Wijvenwereld - Vrouwen in de middeleeuwse stad

Geplaatst op woensdag 27 maart 2019 @ 15:57 , 192 keer bekeken

Uit onderzoek in laatmiddeleeuwse stadsarchieven blijken de sterke rechten van vrouwen voor de duistere tijden van heksenverbrandingen en economische uitsluiting.

De Middeleeuwen, dat waren nog eens duistere tijden. En dan vooral voor vrouwen, die er als erfgename van Eva immers voortdurend op uit waren mannen tegronde te richten, zo waarschuwde rond 1530 de schrijver van ‘Dat bedroch der vrouwen’ maar weer eens. Vandaar dus dat de man de broek aan moest hebben, ook in huis.

Toegegeven, er waren ook dames met macht: gravin Ada, Jacoba van Beieren, Maria van Bourgondië, al waren die vaak tweede keus, bij gebrek aan mannelijke troonopvolgers. Ook op religieus gebied hebben enkele middeleeuwse vrouwen de geschiedenisboekjes gehaald, zoals Hadewijch en Lidwina van Schiedam. Maar hoe zat het met de macht en rechten van de gewone, onbekende poortervrouw? Had zij nog een vinger in de schrale pap, waarin ze, zo wil het beeld, de hele dag thuis moeizaam stond te roeren? Had zij wat te willen als het op trouwen of seks aankwam of moest ze alles maar lijdzaam ondergaan? Kon ze een eigen inkomen hebben? Hoe zag de middeleeuwse ‘wijvenwereld’ er uit?
 
‘Coopwijf’
 
Met die vragen heeft een vijftal jonge, enthousiaste historici van de Leuvense universiteit zich op de laatmiddeleeuwse stadsarchieven van het voormalige hertogdom Brabant gestort - allereerst hulde dus voor de vele vrijwilligers die de afgelopen jaren al die documenten hebben gescand en getranscribeerd. Aan de hand van die schat aan verordeningen, gerechtelijke uitspraken, contracten en testamenten wordt in dit alleraardigste boek uitgeplozen hoe het tussen 1350 en 1550 stond met de feitelijke rechten van de inwoonsters van steden als Brussel, Antwerpen, Luik en ook Breda en Den Bosch. En daarbij jagen de schrijvers op heerlijk lichte toon menig cliché over de kling.
 
Zo begonnen de echt duistere tijden van heksenvervolging en economische uitsluiting pas na de Middeleeuwen, in de roerige 16de eeuw; in de relatief rustige 15de eeuw blijken er in Brabant heel wat stadsvrouwen vlijtig en vrijelijk aan de weg te hebben getimmerd als ‘coopwijf’, geldschieter en ambachtsvrouw, soms zelfs als meesteres. Rechteloos waren ze zeker niet: zo werden erfenissen indertijd nog gelijkelijk verdeeld onder zonen en dochters. Weliswaar stonden gehuwde vrouwen (tot 1956 nog!) onder de voogdij (‘momboordij’) van hun echtgenoot, maar als hij zonder haar toestemming aan haar bezit zat, kon ze hem daarvoor nog tot diep in de 15de eeuw voor de rechter slepen. Meer rechten hadden ongetrouwde vrouwen en weduwes; zij konden bijna overal zelfstandig zaken doen, zoals blijkt uit het levensverhaal van de Antwerpse Janne Schuts, een ongehuwde moeder die zich van dienstmeisje opwerkte tot geslaagd zakenvrouw.
 
Schandstraf

 
Ook het huwelijksrecht was veel minder vrouwonvriendelijk dan vaak gedacht. Kindhuwelijken kwamen hoogstens voor onder de adel; gewone mensen trouwden doorgaans pas boven hun 20ste - in Brussel moest je er in 1445 zelfs minimaal 28 voor zijn. Gehokt werd er volop, zeker als er niets te vererven viel. En als ouders dwarslagen bij de partnerkeuze van hun dochter, kon ze hen voor een voldongen feit stellen met een schaking. Mits ze volwassen was en het inderdaad met haar instemming was gebeurd, want een verkrachter liep het risico dat zijn hoofd ervan afgezaagd werd met een houten plank. Mocht een echtgenoot impotent blijken of zich schuldig maken aan publiekelijk overspel, geweld of spilzucht, dan was scheiding van tafel en bed een optie; wel verbood de christelijke leer een tweede huwelijk.

De Brabantse steden waren zelfs beroemd om een grote groep alleenstaande vrouwen: de begijnen, vrome, kuise vrouwen die in veilige hofjes bijeen woonden en de sobere kost veelal verdienden met spinnen, weven en kantklossen. Uiteraard leefden niet alle stadse vrouwen deugdzaam, hoewel het aandeel van ‘quade wijven’ in de middeleeuwse misdaadstatistieken opvallend bescheiden is. Ze werden hoofdzakelijk veroordeeld voor diefstal, vechtpartijen, overspel en gescheld, vooral als dat de openbare orde en andermans reputatie in gevaar bracht. De straf bestond meestal uit een geldboete, een schandstraf (zoals een rood lapje op je kleren voor overspel) of een bedevaart; lijfstraffen werden meestal pas opgelegd in geval van recidive. Maar wat mij in ‘Wijvenwereld’ nog het meest verraste: in de late Middeleeuwen was prostitutie weliswaar zondig, maar niet strafbaar zolang het vanuit die fameuze christelijke vrije wil gebeurde, in buurten en badhuizen die het stadbestuur daartoe gedoogde. Pooiers en vrouwenhandelaars daarentegen werden actief vervolgd en streng gestraft.

Van zulk archiefonderzoek valt inderdaad nog heel wat op te steken.

Oordeel: alleraardigst boek jaagt veel clichés over vrouwenlevens over de kling.

Andrea Bardyn, Chanelle Delameillieure en Jelle Haemers, 'Wijvenwereld. Vrouwen in de middeleeuwse stad', Uitgeverij Vrijdag, 352 p., 24,95 euro © Uitgeverij Vrijdag
 
Middeleeuwse topwijven

 
We stellen u graag voor aan enkele middeleeuwse ‘topwijven’ uit de Nederlanden.
 
Machtilde Perloecx bekritiseert de keurmeesters
Op de Leuvense vismarkt ging het er niet altijd even vredig aan toe. Ambachtslieden leurden er met zeevissen die de stad werden ingevoerd en bewoners van de stad en haar omgeving verkochten er vis om een extra centje te verdienen. Ook vrouwen waren talrijk aanwezig, als kopers én verkopers. Die visverkoopsters, toen viswijven genoemd, genoten niet de beste reputatie, maar dit werkten ze zelf soms wel eens in de hand. Zo moest de Leuvense Machtilde Poerloecx zich in 1423 voor de stadsraad verantwoorden. Zij baatte een kraam uit op de vismarkt. Machtilde was verontwaardigd nadat de keurmeesters (dit waren mannen die de kwaliteit van de vissen keurden) haar vis hadden afgekeurd en riep hen daarop toe dat ze niet grondig keurden en dat “sij stoncken”. Hiermee stelde ze de rechtvaardigheid van het economische beleid van de stad in vraag – en hun welriekendheid. Dit werd haar niet in dank afgenomen en Machtilde werd op een bedevaart naar Milaan gestuurd.

Katlijne van Brussel leert haar echtgenoot een lesje
Anno 1430 leefde de Leuvense Katlijne van Brussel in Kortrijk, waar ze een eigen handelszaak had uitgebouwd. Dat was ook nodig, want ze leefde gescheiden van haar man Hendrik, die nog in Leuven woonde met hun zoontje. Katlijnes succes kwam Hendrik echter al snel ter ore. “Met behendicheiden ende scoenen woerden” smeekte hij haar om terug te keren naar haar thuisstad. Minder gewiekst in de liefde dan in het ondernemerschap verkocht Katlijne haar zaak. Ze stuurde de opbrengst alvast naar Hendrik alvorens zelf de reis te maken. Eenmaal aangekomen in Leuven stond ze – letterlijk – voor een gesloten deur. Hendrik weigerde niet alleen zijn echtgenote te verwelkomen, hij woonde ook samen met een vriendin en hield Katlijnes geld voor zichzelf. Katlijne wist wat haar te doen stond: gesteund door vrienden trok ze naar de rechtbank, en vroeg hen “omme Godswille” om gerechtigheid te laten geschieden. Dat lukte ook: de Leuvense stadsraad strafte Hendrik en dwong hem om het geld dat hij met “listigher subtijlheyt” had ontvreemd terug te geven aan Katlijne. Eind goed, al goed voor Katlijne.

Woyeken Hagen zegt neen tegen een gearrangeerd huwelijk
In 1500 ontving het Antwerpse stadsbestuur een klacht van de familieleden van Woyeken Hagen. Ze claimden dat een zekere Symoen het meisje tegen haar wil had geschaakt. De gerechtsofficier confronteerde Woyeken met de klacht, waarop ze ontkende dat Symoen haar ontvoerd had. Integendeel, Woyeken verklaarde prompt dat ze uit vrije wil was meegegaan en geen andere man wilde. Ze had namelijk vernomen dat haar familie haar aan een “leeliken man mit eenen baerde” wilde koppelen. Om dat te vermijden trouwde ze snel met Symoen, hoewel Woyeken eigenlijk minderjarig was (jonger dan 25 volgens het middeleeuws recht) en de goedkeuring van haar familie nodig had. De schepenen bestraften Symoen daarom met een boete. Toch was het huwelijk tussen Woyeken en Symoen geldig en onbreekbaar. Beide partners hadden namelijk ingestemd en dat was de enige voorwaarde om te trouwen in de middeleeuwen. Voor meisjes als Woyeken boden schakingen dus een mooie kans om aan een gedwongen huwelijk te ontsnappen.
 
Liesbet van Keerbeke verzet zich tegen haar uitsluiting uit het slagersambacht
In 1564 besliste de Leuvense stadsraad, na aandringen van het slagersambacht, dat slagersweduwen de zaak van hun overleden echtgenoot in het Vleeshuys niet langer mochten uitbaten. Volgens de ambachtslieden tastte de aanwezigheid van gevestigde weduwen het inkomen van jongere gezellen van het ambacht aan. Die nieuwe regeling was echter buiten Liesbet van Keerbeke gerekend. Twee jaar na de verordening stapte deze slagersweduwe naar de stadsraad. Ze stelde dat ze als arme weduwe zonder de zaak van haar voormalige echtgenoot haar kinderen niet meer kon onderhouden. Daarnaast argumenteerde Liesbet dat weduwen in alle Leuvense ambachten steeds het beroep van de overleden echtgenoot hadden verdergezet. De stadsraad gaf gehoor aan haar argumenten en Liesbet kreeg toelating om de vleeskraam te blijven uitbaten totdat haar zoon meerderjarig was. Het bleef niet bij die uitzondering: vier jaar later schrapte de stadsraad de verordening in zijn geheel. Liesbet kende als ambachtsweduwe haar rechten en aarzelde niet om die af te dwingen voor de schepenbank.

Cornelijken Barinagen laat zich niet doen door haar belager
Op 14 augustus 1480 viel het verdict in de rechtszaak die de Gentse Cornelijken Baringen samen met haar ouders had aangespannen. De schepenbank veroordeelde Colaert Roose tot een verbanning van vijftig jaar uit Gent. Colaert had Cornelijken het leven immers erg zuur gemaakt. Als jonge vrouw – vermoedelijk was ze een tiener – zocht ze al een tijdje naar een geschikte partner. Maar tot Cornelijkens grote frustratie hapte geen enkele man toe, en dat was de schuld van Colaert Roose. Deze man verspreidde immers kwalijke roddels over haar en zei dat hij met haar had geslapen. In de eergevoelige middeleeuwse maatschappij waren zo’n woorden niet onschuldig. Het seksueel gedrag van vrouwen bepaalde hun reputatie én die van hun familie. Voor jonge meisjes waren maagdelijkheid en eerbaarheid daarom erg belangrijk. Door Colaerts “blameerlijke ende afdraghelijke woorden” had Cornelijken dan ook “diverssche goede huwelijken” misgelopen die ze nochtans “gherne ghe(h)adt hadde”. Nu Colaert zwaar bestraft werd en het duidelijk was dat Cornelijken een “eerbaer maeghdekin” was, kon ze haar zoektocht naar een partner met goede moed hervatten.
 
Janne Schuts groeit uit tot een gerespecteerde zakenvrouw
Janne Schuts, een alleenstaande vrouw in vijftiende-eeuws Antwerpen, verstrekte op grote schaal leningen aan haar stadgenoten. Dat was een typische activiteit voor alleenstaande vrouwen in middeleeuwse steden, maar weinigen waren zo actief als Janne. Zij liet zo’n 158 transacties registeren voor de Antwerpse schepenbank – een enorm aantal. Dat waren voornamelijk leningen maar ook investeringen in vastgoed. Janne was daarmee een erg succesvolle geldschieter die de groeiende Antwerpse economie van krediet voorzag. Ze deed dat bovendien vanuit een allesbehalve evidente positie: ze was van bescheiden komaf en de alleenstaande moeder van een onwettig kind uit een affaire. Toch klom ze op van dienstmeisje naar een vishandelaarster met een eigen zaak, om vervolgens begijn te worden. In het begijnhof gaf ze les en breidde ze haar investeringsactiviteiten uit. Dankzij wat financiële meevallers en zakelijk talent kon ze een klein fortuin opbouwen, dat ze onder andere gebruikte om aan haar zus en dochter een mooie huwelijksgift mee te geven.

Barbara Smets
Vrouwen leverden dus een onmisbare bijdrage aan de handel en nijverheid van de Nederlanden, één van de belangrijkste commerciële gebieden van pre-industrieel Europa. Toen organiseerde de economie zich namelijk rond gezinnen: echtparen baatten samen een zaak uit, maar in officiële documenten werd doorgaans uitsluitend de naam van het gezinshoofd genoteerd. Zo raakten hun meewerkende echtgenotes en dochters vergeten door de geschiedenis. Een mooi voorbeeld is de bekende cartograaf Jacob van Deventer, die in de zestiende eeuw in opdracht van de Spaanse koning de steden van de Nederlanden op een innovatieve manier in kaart bracht. De naam van zijn partner, Barbara Smets, doet wellicht geen belletje rinkelen. De magnifieke kaarten kwamen er nochtans ook dankzij haar. Barbara en Jacob baatten samen een atelier uit dat instond voor het graveren, de inkleuring en de verkoop van kaarten. Terwijl Jacob de kaarten tekende, waakte Barbara over de afwerking van het kaartmateriaal en de handelsbelangen van de zaak. Op die manier droeg ook zij bij aan de cartografie, maar bleef ze onzichtbaar.

Jeanne de Montbaston
Een andere vergeten vrouw is Jeanne de Montbaston die samen met haar echtgenoot Richard de Montbaston als boekhandelaar en verluchter werkte in Parijs in de veertiende eeuw. Jeanne en Richard verkochten manuscripten en voegden er prachtige miniaturen aan toe. Lang bleven de makers van die kunstwerkjes anoniem, maar uit nieuw onderzoek blijkt dat Jeanne een aanzienlijk deel ervan produceerde. Hetzelfde geldt voor vele anderen middeleeuwse manuscripten, waarvan de kopiist gewoonlijk anoniem bleef: lang schreven historici die uitsluitend aan mannen toe, maar het blijkt steeds meer dat ook vrouwen duchtig schreven en illustreerden.

Bronnen:
- Trouw.nl, Knack.be, cultuurgeschiedenis.be


Welkom bij Clubs!

Kijk gerust verder op deze club en doe mee.

Wat is dit?


Of maak zelf een Clubs account aan:


Aanbevelingen door leden:

bernard-de-clairvaux starstarstarstarstar

Een geweldige community over de middeleeuwen in al haar facetten. Boeken, tentoonstellingen, steden en discussies met diepgang en humor. Een Vlaams-Nederlandse samenwerking van historisch niveau!