De warme Middeleeuwen

Geplaatst op dinsdag 10 augustus 2004 @ 18:58 , 1076 keer bekeken

De nieuwste studies tonen weer aan dat het niet waar is dat we tegenwoordig de warmste periode in duizend jaar doormaken. Vergeleken met toen valt het erg mee.

Het klinkt zo simpel: het meten van de temperatuur. Maar het is zo moeilijk. Dat merk je als amateur al. Waar plaats je de zojuist aangeschafte buitenthermometer? Okay, niet in de zon natuurlijk, maar in de schaduw. Maar er is schaduw en er is schaduw. In de wind, uit de wind. Het ene plekje blijft de hele dag van hitte gevrijwaard, op het andere komt de zon dagelijks een halfuurtje buurten. Mag dat laatste ook? En: moet de thermometer op een stenen muur dan wel op een houten schutting worden bevestigd? Steen houdt warmte vast en dus zal een thermometer op steen altijd een hogere temperatuur aangeven dan op hout. Moeilijk, moeilijk, moeilijk.

Wat voor de amateur geldt, gaat tot op zekere hoogte ook op voor de professionals. Natuurlijk hoeven zij zich bovenstaande vragen niet te stellen. Er zijn internationale voorschriften hoe de temperatuur moet worden gemeten. Thermometers dienen zich anderhalve meter boven de grond te bevinden, in een hut met een geïsoleerd dak en een dito bodem, waarvan de wanden uit jaloezieën bestaan en waarin zich meestal ook een elektrische ventilator bevindt.

Maar ook dan blijven er prangende vragen. Zo is de temperatuur die tegenwoordig bij het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut in De Bilt wordt gemeten, de thuishaven van de Nederlandse weerprofessionals, niet in alle opzichten te vergelijken met de temperatuur die pakweg een eeuw geleden op dezelfde lokatie werd vastgesteld. Destijds was De Bilt nog een landelijk dorp, tegenwoordig is het bijna een voorstad van Utrecht. Al dat beton en die bakstenen van Utrecht houden warmte vast; mede daarom -en omdat het er minder hard waait - is het in de stad altijd iets warmer dan op het platteland. En dus geven de thermometers van nu, ook als het klimaat niet is veranderd, doorgaans een hogere temperatuur aan dan die van een eeuw geleden.

De aanwezigheid van stedelijke warmte (in het jargon: het urban heat effect) is te corrigeren. Dat gebeurt ook, maar toch is dat niet ideaal. Het neemt de glans weg van de feitelijke waarneming (met die kille overtuigingskracht van de cijfers) als er een redenering en een berekening (met de kans op menselijk feilen) te pas komt aan een meting.

Naarmate het langer geleden is, is het ingewikkelder om temperaturen te vergelijken. De thermometers worden minder betrouwbaar, de wijze van meten was minder gestandaardiseerd (niet in geïsoleerde en geventileerde meethutten), en als je maar ver genoeg teruggaat in de tijd, zijn er op een gegeven moment geen thermometers meer. In 1592 bouwde Galileo een eerste primitieve thermometer, in 1714 maakte Fahrenheit de eerste werkelijk betrouwbare, en in 1742 vond Celsius de huidige temperatuurschaal uit - waarbij de sukkel de temperatuur van kokend water overigens op 0 stelde en die van bevriezend water op 100.

Toch kan er wel degelijk met lang vervlogen tijden worden vergeleken. Op een indirecte manier (in het jargon: met proxy indicatoren): boomringen, koralen, sedimentboringen, enzovoorts.
Het International Panel on Climate Change (IPCC), dat onder auspiciën van de Verenigde Naties de klimaatwetenschap bijeen probeert te brengen om aldus de politiek te adviseren inzake het klimaatbeleid, heeft tot nu toe altijd geconcludeerd dat de temperatuur in de afgelopen duizend jaar de vorm had van een hockeystick: tot honderdvijftig jaar geleden gestaag, lineair dalend, om dan opeens scherp op te lopen.

De hockeystick is een soort uithangbord voor de broeikashypothese geworden. Op politici en het publiek maakt het plaatje indruk. In een oogopslag begrijp je de implicatie dat de mens het klimaat aan het beïnvloeden is: pas toen door het verbranden van fossiele brandstoffen de concentratie van koolzuurgas (C02) in de atmosfeer begon te stijgen, liep de temperatuur op. Dat suggereert een causale relatie. Ook wordt de hockeystick-grafiek geregeld gebruikt bij het verkondigen van stellingen als: 'Door het broeikaseffect beleven we nu de warmste periode in duizend jaar.'

De vraag is: klopt dat? Heeft de temperatuur in de afgelopen duizend jaar werkelijk de vorm van een hockeystick?

De leek is al geneigd zich daarbij achter de oren te krabben. Hè? Hoe zit het dan met de Tachtigjarige Oorlog, toen de Spanjaarden in Nederland voortdurend klaagden over bevroren vingers, en Hollandse meesters aan de lopende band koek-en zopietaferelen schilderden? En hoe zit het met de warme Middeleeuwen, toen Groenland bij zijn ontdekking zo groen was dat het Groenland werd genoemd - en niet Witland, wat tegenwoordig meer voor de hand zou liggen?

De basis van de hockeystick werd gelegd door enkele artikelen van de Amerikaan Michael Mann uit 1998 en 1999. Op die artikelen komt steeds meer kritiek. In 2000 publiceerden Zwitserse en Amerikaanse onderzoekers in het wetenschappelijk tijdschrift Science een studie van oude boomringen. Aan de dikte daarvan is af te lezen hoe warm of koud het in een bepaald jaar was. Naarmate het in een jaar warmer is, dijt een boom meer uit. De desbetreffende onderzoekers waren in staat om op basis van veertien verschillende lokaties op het noordelijk halfrond een chronologie van 800 tot 1990 op te bouwen. Welnu, er blijkt inderdaad een Kleine Ijstijd te hebben bestaan, en ook zijn de Middeleeuwen wel degelijk warm geweest. Volgens de onderzoekers was de warmste periode het interval tussen 950 en 1045, met de piek rond 990. Dat is intrigerend omdat de huidige warme tijd doorgaans wordt afgezet tegen de afgelopen duizend jaar. Daardoor wordt het warmste deel van de middeleeuwen dus buiten beschouwing gelaten.

Ook een groep Amerikaanse, Duitse en Zwitserse onderzoekers, die boringen op zee heeft onderzocht en daarover in 2001 in Science publiceerde, vond de warme Middeleeuwen en een Kleine Ijstijd terug in hun meetreeksen. Onlangs werd een nieuwe studie bekend van het Amerikaanse Harvard-Smithsonian Center for Astrophysics - te publiceren in het blad Energy and Environment -, waarin ruim 240 klimaatonderzoeken zijn gebundeld. Opnieuw springen de warme Middeleeuwen en de Kleine IJstijd er duidelijk uit. Tussen de negende en de veertiende eeuw was de gemiddelde temperatuur op aarde aanzienlijk hoger dan nu, en tussen 1300 en 1900 was het een stuk kouder dan nu.

Een van de onderzoekers, astrofysicus Sallie Baliunas, stelt: "Al heel lang zijn onderzoekers in het bezit van anekdotische bewijzen die het bestaan van klimaatextremen ondersteunen. Zo vestigden de Vikingen aan het begin van het tweede millennium kolonies op Groenland, die aan hun einde kwamen toen enkele honderden jaren later het klimaat almaar kouder werd. In Engeland floreerden wijngaarden gedurende de Middeleeuwse Warme Periode. Nu hebben we stapels bewijzen om deze culturele indicaties te staven."

Tot nu toe heeft het IPCC de hockeystick verdedigd door te stellen dat de warme Middeleeuwen en de Kleine Ijstijd lokale (lees: Europese) fenomenen waren en zich niet op wereldschaal hebben gemanifesteerd. De hoeveelheid aanwijzingen dat het wel degelijk wereldwijde gebeurtenissen waren, wordt evenwel steeds groter. Zo langzamerhand lijkt de hockeystick dus ten grave te kunnen worden gedragen en door realistischer grafieken vervangen. Een voorstel daartoe heeft de Amerikaanse klimaatonderzoeker David Wojick al gedaan op internet: www.climatechangedebate.org. (Zie ook de grafiek op deze pagina.)

Het is natuurlijk de vraag of deze grafiek klopt, maar de suggestie die er vanuit gaat, is een totaal andere dan die van de hockeystick. In de eerste plaats maken we nu geen uitzonderlijk warme periode door: het was duizend jaar geleden ongeveer twee graden warmer. In de tweede plaats hoeft de huidige temperatuurstijging niet door het broeikaseffect te komen, maar kan ze ook worden gezien als een natuurlijke reactie op de Kleine Ijstijd, een soort terugveren. Daarnaast klopt de claim van de milieubeweging en veel klimaatwetenschappers niet dat de planeet en de mensheid niet gewend zouden zijn aan heel snelle temperatuurveranderingen: in de afgelopen duizend jaar gebeurde al eerder iets dergelijks (de abrupte afkoeling aan het eind van de Middeleeuwen).

Ten slotte, ook al zou de broeikastheorie kloppen en is de aarde dus inderdaad door menselijk toedoen aan het opwarmen, dan nog zijn we niet op weg naar een wereldwijde catastrofe. Zoals de Engelse emeritus hoogleraar biogeografie Philip Stott in de Engelse krant The Telegraph zei: "Gedurende de Middeleeuwen was de wereld aanzienlijk warmer dan nu en de geschiedenis toont aan dat het een heerlijke tijd was van overvloed voor iedereen."

Pas toen vanaf 1300 de temperatuur begon te dalen, ontstonden er problemen. Stott: "Oogsten mislukten en de Engelse wijnindustrie stierf. Je vraagt je dus af waarom iedereen tegenwoordig zo bang is voor opwarming."


Welkom bij Clubs!

Kijk gerust verder op deze club en doe mee.

Wat is dit?


Of maak zelf een Clubs account aan:


Aanbevelingen door leden:

bernard-de-clairvaux starstarstarstarstar

Een geweldige community over de middeleeuwen in al haar facetten. Boeken, tentoonstellingen, steden en discussies met diepgang en humor. Een Vlaams-Nederlandse samenwerking van historisch niveau!