Middeleeuwer was erg lang; 18de-eeuwer 't kortst

Geplaatst op donderdag 02 december 2004 @ 20:46 , 1586 keer bekeken

IN de vroege Middeleeuwen waren mannen in Noordwest-Europa niet veel kleiner dan tegenwoordig. Pas vanaf de twaalfde eeuw nam hun lengte af, tot een dieptepunt in de achttiende eeuw. Na 1750 werden de mannen weer langer, met een versnelling in de twintigste eeuw.

Dit blijkt uit een overzichtsstudie van econoom en antropoloog Richard Steckel (universiteit van Ohio) van verschillende historische onderzoeken naar lengte, meestal op basis van de lengte van dijbenen in graven in Scandinavië, Groot-Brittannië en Nederland.

Steckels bevindingen gaan in tegen de algemene opvatting dat de mensen sinds de invoering van de landbouw, ongeveer 10.000 jaar geleden, eigenlijk altijd veel kleiner zijn geweest dan nu - door hongersnoden en infectieziekten. De jagers-verzamelaars die eerder leefden (de Cro Magnon-mensen) waren wel behoorlijk lang. Pas door de moderne infectieziektenbestrijding zou de mens weer op de 'oude' gemiddelde Cro-Magnonlengte van 170 à 175 centimeter zijn gekomen.

Nu blijkt dus echter dat de gemiddelde lengte van mannen in ieder geval in Noordwest-Europa in de eerste helft van de Middeleeuwen maar liefst 173,4 centimeter was - met een record van 176 centimeter in Zweden.
Daarna trad krimp op. In de zeventiende en achttiende eeuw was de gemiddelde lengte nog maar 167 centimeter, met een dieptepunt van 166 centimeter in Holland. Na 1750 ging de lengte stijgen, tot in de twintigste eeuw weer vroegmiddeleeuwse lengtes werden bereikt. Steckel stelde al in eerder onderzoek vast dat de gemiddelde lengte meestal daalt door de verstedelijking, maar toeneemt naarmate men toegang heeft tot vruchtbare landbouwgrond. Ziektes en armoede in de steden verkleinen de lengte, goede voedselvoorziening vergroot die. Daarnaast leidt ook isolement tot grotere lengte, waarschijnlijk door een verlaagde kans op infectieziekten van buiten.

De forse lengte in de vroege Middeleeuwen betekent volgens Steckel dat er toen minder honger en ontbering werd geleden dan wel eens wordt aangenomen.
Waarschijnlijk was ook het relatieve isolement in deze landbouweconomie van belang. De afname daarna wijt Steckel aan een aantal fenomenen: de 'kleine ijstijd' van 1450 tot 1700 die de voedselproductie trof, toenemende inkomensongelijkheid (meer armoede voor meer mensen), verstedelijking en toename van de handel (besmettingsgevaar), oorlogen en de komst van nieuwe ziekten uit de pas ontdekte koloniën. Dat juist in de tijd van de industrialisatie in de negentiende en twintigste eeuw de lengte weer toenam wijst er volgens Steckel op dat ook in die tijd de bevolking duidelijk beter af was - in tegenstelling dus met de veronderstelling van sommige pessimistische economische historici.

Bron: NRC Handelsblad


Welkom bij Clubs!

Kijk gerust verder op deze club en doe mee.

Wat is dit?


Of maak zelf een Clubs account aan:


Aanbevelingen door leden:

bernard-de-clairvaux starstarstarstarstar

Een geweldige community over de middeleeuwen in al haar facetten. Boeken, tentoonstellingen, steden en discussies met diepgang en humor. Een Vlaams-Nederlandse samenwerking van historisch niveau!