. De Dietsche Lucidarius is voorts overgeleverd in fragmenten van een handschrift uit de veertiende eeuw (uitgegeven door Van Dijk in 1974). Twee andere handschriften bevatten korte excerpten (niet uitgegeven). Zij stammen uit de eerste helft van de vijftiende en uit de vroege zestiende eeuw. Orlanda Lie wees er in 1989 op dat de Dietsche Lucidarius waarschijnlijk niet alleen teruggaat op het Elucidarium, maar ook op enkele andere bronnen zoals vooral Jacob van Maerlants Rijmbijbel en de Duitse Lucidarius. In dat geval zouden de Latijnse en de Duitse traditie hier door elkaar lopen.
Ten tweede is er de letterlijke vertaling van het Elucidarium, de Proza-Elucidarius, die overgeleverd is in één volledig handschrift uit 1469 (uitgegeven door Gottschal in 1992). Dit handschrift is geschreven in een koorherenklooster nabij Nordhorn, gelegen ten oosten van Almelo.
Dan is er nog de getrouwe prozavertaling van de Duitse Lucidarius. Deze is volledig overgeleverd in een vijftiende-eeuws handschrift uit Noordoost-Nederland (niet uitgegeven). De Lucidarius beslaat hierin 19 folia. Een excerpt (uitgegeven door Leendertz in 1896) bevindt zich in het zogenoemde Zutphens-Groningse Maerlant-handschrift, een rijk verluchte codex met diverse werken van Jacob van Maerlant, waarschijnlijk vervaardigd in Den Bosch tussen 1339 en 1341.
Pleij wees in 1984 voorts op een gedrukt schoolboekje met een Lucidarius naar Frans voorbeeld, gedrukt in het eerste kwart van de zestiende eeuw bij Thomas van der Noot te Brussel. Hiervan is een onopengesneden vel overgeleverd, bedrukt met acht pagina's (bewaard in de KB te Den Haag en vooralsnog niet uitgegeven).
Zodoende zijn er in totaal acht tekstgetuigen in vier groepen, vanaf de vroege veertiende tot en met de vroege zestiende eeuw en van volledige teksten tot excerpten. De Nederlandse Lucidarius-traditie biedt daarmee een fascinerend beeld van hoe een middeleeuwse tekst telkens weer werd veranderd, aangepast en geëxcerpeerd om voor andere doeleinden en nieuwe publieksgroepen geschikt te zijn. Desalniettemin is er nauwelijks onderzoek verricht naar de Nederlandstalige Lucidarius-teksten.
Het inhoudelijke onderzoek heeft zich vooral gericht op de vraag: op welke manier en met welk doel werden het Latijnse Elucidarium en de Duitse en Franse afgeleiden daarvan vertaald of bewerkt voor een Nederlandstalig publiek, en op welke manier en met welk doel werden Middelnederlandse Lucidarius-teksten door de eeuwen heen gebruikt? Een deelonderwerp daarbij wordt gevormd door de bewerkingstechniek: hoe verhouden de Middelnederlandse Lucidarius-teksten zich tot hun bronteksten, welk publiek hadden vertalers en bewerkers op het oog en welke boodschap wilden zij aan dat publiek overbrengen? Een ander deelonderwerp betreft de overlevering, waarbij de handschriftelijke context en de inhoud van de excerpten aan de orde komen. De vroegste handschriften met de Lucidarius stammen uit de eerste helft van de veertiende eeuw, het laatste handschrift en de druk stammen uit het eerste kwart van de zestiende eeuw. Zijn er verschillen tussen de veertiende-, vijftiende- en zestiende-eeuwse omgang met de Lucidarius-traditie? Veranderde de boodschap die men wilde overbrengen? De tekstgetuigen komen uit Oost- en Noordoost-Nederland, Brabant en Vlaanderen. Zijn er regionale verschillen in de omgang met de Lucidarius?
Daarnaast wilde ik ook een beeld krijgen van de internationale Lucidarius-traditie en de positie van de Nederlanden daarbinnen. Hoofdvraag daarbij is, in welke landen op welke wijze bewerkingen of vertalingen van het Elucidarium vervaardigd werden, en op welke punten die buitenlandse Lucidarii zich onderscheiden van de Middelnederlandse. Voorzover ik nu weet, zijn er vertalingen en bewerkingen van het Elucidarium aangewezen in het Duits, Nederlands, Engels, Frans, Spaans, Italiaans, Welsh, Zweeds en IJslands. De Duitse bewerking werd vertaald of bewerkt in het Nederlands, Deens, Tsjechisch en wellicht Russisch. Een Franse vertaling vormde op haar beurt het uitgangspunt voor bewerkingen in het Frans (Le second Lucidaire) en Italiaans, en voor drukken in het Engels en Nederlands.
Uiteraard kan men de vraag stellen wat nu het nut van dit onderzoek is. Ik doe dit niet uitsluitend omdat ik het zelf nu eenmaal leuk vind, en ook niet alleen omdat de Lucidarius-teksten vol juweeltjes zitten (uit de antwoorden blijkt een bewonderenswaardige middeleeuwse inventiviteit bij kwesties als: moeten de heiligen in het paradijs ook hun behoefte lozen, waarom hebben oude mensen grijs haar en waarom maakte God luizen en vlooien?). Naast deze persoonlijke factoren zijn er zeker meer wetenschappelijk verantwoorde rechtvaardigingen voor dit onderzoek.
Het internationale Lucidarius-onderzoek zou erbij gebaat zijn als ook de Middelnederlandse situatie goed in kaart gebracht werd. Nederland blijft op dit punt immers ver achter bij Duitsland en Frankrijk. Over de Franse Elucidarium-vertalingen en -bewerkingen verscheen in 1954 de studie van Lefèvre. De Duitse Lucidarius staat sinds de jaren negentig hernieuwd in de belangstelling, met publicaties van onder meer Dagmar Gottschall, Joachim Bumke en vooral Georg Steer. Wie zich wil verdiepen in de Nederlandse traditie kan zich oriënteren met behulp van het artikel van Van Dijk in TNTL van 1973, maar hierop zijn inmiddels aanvullingen nodig. Zo deelde hij de overlevering in in niet meer dan twee takken en kon hij nog niet weten van de druk die Pleij in 1984 zou signaleren. Wie de teksten wil lezen, is aangewezen op een (naar onze maatstaven wel heel) kritische editie van Blommaert uit 1851 en de recente editie van Gottschall van de Proza-Elucidarius (waarvan zij het oostelijk-Middelnederlandse dialect overigens betitelt als Nederduits). De volledige Middelnederlandse Lucidarius naar het Duits is in het geheel nog niet uitgegeven.
Maar ook binnen de neerlandistiek is er heel wat te leren uit de traditie van de Middelnederlandse Lucidarius. Het gaat immers om een zeer dynamische en multifunctionele tekst, met een eeuwenoude traditie in de Nederlanden, vier verschillende Nederlandse takken en maar liefst acht tekstgetuigen. Daarmee kan de Middelnederlandse Lucidarius-traditie gezien worden als exempel van het leven van een tekst door de eeuwen heen. Mijn onderzoek kan in dat licht iets duidelijk maken over de wijze waarop bewerkers en kopiisten hun teksten aanpasten aan veranderende publieksgroepen en nieuwe opvattingen.
Over die nieuwe opvattingen valt in het kader van mijn onderzoek hopelijk ook het een en ander te zeggen. Gurjewitsch (1986) merkte op dat de religieuze denkbeelden in het Latijnse Elucidarium al snel verouderd raakten en niet meer aansloten bij datgene wat men in kringen van geschoolde theologen voor waar hield. Aan het eind van de veertiende eeuw werd het Elucidarium door een inquisiteur verworpen als ketters omdat de inhoud achterhaald was. Toch bleef het ongewijzigd circuleren. Zien we sporen van veranderende opvattingen op het gebied van theologie en profane wetenschap terug in de geschiedenis van de Middelnederlandse Lucidarius? Ofwel: grijpen kopiisten en bewerkers inhoudelijk in omdat de verstrekte informatie inmiddels niet meer geldig is? Waar het de Lucidarius naar Duits voorbeeld betreft, sluit die vraag aan bij de studie van Middelnederlandse artes-literatuur, een studieterrein dat sinds het repertorium van R. Jansen-Sieben tot bloei is gekomen. Al met al dus genoeg werk om me de komende vier jaar niet te vervelen.
Welkom bij Clubs!
Kijk gerust verder op deze club en doe mee.
Of maak zelf een Clubs account aan:
Aanbevelingen door leden:
bernard-de-clairvauxEen geweldige community over de middeleeuwen in al haar facetten. Boeken, tentoonstellingen, steden en discussies met diepgang en humor. Een Vlaams-Nederlandse samenwerking van historisch niveau!